< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Vordering strekkende tot beëindigen tenuitvoerlegging gevangenisstraf en toepassing van omzettingsprocedure in plaats van procedure van voortgezette tenuitvoerlegging afgewezen. Het verzoek tot overbrenging naar Nederland is door de Spaanse autoriteiten ingediend na de ingangsdatum van de door de Minister aangekondigde beleidswijziging. Daarmee is op eiser het nieuwe beleid en daarmee de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging van toepassing. Dat dit beleid niet kenbaar was is niet gebleken, dat sprake is van strafverzwaring evenmin.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 426738 / KG ZA 12-965

Vonnis in kort geding van 9 oktober 2012

in de zaak van

[eiser],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [X.] te [Y.],

eiser,

advocaat mr. S.C. van Paridon te Rotterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. Het procesverloop

[Eiser] heeft de Staat op 10 september 2012 doen dagvaarden om op 28 september 2012 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld, gelijktijdig met de zaak van [A.] (hierna '[A.]'), thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [X.] te [Y.], tegen de Staat, bij deze rechtbank bekend onder nummer '426465 / KG ZA 12-948', zulks op verzoek van de advocaat van zowel [eiser] als [A.], met instemming van de Staat.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 28 september 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Bij vonnis van 10 mei 2011 is [eiser] door de Spaanse rechter veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar ter zake van poging tot uitvoer en het aanwezig hebben van cocaïne.

2.2. De Nederlandse Minister van Veiligheid en Justitie (hierna 'de Minister') heeft in een brief van 27 juni 2011 aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 32 500 VI, nr. 113) - voor zover hier van belang - het volgende meegedeeld:

"(....)

Per 1 oktober 2011 verandert het Nederlandse uitvoeringsbeleid met betrekking tot de overbrenging van gedetineerden naar Nederland in het kader van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS).

De WOTS geeft uitvoering aan onder andere het in het kader van de Raad van Europa gesloten verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 1983 (VOGP).

Procedures: omzetting en voortzetting

De WOTS en het VOGP kennen twee procedures: de omzettingsprocedure en de procedure voortgezette tenuitvoerlegging.

Bij de omzettingsprocedure zet een Nederlandse rechtbank de buitenlandse straf om naar Nederlandse maatstaven, wat er in voorkomende gevallen- vooral bij drugsdelicten - toe kan leiden dat de buitenlandse straf wordt verlaagd. De omzettingsprocedure is bij de totstandkoming van de WOTS aangemerkt als de procedure die de voorkeur van Nederland geniet.

Bij de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging wordt de buitenlandse straf in zijn geheel door Nederland overgenomen, zij het dat het Nederlandse wettelijke strafmaximum niet mag worden overschreden. Indien dit het geval is kan de straf slechts worden overgenomen als het land van veroordeling instemt met een aanpassing van de straf naar het Nederlandse strafmaximum. (...)

Veruit de meeste Nederlanders die in het buitenland zijn veroordeeld, zijn gedetineerd in een van de EU-landen. De meerderheid van deze landen is alleen bereid om veroordeelden naar Nederland over te brengen als Nederland de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging toepast. De achtergrond hiervan is de strafverlaging die veelal het gevolg is van toepassing van de omzettingsprocedure. Van de landen waar meerdere Nederlanders gedetineerd zijn, stemmen alleen België, Denemarken, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk in met de omzettingsprocedure. (...)

Binnen de EU verandert na 2012 de overbrenging van gevonniste personen geleidelijk door de implementatie van het kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2008. Dit kaderbesluit voorziet nog slechts in de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging. Het kaderbesluit geeft daarmee verder invulling aan het beginsel van wederzijdse erkenning dat leidend is voor strafrechtelijke samenwerking in de Europese Unie.

(...)

Tegen de achtergrond van het voorgaande heb ik ervoor gekozen de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging binnen de Europese Unie tot hoofdprocedure te maken. Weliswaar is bij de totstandkoming van de WOTS in de eerste plaats uitgegaan van de omzettingsprocedure, maar ik stel vast dat een meerderheid van de EU-lidstaten een voorkeur heeft voor toepassing van de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging.

Daarnaast is het belang van het beginsel van wederzijdse erkenning voor de strafrechtelijke samenwerking in de Europese Unie steeds meer op de voorgrond komen te staan.(...)

Deze wijziging van de toepassing van het Nederlandse WOTS-uitvoeringsbeleid zal op 1 oktober 2011 ingaan binnen de EU. (...)".

2.3. Op 5 oktober 2011 hebben de Spaanse autoriteiten - naar aanleiding van een verzoek van [eiser] van 25 mei 2011 - bij de Minister een verzoek ingediend om [eiser] de aan hem opgelegde gevangenisstraf in Nederland te laten ondergaan. De Spaanse autoriteiten hebben bij hun verzoek een overzicht overgelegd met daarop de data waarop [eiser] in Spanje (voorwaardelijk) in vrijheid zou worden gesteld.

2.4. Bij de overgelegde stukken bevindt zich een (vertaling van een) brief van de Spaanse autoriteiten, gedateerd op 8 juni 2011 en bestemd voor [eiser]. In deze brief wordt bevestigd dat het verzoek tot overbrenging van [eiser] in behandeling is.

2.5. Het gerechtshof te Arnhem heeft de Minister op 5 december 2011 overeenkomstig artikel 43 lid 3 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) advies uitgebracht en geadviseerd de aanwijzing te geven dat de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf verder in Nederland ten uitvoer zal worden gelegd. In deze beslissing is onder meer het volgende opgenomen:

"(...)

Het is tegen deze achtergrond dat de Minister er voor heeft gekozen om per 1 oktober 2011 de hoofdprocedure te wijzigen. Nu een reactie in andere zin van de Tweede Kamer is uitgebleven, dient er van te worden uitgegaan dat de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging van toepassing is.

6.- Voor overbrenging is vereist dat deze in het belang van de reclassering van de veroordeelde is dan wel dat er (anderszins) sprake is van voldoende binding van veroordeelde met Nederland.(...)

7.- Uit de stukken blijkt in voldoende mate dat overbrenging van veroordeelde naar Nederland in het belang van zijn reclassering is.(...)Op het verzoek kan derhalve positief worden geadviseerd.

(...)".

2.6. Bij brief van 8 december 2011 heeft de Minister - voor zover hier van belang - het volgende aan de Spaanse autoriteiten meegedeeld:

"(...)

Herewith I inform you that I consent to the transfer of Mr [eiser], with application of article 9, paragraph 1, sub a of the Convention, the procedure of continued enforcement.(...)".

In deze brief is tevens een verzoek aan de Spaanse autoriteiten opgenomen om aan [eiser] een bij het verzoek bijgesloten document uit te reiken waarin de consequenties van zijn overbrenging naar Nederland worden vermeld. Bij de stukken bevindt zich een op 20 december 2011 gedateerde brief van de Spaanse autoriteiten, met als bijlage een stuk waarin de consequenties van de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging worden beschreven.

2.7. Op 7 februari 2012 hebben de Spaanse autoriteiten definitief ingestemd met de overbrenging van [eiser] naar Nederland.

2.8. Op 5 juni 2012 is [eiser] naar Nederland overgebracht en ingesloten. Bij brief van 31 juli 2012 is aan de Spaanse autoriteiten meegedeeld dat de in Spanje opgelegde gevangenisstraf via de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging door [eiser] zal worden ondergaan.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - zakelijk weergegeven - de Staat te bevelen de huidige executie van de gevangenisstraf van [eiser] te beëindigen en aansluitend de voorlopige aanhouding op grond van de WOTS te doen plaatsvinden om de omzettingsprocedure te doen aanvangen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2. Daartoe stelt [eiser] het volgende. De WOTS en het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 1983 (VOGP), waaraan de WOTS uitvoering geeft, kennen in het kader van overbrenging van in het buitenland berechte personen twee procedures, te weten de omzettingsprocedure en de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging. Op [eiser] is ten onrechte de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging toegepast. De Staat acht het toepassen van die procedure gerechtvaardigd gelet op de in de brief van 27 juni 2011 van de Minister aangekondigde beleidswijziging met ingang van 1 oktober 2011. [eiser] heeft echter voor die datum een verzoek tot tenuitvoerlegging van zijn straf in Nederland ingediend. Volgens de Staat is het verzoek pas na 1 oktober 2011 in Nederland ontvangen, maar dit kan niet aan [eiser] worden tegengeworpen, aangezien hij geen invloed heeft op de verhouding tussen Spanje en Nederland. [eiser] is weliswaar door de Spaanse autoriteiten geïnformeerd over de gevolgen van zijn overbrenging naar Nederland, maar pas op het moment dat hij in Nederland aankwam. Hij heeft er daarom gerechtvaardigd op vertrouwd dat zijn straf zou worden omgezet naar Nederlandse maatstaven. De gevangenisstraf die [eiser] thans ondergaat is langer dan wanneer de omzettingsprocedure zou zijn toegepast, hetgeen ook gevolgen heeft voor zijn voorwaardelijke invrijheidstelling en detentiefasering en daarmee voor zijn reïntegratie, terwijl hij tijdens zijn detentie in Spanje meer vrijheden zou hebben gehad. Een en ander is onrechtmatig jegens [eiser].

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.2. Bij brief van 27 juni 2011 aan de Tweede Kamer heeft de Minister een beleidswijziging kenbaar gemaakt, inhoudende dat de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging per 1 oktober 2011 binnen de Europese Unie de hoofdprocedure wordt. Als uitgangspunt geldt dat de Minister op grond van de WOTS bevoegd is te beslissen over de vraag of de tenuitvoerlegging van een in een andere EU-lidstaat uitgesproken strafvonnis door Nederland moet worden overgenomen. Een overdracht of overname in het kader van het VOGP vindt plaats met instemming van de veroordeelde en op basis van de vrijwillige medewerking van de betrokken lidstaten. Noch aan de WOTS, noch aan het VOGP kan echter een recht op overbrenging worden ontleend en al evenmin een recht op overbrenging op grond van de omzettingsprocedure. Binnen het stelsel van het VOGP en de WOTS heeft de Minister voorts een ruime beleidsvrijheid bij de keuze tussen de omzettingsprocedure en de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging. Gelet op het voorgaande dient de burgerlijke rechter zich zeer terughoudend op te stellen in zijn toetsing van (de rechtmatigheid van) beslissingen van de Minister. Dit geldt te meer voor de voorzieningenrechter in kort geding.

4.3. In het onderhavige geval is voor ingrijpen van de voorzieningenrechter dan ook slechts plaats indien de beslissing van de Minister om met betrekking tot [eiser] de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging toe te passen onmiskenbaar onrechtmatig is.

4.4. Volgens [eiser] heeft hij zijn verzoek tot overbrenging naar Nederland ingediend vóór de door de Minister bij brief van 27 juni 2011 aangekondigde beleidswijziging met ingang van 1 oktober 2011, zodat op zijn situatie niet zonder meer de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging van toepassing is. Echter, op grond van het VOGP is het de staat van veroordeling of van tenuitvoerlegging - in dit geval steeds Spanje - die een verzoek tot overbrenging indient wanneer een veroordeelde de wens kenbaar heeft gemaakt te worden overgebracht naar een andere staat. Weliswaar dateert het verzoek van [eiser] aan de Spaanse autoriteiten van 25 mei 2011, maar het verzoek is door de Spaanse autoriteiten pas op 5 oktober 2011 bij de Minister ingediend, derhalve na 1 oktober 2011. De Staat heeft onbetwist betoogd dat de Spaanse autoriteiten er zich van dienden te vergewissen dat [eiser] vrijwillig met overbrenging instemt en zich bewust is van de rechtsgevolgen en dat de daarvoor te volgen procedure wordt beheerst door de Spaanse wetgeving en zich voltrekt buiten de Nederlandse rechtssfeer. Nu derhalve genoegzaam gebleken is dat het verzoek is ingediend na de door de Minister aangekondigde ingangsdatum, is op de situatie van [eiser] naar voorlopig oordeel het nieuwe beleid en daarmee de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging van toepassing. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat dit ook is aangenomen door het gerechtshof te Arnhem in het onder 2.4. bedoelde advies. De door [eiser] overgelegde brief van 8 juni 2011, waarin de Spaanse autoriteiten bevestigen dat het verzoek van [eiser] om te worden overgebracht naar Nederland in behandeling is, leidt niet tot een ander oordeel.

4.5. Anders dan [eiser] heeft betoogd is naar voorlopig oordeel niet gebleken dat het gewijzigde beleid voor hem niet kenbaar was. Op de Spaanse autoriteiten rustte op grond van artikel 7 VOGP de verplichting om [eiser] te wijzen op de consequenties van zijn overbrenging naar Nederland. [eiser] heeft gesteld dat hij pas bij zijn aankomst in Nederland een document heeft ontvangen, waaruit deze consequenties blijken. Hoewel onder de gegeven omstandigheden niet duidelijk is of de Spaanse autoriteiten [eiser] op enigerlei wijze op dit punt hebben ingelicht, is dit hoe dan ook geen omstandigheid die voor rekening van de Nederlandse autoriteiten komt. Daar komt nog bij dat de brief van de Minister waarin de beleidswijziging wordt aangekondigd als kamerstuk en dus ook op internet is gepubliceerd, zodat deze voor [eiser] wellicht niet op het moment dat hij zijn verzoek bij de Spaanse autoriteiten indiende, doch in ieder geval voor zijn feitelijke overbrenging naar Nederland, kenbaar had moeten zijn. [eiser] heeft er dan ook niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat in zijn situatie de omzettingsprocedure zou worden toegepast.

4.6. Het betoog van [eiser] dat het toepassen van de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging er in zijn situatie toe leidt dat sprake is van strafverzwaring, kan niet worden gevolgd. Immers, ook tijdens zijn huidige detentie in Nederland heeft hij - net als in Spanje - de mogelijkheid om na tweederde deel van zijn straf voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. [eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hem in detentie in Spanje meer vrijheden zouden zijn toegekomen, terwijl - zou deze stelling al juist zijn - een beperking van zijn vrijheden in Nederland bovendien de consequentie is van zijn eigen keuze om te worden overgebracht. Dat een en ander onredelijke gevolgen heeft voor zijn voorwaardelijke invrijheidstelling, dan wel voor detentiefasering, is evenmin voldoende gebleken. Daar komt nog bij dat [eiser] thans in de gelegenheid is om zijn detentie te ondergaan in de nabijheid van zijn familie en dat hij kan resocialiseren in het land waar hij na zijn detentie wenst te verblijven.

4.7. Gelet op het voorgaande is voorshands niet gebleken dat de beslissing van de Minister onmiskenbaar onrechtmatig jegens [eiser] is geweest. De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen.

4.8. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.391,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2012.

mvt


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature