Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Onteigeningsrecht. Bepaling waarde van door de Staat als onteigenaar gedaan aanbod om het onteigende voorzien van een daarop ten gunste van de Staat gevestigd opstalrecht terug te verkopen; aanvang verschuldigde rente over totale schadeloosstelling; cassatie; grenzen geding na verwijzing.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



26 maart 2010

Eerste Kamer

08/02107

EE/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

NIEUW WERKLUST HOLDING B.V., (voorheen Nieuw Werklust Kleiwarenfabriek B.V.),

gevestigd te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Rijnwoude,

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als NWH en de Staat.

1. Het geding in voorgaande instanties

Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 27 oktober 2006, nr. C05/156, LJN AY8277, NJ 2008, 3.

In dat arrest heeft de Hoge Raad na de behandeling van het door NWH ingestelde cassatieberoep het eindvonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 april 2005 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Na memoriewisseling heeft het hof bij arrest van 21 februari 2008 onder meer de schadeloosstelling voor NWH vastgesteld op € 2.285.870,-- en, na vermindering van dit bedrag met een reeds betaald voorschot van € 1.298.688,35, de Staat veroordeeld aan NWH een bedrag te betalen van € 987.181,65, vermeerderd met een rente van 4,5% van 22 mei 2002 tot 21 februari 2008, te vermeerderen met de wettelijke rente over de som daarvan vanaf 21 februari 2008 tot de dag der voldoening. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft NWH beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. R.T. Wiegerink, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt zowel in het principale als het incidentele cassatieberoep tot verwerping.

De advocaat van NWH heeft bij brief van 5 februari 2010 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 De Hoge Raad verwijst voor de vaststaande feiten en het verloop van de procedure tot aan 27 oktober 2006 naar zijn onder 1 vermelde arrest. Kort samengevat gaat het in deze zaak om de onteigening van een onroerende zaak, bestemd voor de aanleg van een ondergrondse tunnel in het tracé van de Hoge Snelheidslijn (hierna: HSL) Zuid. Nadat de tunnel is aangelegd blijft voortzetting van een wijze van (particuliere) exploitatie van de grond mogelijk. De Staat heeft NWH naast schadeloosstelling in geld een aanbod gedaan, inhoudende dat na inschrijving van het onteigeningsvonnis de onteigende de eigendom van de ter onteigening aangewezen grond, belast met een opstalrecht ten gunste van de Staat met het oog op de aanleg van de HSL-tunnel, kan (terug)verwerven tegen vergoeding van de op onteigeningsbasis bepaalde waarde daarvan.

3.2.1 Het geschil tussen partijen betreft allereerst de vraag in hoeverre de Staat een aanbod aan NWH tot vergoeding van de op onteigeningsbasis te bepalen waarde van de grond, belast met een voor de aanleg van de HSL-tunnel gevestigd opstalrecht ten gunste van de Staat, gestand moet doen en zo ja, wat de waarde van dit aanbod bedraagt. Voorts verschillen partijen van mening over de hoogte van de over de volledige schadeloosstelling verschuldigde rente.

3.2.2 De rechtbank 's-Gravenhage had in haar eindvonnis van 6 april 2005, voor zover thans van belang, overwogen dat het aanbod van de Staat tot overdracht aan NWH van het recht van eigendom van het onteigende bezwaard met het recht van opstal redelijk is en behoort door te werken op de totale schadeloosstelling die aan NWH moet worden betaald. Vervolgens had de rechtbank onder meer

(i) de door de Staat aan NWH te betalen schadeloosstelling vastgesteld op € 2.285.870,--;

(ii) de waarde van het onteigende bezwaard met het daarop ten gunste van de Staat rustende recht van opstal bepaald op € 955.632,--;

(iii) de Staat veroordeeld het verschil tussen het eerstgenoemde en het laatstgenoemde bedrag aan NWH te betalen, verminderd met een reeds door de Staat betaald voorschot en vermeerderd met een rente van 4,5% van 22 mei 2002 tot 6 april 2005 en de wettelijke rente over de som daarvan vanaf 6 april 2005 tot de dag der voldoening, en

(iv) de Staat veroordeeld zijn aanbod tot overdracht aan NWH van het recht van eigendom van het onteigende bezwaard met het recht van opstal gedurende een periode van twee maanden na het onherroepelijk worden van het eindvonnis van de rechtbank gestand te doen.

3.2.3 Dit eindvonnis van de rechtbank is bij het hiervoor in 1 genoemde arrest van de Hoge Raad vernietigd, omdat onderdeel I van het daartegen door NWH aangevoerde middel doel trof. Dit onderdeel klaagde erover dat het aan NWH als onteigende vrijstaat om zelfstandig te beslissen of hij daadwerkelijk gebruik wil maken van het aanbod van de Staat als onteigenaar het onteigende terug te leveren onder voorbehoud van een recht van opstal, zodat de rechtbank niet (a) namens de onteigende dit aanbod mocht accepteren, (b) op de definitieve schadeloosstelling de terugkoopprijs van de grond in mindering mocht brengen en (c) met de aanvaarding van het onder (a) bedoelde aanbod gepaard gaande kosten voor de onteigende op voorhand mocht verrekenen met de vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende. De Hoge Raad oordeelde dat deze beslissing van de rechtbank een schending vormt van de regel van onteigeningsrecht die erop neerkomt dat de onteigende recht erop heeft dat de werkelijke waarde van het onteigende als hoofdelement van de schadeloosstelling hem onverkort in geld wordt vergoed, zodat hij zelf de vrijheid heeft te beslissen waartoe hij die schadeloosstelling zal aanwenden.

De Hoge Raad oordeelde voorts dat de in onderdeel IV van het middel vervatte motiveringsklacht faalde en dat de overige onderdelen, die klachten bevatten over de wijze waarop de rechtbank het bedrag had berekend dat bij terugkoop op de te ontvangen schadeloosstelling in mindering dient te worden gebracht, door het slagen van onderdeel I geen behandeling meer behoefden. Van die overige onderdelen betoogde onderdeel III dat de rechtbank bij de bepaling van de waarde van het onteigende bezwaard met het daarop ten gunste van de Staat rustende recht van opstal ten onrechte geen rekening heeft gehouden met twee door NWH aangevoerde en onderbouwde schadeposten, namelijk hogere bouwkosten wegens de aanwezigheid van de tunnel en extra kosten van oeverkering.

De hiervoor in 3.2.2 onder (iv) vermelde veroordeling van de Staat om - gedurende een periode van twee maanden na het onherroepelijk worden van het eindvonnis van de rechtbank - zijn aanbod tot overdracht aan NWH van het recht van eigendom van het onteigende bezwaard met het recht van opstal gestand te doen werd in cassatie niet bestreden.

3.2.4 Na verwijzing heeft het hof in zijn arrest van 21 februari 2008 onder meer geoordeeld dat, nu in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2006 moet worden aangenomen dat NWH recht heeft op volledige schadeloosstelling en niet kan worden gedwongen tot terugkoop van het onteigende met een daarop gevestigd recht van opstal, noch de Staat noch NWH belang erbij heeft dat de waarde van het onteigende bij terugkoop door de onteigeningsrechter wordt vastgesteld, zodat hiervan dient te worden afgezien. Onder deze omstandigheden is geen plaats voor een veroordeling van de Staat om het aanbod gestand te doen. (rov. 3.4)

Voorts heeft het hof verworpen het door de Staat in zijn memorie na verwijzing ingenomen standpunt dat hij na 12 januari 2007 aan NWH geen rente meer behoeft te vergoeden over de verschuldigde schadeloosstelling, omdat NWH geen rekeningnummer heeft willen opgeven waarop de Staat de schadeloosstelling kon overmaken. Het hof heeft daartoe overwogen dat, zolang niet bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak is bepaald welk bedrag de Staat als schadeloosstelling aan NWH moet betalen, voor de Staat geen verplichting bestond om, buiten het door de rechtbank vastgestelde voorschot, enig bedrag aan NWH te betalen en aan NWH niet kan worden tegengeworpen dat zij niet bereid is geweest de door de Staat aangeboden betaling in ontvangst te nemen. Een andere beslissing zou ertoe leiden dat de onteigenende partij de mogelijkheid zou hebben om, buiten de onteigeningsrechter om, door het doen van boven het voorschot uitgaande betalingen het renterisico dat zij loopt over het eventueel nog door haar te betalen bedrag op de onteigende af te wentelen. Hiervoor is, mede gezien de omstandigheid dat op grond van art. 54o Onteigeningswet slechts de onteigende zelf en eventuele derde belanghebbenden aan wie de rechtbank een voorschot heeft toegekend het recht hebben om de rechtbank om verhoging van het voorschot te verzoeken, in het onteigeningsgeding geen plaats, aldus het hof. (rov. 4.2)

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Het middel in het principale beroep voert aan, kort samengevat, dat het hof ten onrechte (i) heeft geoordeeld dat er geen plaats is voor een veroordeling van de Staat om zijn aanbod gestand te doen, (ii) heeft nagelaten de waarde van het aanbod vast te stellen en (iii) heeft overwogen dat NWH geen belang heeft bij de in het vorige cassatieberoep onbesproken gebleven klacht van onderdeel III, dat de rechtbank bij de bepaling van de waarde van het onteigende bezwaard met het daarop ten gunste van de Staat rustende recht van opstal ten onrechte geen rekening heeft gehouden met twee door NWH aangevoerde en onderbouwde schadeposten, namelijk hogere bouwkosten wegens de aanwezigheid van de tunnel en extra kosten van oeverkering. Het hof heeft hiermee miskend dat, zoals onder meer blijkt uit de door de Staat ingediende memorie na verwijzing, het processuele debat van partijen voor en na verwijzing mede erop was gericht de waarde van het aanbod van de Staat te doen vaststellen, aldus het middel.

4.2 In het geding na verwijzing door de Hoge Raad dient naar vaste rechtspraak de verdere behandeling en beslissing te geschieden binnen de door het verwijzingsarrest getrokken grenzen, hetgeen meebrengt dat de rechter naar wie de zaak is verwezen, is gebonden aan eerder in de zaak gegeven eindbeslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden en derhalve onaantastbaar zijn geworden. De hiervoor in 3.2.2 onder (iv) bedoelde en onbestreden gebleven veroordeling van de Staat om - gedurende een periode van twee maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis van de rechtbank - zijn aanbod tot overdracht aan NWH van het recht van eigendom van het onteigende bezwaard met het recht van opstal gestand te doen, had derhalve door de verwijzingsrechter bij zijn beslissing tot uitgangspunt moeten worden genomen.

Daarom diende na verwijzing niet alleen de schadeloosstelling te worden vastgesteld maar diende het hof ook de waarde van het aanbod van de Staat te bepalen, in welk verband het tevens diende te beslissen over de door NWH aangevoerde hogere bouwkosten wegens de aanwezigheid van de tunnel en extra kosten van oeverkering. Dat partijen deze waardebepaling ook van het hof verwachtten blijkt uit hun debat na verwijzing (memorie van de Staat onder 14 en memorie van NWH onder 8). Het hof heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat partijen geen belang hadden bij die waardebepaling en om die reden daarvan afgezien.

Het middel is derhalve terecht voorgesteld. Na verwijzing zal alsnog, zonodig met behulp van deskundigen, moeten worden vastgesteld wat de waarde is van het aanbod, dat de Staat twee maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het eindvonnis van de rechtbank gestand zal moeten doen.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1 Het middel in het incidentele beroep komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de verwerping door het hof in rov. 4.2 van de stelling van de Staat dat hij na 12 januari 2007 aan NWH geen rente meer behoeft te vergoeden over de verschuldigde schadeloosstelling, omdat NWH, nadat de Staat had aangeboden de volledige schadeloosstelling te voldoen, geen rekeningnummer heeft willen opgeven waarop de Staat het desbetreffende bedrag kon overmaken.

5.2 Het hof, dat na verwijzing alsnog de omvang van de schadeloosstelling moest bepalen, heeft geoordeeld dat, zolang niet bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak is bepaald welk bedrag de Staat als schadeloosstelling aan NWH moet betalen, aan NWH niet kan worden tegengeworpen dat zij niet bereid is geweest de door de Staat aangeboden betaling in ontvangst te nemen.

De onteigeningsrechter dient naar vaste rechtspraak bij een en hetzelfde vonnis uitspraak te doen over de totale aan de onteigende partij toekomende schadeloosstelling. Van de schadeloosstelling maakt deel uit de vergoeding van het nadeel dat de onteigende lijdt doordat hij tot aan de vaststelling bij die uitspraak van de schadeloosstelling het genot mist van het bedrag waarmee de schadeloosstelling het hem verstrekte voorschot te boven gaat (zie o.m. HR 11 februari 1976, NJO 1976, 12). Vanaf de uitspraak waarbij de totale schadeloosstelling is vastgesteld, is over het aldus toegewezen bedrag wettelijke rente verschuldigd.

Met dit systeem van het onteigeningsrecht strookt niet dat, zoals het middel bepleit, NWH verplicht zou zijn vóór de definitieve vaststelling van de schadeloosstelling door de onteigeningsrechter het door de Staat in aanvulling op het voorschot aangeboden bedrag van de schadeloosstelling in ontvangst te nemen op straffe van verlies van haar aanspraak op vergoeding van de rente en aldus het door het hof bedoelde renterisico te gaan dragen. Het oordeel van het hof geeft dus niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 februari 2008;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van NWH begroot op € 455,98 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van NWH begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 maart 2010.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature