< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen het slachtoffer heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, doordat zij het slachtoffer opzettelijk dreigend hebben toegevoegd dat hij zou worden geliquideerd. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AT3659 en HR LJN BJ7237. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is in een dergelijk geval vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Voor een dergelijke veroordeling is niet vereist dat is bedreigd met een door de ‘bedreiger’ zelf te plegen misdrijf. ’s Hofs oordeel getuigt niet van onjuiste rechtopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij verdient opmerking dat is bewezenverklaard dat verdachte “tezamen en in vereniging met anderen” heeft gehandeld.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



25 januari 2011

Strafkamer

nr. 08/03973

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 september 2008, nummer 20/004013-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.P.M.A. Laeyendecker, advocaat te Oss, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De raadsvrouwe heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt over 's Hofs verwerping van het verweer dat geen sprake is geweest van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 10 april 2007 te Heerhugowaard, tezamen en in vereniging met anderen [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend [betrokkene 1] - zakelijk weergegeven - toegevoegd dat [betrokkene 1] zou worden geliquideerd, althans woorden van gelijke strekking of inhoud."

2.2.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2008 gehechte pleitnota heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"Er was geen sprake van een vanuit de agent gerichte dreiging (hier was ook het opzet niet op gericht). Er zou gesproken zijn over op handen zijnde liquidaties door een groepering (opmerking raadsvrouw: uitdrukkelijk niet zijnde de politie). Het was de bedoeling dat de getuigen dachten dat [betrokkene 2] een politieman was en dat er een dreiging van anderen was. Van een bedreiging door de politieman [betrokkene 2] is dan ook geen sprake geweest."

Voorts heeft de raadsvrouwe blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting nog aangevoerd:

"Bedreiging: geen (voorwaardelijk opzet)

Bedreiging is het te kennen geven van een voornemen. Een voornemen van diegene die de bedreiging uit of van iemand die dit voornemen kenbaar maakt door iemand anders de boodschap te laten overbrengen. Of een voornemen daadwerkelijk gerealiseerd zou kunnen gaan worden of in het geheel niet is daarbij niet van belang.

Van een voornemen door de politieman [betrokkene 2] is in deze zaak geen sprake. Er is hier sprake van een mededeling te weten van op handen zijnde liquidaties.

Dit voornemen tot liquidatie betrof geen voornemen van de politieman [betrokkene 2]. Het was duidelijk ook niet de bedoeling dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] dit opvatten als een voornemen van politieman [betrokkene 2] (of een van zijn collega's).

Daarnaast is na de aanhouding van cliënt, diens broer en [betrokkene 2] nogmaals, ditmaal door politie, het voornemen tot liquidatie aan [betrokkene 1] medegedeeld (verklaring [betrokkene 1] d.d. 26 juni 2007). (...)

Eerst nadat wordt vernomen dat het hier om een nepagent gaat die blijkbaar door een maffia-achtige groepering werd ingezet ontstaat de voor bedreiging onder meer benodigde redelijke vrees voor de agent.

Het opzet van [betrokkene 2] is er echter niet op gericht geweest om ontmaskerd te worden.

Indien [betrokkene 2] niet ontmaskerd zou zijn zouden er bij [betrokkene 1] en [betrokkene 3] geen angstgevoelens zijn ontstaan ten opzichte van [betrokkene 2] (ten aanzien van wie immers de bedoeling was dat hij voor politieagent werd aangezien en ook zodanig werd ingeschat). (...)

De verdediging is van mening dat [betrokkene 2] geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de aanmerkelijke kans dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] op enig moment zouden vaststellen dat hij geen agent was. Indien navraag over CIE zou worden gedaan zou bevestigd worden dat een dergelijke organisatie bestaat. [Betrokkene 2] gaat terug naar Brabant waarbij door politie niet zal worden bevestigd dat men is benaderd door de CIE, noch ontkend worden dat men is benaderd.

Concluderend stelt de verdediging dan ook dat [betrokkene 2] geen opzet had bedreigingen te uiten ook niet voorwaardelijk."

2.2.3. Het Hof heeft het aldus aangevoerde als volgt - met inbegrip van hier niet opgenomen voetnoten - verworpen:

"Het hof stelt de volgende feiten vast:

1) Op of omstreeks 16 maart 2007 werd te Almere aan de [a-straat 1] een hennepkwekerij leeggeroofd. Hierbij was onder anderen [betrokkene 4] betrokken.

2) [Verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 1] (verdachte) waren bij deze hennepkwekerij betrokken.

3) Op 5 april 2007 is [betrokkene 1], de vader van [betrokkene 4], in zijn winkel bezocht door [verdachte 2]. [Verdachte 2] noemde zich [alias verdachte 2] tegenover de vader van [betrokkene 4]. [Verdachte 2] deelde de vader van [betrokkene 4] mede waarvan zijn zoon werd verdacht en [verdachte 2] verzocht die vader om zijn zoon te vragen zijn telefoon aan te zetten.

4) [Verdachte 2] heeft op 6 april 2007 [betrokkene 1] gebeld met de vraag of deze de boodschap aan [betrokkene 4] had doorgegeven. Tevens vroeg [verdachte 2] of [betrokkene 4] woonachtig was op het adres [b-straat 1] te [plaats].

5) Diezelfde dag, 6 april 2007, is [verdachte 2] naar de woning van de ouders van [betrokkene 4] te [plaats] gegaan en heeft daar met [betrokkene 3], de moeder van [betrokkene 4], gesproken. [Verdachte 2] maakte kenbaar op zoek te zijn naar [betrokkene 4] en hij vertelde dat [betrokkene 4] 150.000 euro van zijn organisatie of bedrijf had gestolen. Het ging om een organisatie die miljoenen achter zich had en bepaalde middelen niet schroomde. Even later werd [betrokkene 3] teruggebeld door [verdachte 2] met de mededeling dat [betrokkene 4] snel contact op moest nemen.

6) Op 10 april 2007 heeft [betrokkene 2], zichzelf uitgevend als politieman en in politie-uniform gekleed, in de woning van de familie [van betrokkene 1] een gesprek gehad met de vader en moeder van [betrokkene 4]. In dat gesprek heeft [betrokkene 2] medegedeeld dat er liquidaties op komst waren gericht op [betrokkene 4] en diens vader. Die liquidaties zouden voorkomen kunnen worden als [betrokkene 4] contact zou opnemen met een bepaald telefoonnummer van een CIE-officier, genaamd [betrokkene 5].

ad a: Bedreiging

Zoals volgt uit het hiervoor onder 6) vermelde staat naar het oordeel van het hof vast dat op 10 april 2007 door [betrokkene 2] tegenover [betrokkene 1] en [betrokkene 3] is gesproken over liquidaties. Voor het bewijs hiervan neemt het hof niet alleen de respectieve verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] in aanmerking, maar ook de mutatie die door de politie Noord-Holland-Noord daags na het gesprek met [betrokkene 2] is opgemaakt. In deze mutatie wordt gerelateerd dat er op 11 april 's ochtends is gebeld door een verontruste [betrokkene 1] die vertelde dat er de avond tevoren een man in politieuniform op zijn woonadres was geweest. Deze man had gesproken over op handen zijnde liquidaties.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat [betrokkene 1] zich op 10 april 2007 al tijdens het gesprek met [betrokkene 2] bedreigd heeft gevoeld en heeft kunnen voelen. Het misdrijf was dus al op 10 april 2007 voltooid. Toen [betrokkene 2] [betrokkene 1] de bewezen verklaarde woorden toevoegde, waren de omstandigheden zodanig dat bij [betrokkene 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zijn leven zou verliezen. Naast het feit dat de door [betrokkene 2] gebezigde woorden op zichzelf al dreigend van aard zijn, was er immers sprake van een situatie waarin gelet op de hiervoor onder 3), 4) en 5) vermelde feiten, de druk op [betrokkene 1] en [betrokkene 3] langzaam werd opgevoerd.

Bovendien blijkt uit [betrokkene 1]s verklaring bij de politie dat hij gaandeweg het gesprek met [betrokkene 2] ging betwijfelen of hij wel met een echte politieagent te maken had (p. 166), hetgeen aan het gevoel van bedreiging zal hebben bijgedragen. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat angstgevoelens bij [betrokkene 1] zijn toegenomen door het gesprek met de politie Brabant Noord op 11 april 2007, doet dit aan het bovenstaande niet af.

(...)

De verdediging heeft nog aangevoerd dat bij [betrokkene 2] het opzet heeft ontbroken om bedreigingen te uiten. Hij zou [betrokkene 1] en [betrokkene 3] louter in kennis hebben gesteld van op handen zijnde liquidaties door een Amsterdamse groepering. Ook dit onderdeel van het verweer wordt verworpen. Zoals hiervoor reeds overwogen is het hof van oordeel dat de uitlatingen van [betrokkene 2] zijn gedaan onder zodanige omstandigheden dat bij [betrokkene 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Het hof is voorts van oordeel dat tegen de achtergrond van de hiervoor onder 3), 4) en 5) vermelde feiten het niet anders kan zijn dan dat het opzet van [betrokkene 2] op het teweegbrengen van zulk een indruk gericht was."

2.3. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen (vgl. HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005/448). Voor een dergelijke veroordeling is niet vereist dat is bedreigd met een door de 'bedreiger' zelf te plegen misdrijf (vgl. HR 15 december 2009, LJN BJ7237, NJ 2010/22).

2.4. Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, getuigt het oordeel van het Hof dat sprake is geweest van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het oordeel toereikend gemotiveerd. Daarbij verdient opmerking dat in het onderhavige geval is bewezenverklaard dat de verdachte "tezamen en in vereniging met anderen" heeft gehandeld.

2.5. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vijftien maanden en een week, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 januari 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature