< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

IOAW-uitkering. Ingangsdatum. Strijd met vertrouwensbeginsel.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1376 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde: mr. J.A.H. Blom,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mr. B.A. Veenendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) ingewilligd met ingang van 1 juni 2011.

Bij besluit van 9 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard, de IOAW-uitkering toegekend met ingang van 27 april 2011 en het primaire besluit in zoverre herzien.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2012.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser heef een uitkering genoten op grond van de Werkloosheidswet (WW). Deze uitkering is per 1 juni 2010 beëindigd omdat op 31 mei 2010 de maximale duur waarvoor die uitkering kan worden verstrekt, is bereikt.

1.2. Eiser heeft op 4 oktober 2011 de onderhavige aanvraag om een IOAW- uitkering ingediend.

2. Wettelijk kader

2.1. Op grond van artikel 16a, eerste lid, van de IOAW wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, de uitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om uitkering aan te vragen.

Het tweede lid van genoemd artikel bepaalt dat de belanghebbende zich heeft gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

2.2. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer de uitspraak van 29 januari 2008 (LJN: BC3929), brengt artikel 16a, eerste lid, van de IOAW mee dat in beginsel geen uitkering wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het primaire besluit heeft besloten bijstand (de IOAW) toe te kennen aansluitend op de einddatum van eisers WW-uitkering. Nu die einddatum aldus het primaire besluit 1 juni 2011 is, is in dat besluit met ingang van die datum bijstand toegekend. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder, nu de einddatum van zijn WW-uitkering 1 juni 2010 is en het primaire besluit zo gelezen moet worden dat met ingang van die datum bijstand is verleend, in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door in het bestreden besluit bijstand toe te kennen met ingang van 27 april 2011. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

3.2. In het verslag betreffende het administratief onderzoek van 11 november 2011 (hierna: het verslag), dat is opgesteld door de behandelaar van de aanvraag genaamd [A] (hierna: [A]) ten behoeve van eisers aanvraag om een IOAW-uitkering, staat vermeld dat eiser verzoekt om toekenning van een IOAW-uitkering met terugwerkende kracht, dit vanaf 1 juni 2011, de einddatum van de WW-uitkering. In het verslag staat vermeld dat eiser enkele keren, te weten bij zijn verlenging van zijn inschrijving als werkzoekende, navraag heeft gedaan naar of hij in aanmerking kwam voor bijstand. Voorts staat vermeld dat hij telkens bij de balie werd geïnformeerd dat hij gelet op zijn vermogen geen recht op bijstand had, dat hij geen afspraak kreeg om een aanvraag in te dienen en dat hij over de IOAW niet werd geïnformeerd, zelfs niet toen eiser expliciet vroeg of er andere mogelijkheden waren voor bijstand in zijn situatie. Van deze bezoeken aan de balie werd geen aantekening gemaakt in Focus, het klantvolgsysteem. Pas tijdens het gesprek in september 2011 werd eiser door een baliemedewerker gewezen op zijn IOAW rechten, aldus het verslag. In het verslag staat voorts vermeld dat de burger geacht wordt de wet te kennen en wordt door [A] de vraag opgeworpen wat te doen als de overheid, in de persoon van een ambtenaar aan de balie, eiser verkeerd dan wel onvolledig informeert. In het verslag staat tevens vermeld dat eiser niet kan worden aangerekend dat hij er pas later achterkwam dat hij recht heeft op de IOAW-uitkering en dat het feit dat hij verkeerd door de baliemedewerkers is geïnformeerd voor de heer [A] zwaarder weegt dan het principe dat de burger de wet dient te kennen. Aldus [A] kan de onvolledige dan wel verkeerde voorlichting van eiser aan de balie worden gezien als een overmachtsituatie waardoor de aanvraag niet eerder tot stand is gekomen. Al met al heeft verweerder voor een overmachtsituatie gezorgd waardoor eiser niet eerder de aanvraag heeft kunnen indienen, zo volgt uit het verslag.

In het verslag staat vervolgens vermeld: “INGANGSDATUM BIJSTAND derhalve op 1-6-11 stellen , aansluitend op de einddatum WW uitkering , zie ook SUWInet”.

3.3. In het primaire besluit, tevens genomen door [A], heeft verweerder overeenkomstig het voorgaande en in afwijking van de algemene regel dat de bijstand per aanvraagdatum ingaat, besloten bijstand toe te kennen aansluitend op de einddatum van eisers WW-uitkering. Hierbij is overwogen dat eiser verkeerd dan wel onvolledig is voorgelicht door verweerders baliemedewerkers, waardoor hij pas op 4 oktober 2011 zijn WWB-uitkering heeft kunnen indienen. Bij het primaire besluit is bijstand toegekend met ingang van 1 juni 2011. Bij het bestreden besluit is als ingangsdatum 27 april 2011 gekozen.

3.4. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder met het primaire besluit heeft beoogd bijstand toe te kennen aansluitend op de einddatum van eisers WW-uitkering. Deze einddatum was echter niet 1 juni 2011, maar 1 juni 2010. Dit blijkt uit de uitdraai van Suwinet van 20 januari 2012, waar [A] blijkens zijn administratief onderzoek bij heeft beoogd aan te sluiten. De rechtbank gaat er, gelet op de achterliggende motivering van [A], zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.2., dan ook vanuit dat de in het primaire besluit gekozen ingangsdatum van 1 juni 2011 berust op een kennelijke verschrijving. Zowel uit dat besluit als het daaraan ten grondslag liggende verslag van het administratief onderzoek blijkt immers duidelijk dat is beoogd bijstand toe te kennen aansluitend op de einddatum van de WW-uitkering en dus met ingang van 1 juni 2010.

3.5. In het primaire besluit is door verweerder, het tot het beslissen op aanvragen als de onderhavige bevoegde orgaan, de concrete, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging gedaan dat eiser aansluitend op de einddatum van zijn WW-uitkering in aanmerking komt voor bijstand. Aan deze toezegging kon eiser naar het oordeel van de rechtbank de rechtens te honoreren verwachting ontlenen dat die bijstand ook daadwerkelijk verleend zou worden aansluitend op de einddatum van zijn WW-uitkering. De rechtbank acht deze toezegging niet van dusdanige aard dat eiser deze voor onjuist had moeten houden en dus niet mocht vertrouwen op de juistheid daarvan. Uit het voorgaande blijkt veeleer dat (enkel) de in het primaire besluit genoemde datum van 1 juni 2011 onjuist is.

3.6. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder betoogd dat het verweerder gelet op het vertrouwensbeginsel niet vrijstaat terug te komen op de overweging in het primaire besluit dat eiser door de baliemedewerkers verkeerd is geïnformeerd. Het voorgaande geldt echter volgens de gemachtigde van verweerder niet voor de overweging dat bijstand moet worden toegekend aansluitend op de einddatum van eisers WW-uitkering. De rechtbank ziet geen grond voor dit gemaakte onderscheid en verwerpt dit standpunt van verweerder dan ook.

3.7. Gelet op de hierboven beschreven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het verweerder niet vrij stond met het bestreden besluit de bijstand te laten ingaan op een later moment dan 1 juni 2010. De rechtbank deelt dan ook het standpunt van eiser dat verweerder, door in het bestreden besluit bijstand toe te kennen met ingang van 27 april 2011, in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt.

3.8. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het vertrouwensbeginsel. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen ziet de rechtbank aanleiding het primaire besluit tot toekenning van bijstand met ingang van 1 juni 2011 op de voet van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te herroepen en te bepalen dat aan eiser bijstand wordt verleend met ingang van 1 juni 2010.

3.9. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437, wegingsfactor 1). Omdat eiser heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, moet verweerder dit bedrag aan de griffier van de rechtbank betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat aan eiser bijstand wordt verleend met ingang van 1 juni 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 42,- (tweeënveertig euro) aan eiser dient te betalen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser van deze procedure tot een bedrag van € 874,- (achthonderd vierenzeventig euro), te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Oldekamp-Bakker, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2012 augustus 2012.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature