Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Wijziging kinderalimentatie; beoordeling van de draagkracht van de man, die voortdurend een zeer omvangrijke schuldenlast heeft gehad.

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 8 mei 2012 in de zaak met zaaknummer 200.097.247/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A. Alam-Khan te Hoofddorp,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M. Hüsen te Rotterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 15 november 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 augustus 2011 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 178966/11-649.

1.3. De vrouw heeft op 2 december 2011 het proces-verbaal van de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 juli 2011 ingediend.

1.4. De man heeft op 2 januari 2012 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5. De vrouw heeft op 23 februari 2012 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.6. De man heeft op 12 maart 2012 een beschikking van 6 maart 2012 van de rechtbank 's-Gravenhage overgelegd.

1.7. Het hof heeft op 13 maart 2012 van ieder der partijen een faxbericht ontvangen.

1.8. De voor 14 maart 2012 geplande mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting heeft op verzoek van beide partijen niet plaatsgevonden.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1999 gehuwd. Hun huwelijk is op 13 juli 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 28 juni 2005 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn [in] 2001 geboren [kind A] en [in] 2004 [kind B] (hierna gezamenlijk: de kinderen).

2.2. Bij de echtscheidingsbeschikking is, overeenkomstig hetgeen partijen op 17 mei 2005 bij echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 300,- per kind per maand. Bij beschikking van 10 april 2007 van de rechtbank Haarlem is de bijdrage met ingang van 10 april 2007 bepaald op € 270,- per kind per maand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1968. Zij vormt met de kinderen een eenoudergezin.

Zij is werkzaam in loondienst bij [bedrijf a]. Haar salaris bedroeg volgens de salarisspecificaties over de maanden januari tot en met mei 2011 € 864,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Blijkens de jaaropgave over 2010 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 11.054,-. Zij heeft deelgenomen aan een spaarloonregeling ter zake waarvan € 40,- per maand werd ingehouden op haar bruto loon.

2.4. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1972. Hij leeft samen met zijn partner, […]. Uit die samenleving is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2006. De partner van de man heeft een thans minderjarige dochter uit een eerdere relatie.

Hij is werkzaam in loondienst bij [bedrijf b]. Blijkens de jaaropgave over 2010 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 33.483,-.

Hij ontvangt vanaf 18 oktober 2010 een WIA-uitkering. Deze bedroeg volgens de uitkeringsspecificatie over december 2010 € 2.484,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, en volgens de uitkeringsspecificaties over de maanden januari tot en met april 2011 € 2.407,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Blijkens de jaaropgave over 2010 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 6.702,-.

Aan huur betaalt hij € 570,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 99,- per maand.

Bij beschikking van 6 maart 2012 van de rechtbank 's-Gravenhage is ten aanzien van hem de toepassing van de schuldsaneringsregeling ingevolge de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (hierna: WSNP) uitgesproken.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 10 april 2007, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 22 februari 2011 op nihil gesteld en is bepaald dat de vrouw niet gehouden is tot terugbetaling van hetgeen zij teveel heeft ontvangen.

Deze beschikking is gegeven op het inleidend verzoek van de man de bijdrage primair op nihil te stellen met ingang van 1 maart 2009, althans met ingang van 22 februari 2011, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist zou achten, subsidiair deze te bepalen op ten hoogste € 136,- per kind per maand, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank juist zou achten.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de bijdrage te bepalen op € 136,- per kind per maand met ingang van 22 februari 2011 dan wel met ingang van de datum toetreding tot de WSNP.

3.3. De man verzoekt het verzoek in principaal appel van de vrouw af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt hij, met vernietiging van de bestreden beschikking, de bijdrage op nihil te stellen, primair met ingang van 1 maart 2009, subsidiair met ingang van 1 oktober 2010.

3.4. De vrouw verzocht in hoger beroep aanvankelijk primair het verzoek in incidenteel appel van de man af te wijzen, subsidiair de door de man verzochte nihilstelling slechts uit te spreken voor de duur van de WSNP. Bij haar hierboven onder 1.7 vermelde faxbericht van 13 maart 2012 heeft zij haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij thans verzoekt de bijdrage op nihil te stellen voor de duur van de WSNP, en heeft zij zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het hof.

4. Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel appel

4.1. Ter discussie staat of en zo ja vanaf welke datum gronden aanwezig zijn de bij beschikking van 10 april 2007 bepaalde door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te verlagen en welke bijdrage de man sindsdien geacht kan worden te kunnen betalen. De behoefte van de kinderen aan de bij beschikking van 10 april 2007 bepaalde bijdrage van de man in deze kosten wordt niet betwist en staat derhalve vast.

4.2. De man stelt dat hij vanaf 1 maart 2009 geen draagkracht heeft voor het betalen van een bijdrage in voormelde zin, vanwege de hulpverlening die hij daarna in verband met zijn schulden heeft ontvangen van OpMaat van de gemeente Den Haag. De vrouw heeft niet zozeer bestreden dat de man deze schulden heeft, als wel betoogd dat deze geen voorrang behoren te hebben op zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen, zodat met de schulden geen rekening behoort te worden gehouden.

4.3. Gelet op hetgeen de man omtrent zijn schulden heeft betoogd en hetgeen hierover uit de stukken in het dossier is gebleken, acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de man vanaf 1 maart 2009 voortdurend een zeer omvangrijke schuldenlast heeft gehad. Het hof ziet hierin voldoende aanleiding de door hem te betalen bijdrage ten behoeve van de kinderen met ingang van die datum opnieuw te beoordelen. Het hof overweegt als volgt. De schuldenlast van de man bedroeg ten minste € 100.000,- en is nadien nog toegenomen. De omvang van de schulden van de man op dat tijdstip, is zodanig dat in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd, mede gelet op zijn inkomen en zijn overige lasten, dat hij sindsdien enige onderhoudsbijdrage voldoet. Hieraan doet niet af dat deze schulden niet stammen uit het huwelijk van partijen. De man is toegelaten tot de WSNP en in het licht daarvan is aannemelijk geworden dat de schulden van de man niet lichtvaardig zijn aangegaan. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat de vrouw ten aanzien van het tijdvak vanaf 6 maart 2012 heeft verzocht om, gelijk door de man is verzocht, de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor de duur van de WSNP op nihil te stellen.

4.4. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 maart 2009 op nihil wordt gesteld totdat aan het verloop van de WSNP een einde is gekomen. Wel zal het hof bepalen, net zoals door de rechtbank is gedaan, dat de bedragen die reeds door de man zijn betaald dan wel op hem zijn verhaald in verband met zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen, niet door de vrouw behoeven te worden terugbetaald. Deze bedragen zullen vanwege het consumptieve karakter van de onderhoudsbijdrage immers reeds zijn verbruikt. De vrouw heeft een laag inkomen en zij heeft onbetwist gesteld dat zij een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen nodig heeft om rond te kunnen komen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de onderhoudsbijdrage zoals die is bepaald bij beschikking van 10 april 2007 bij het eindigen van de WSNP zal herleven. Dat acht het hof op dit moment het meest in het belang van de kinderen, gegeven het feit dat de financiële situatie van de man na het eindigen van de WSNP een toekomstige onzekere omstandigheid is. Het is te zijner tijd aan de man om zo nodig indien het niet mogelijk blijkt in overleg met de vrouw een voor hen beiden acceptabele bijdrage vast te stellen, opnieuw een wijzigingsverzoek te doen.

4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

stelt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 10 april 2007 van de rechtbank Haarlem, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op nihil met ingang van 1 maart 2009 voor zolang de WSNP op hem van toepassing is, met dien verstande dat, voorzover de man over de periode vanaf 1 maart 2009 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, M.M.A. Gerritzen-Gunst en A.V.T. de Bie in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2012.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature