< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Terugvordering deel van het voor 2009 toegekende budget op grond van de Wet participatiebudget. Betreft een bedrag van € 4.6000.000,-; werkdeel WWB per 1 januari 2009 "opgegaan"in het perticipatiebudget; beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/284

uitspraak van de meervoudige kamer in het geding tussen

het college van burgemeester en wethouders van Almere, eiser,

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft verweerder een deel van het voor 2009 toegekende budget op grond van de Wet participatiebudget van eiser teruggevorderd. Het betreft een bedrag van € 4.600.000, -.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 22 december 2011 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 2 oktober 2012 behandeld. Namens eiser zijn verschenen H. van Oosten, E.W.M. Bon, H.W. van den Ham en R. Veenman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en M. Bochallati.

Overwegingen

1.1De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Verweerder heeft aan eiser op grond van de Wet participatiebudget (Wpb) voor 2009 een uitkering toegekend van € 27.022.459, - Eiser heeft verweerder op 2 juli 2010 de verantwoordingsinformatie met betrekking tot de uitvoering van de Wpb in 2009 doen toekomen, bestaande uit onder meer de jaarrekening over 2009 met accountantsverklaring en een bijbehorend verslag van bevindingen.

1.2Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 4.600.000, - terecht is teruggevorderd, omdat eisers accountant in zijn rapport van bevindigen een onzekerheid heeft geconstateerd ter hoogte van dat bedrag.

De accountant heeft voor een bedrag van € 3.100.000, - niet kunnen vaststellen of in alle gevallen sprake is van arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie zoals met de Wpb is beoogd. Ten aanzien van de doorbelasting van uitvoeringskosten van € 1.500.000, - is uit de toelichting van de accountant en de reactie van eiser daarop gebleken dat eiser geen urenregistraties heeft bijgehouden. Indien de rechtmatigheid van de besteding niet kan worden verantwoord, volgt volgens verweerder uit de systematiek van de Wpb dat sprake is van een onrechtmatigheid in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Wpb. Artikel 4, tweede lid, van de Wpb is dwingendrechtelijk geformuleerd, zodat verweerder gehouden was tot terugvordering over te gaan.

2.Eiser voert aan dat het niet correct is om een door de accountant geconstateerde onzekerheid zonder meer als onrechtmatigheid in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Wpb aan te merken. Het verslag van bevindingen van de accountant bevat nuanceringen ten aanzien van het niet kunnen vaststellen van de rechtmatige bestedingen van de middelen. Verder is door de accountant vastgesteld dat de gemeente Almere na 14 oktober 2009 adequate beheersmaatregelen heeft genomen waardoor in 2010 de onzekerheden niet meer voorkomen. Het had op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te verrichten naar de mate waarin aan de wettelijke eisen wordt voldaan, hetgeen had dienen te resulteren in een matiging van de terugvordering.

Dit geldt volgens eiser temeer nu de administratieve onzekerheden zijn ontstaan mede door het handelen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Op initiatief van het ministerie van SZW is middels wijziging van artikel 12, eerste lid, van het Besluit participatiebudget per 14 oktober 2009 de mogelijkheid om het niet bestede participatiebudget te reserveren voor het daaropvolgende jaar, teruggebracht van 60% naar 25%. Dit terwijl in de Memorie van Toelichting op de Wpb was aangekondigd dat het percentage van het participatiebudget in volgende jaren geleidelijk zou worden verminderd.

Vanwege de abrupte wijziging van de reserveringsregeling is verweerder op zoek gegaan naar een manier om langlopende verplichtingen ten opzichte van bedrijven en inwoners te garanderen. Dit is gedaan door met terugwerkende kracht kosten onder het participatiebudget te verantwoorden, hetgeen gepaard is gegaan met een beperkt aantal onvermijdbare en onherstelbare administratieve onzekerheden.

3.Artikel 2, eerste lid, van de Wpb bepaalt dat Onze Minister van SZW (de minister) aan het college een uitkering verstrekt ten behoeve van de kosten van participatievoorzieningen, niet zijnde uitvoeringskosten, voor de doelgroep alsmede voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de ze wet.

Artikel 4, eerste lid, van de Wpb bepaalt dat het college verantwoording aflegt aan de minister, op de wijze als bedoeld in artikel 17a van de Financi ële-verhoudingswet.

Het tweede artikellid bepaalt dat indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financi ële-verhoudingswet, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 2, niet volledig of onrechtmatig is besteed, de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister wordt teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan het college.

Ingevolge het vierde artikellid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de terugvordering, bedoeld in het tweede en derde lid, alsmede over de verdeling van de teruggevorderde gelden. Daarbij kan worden bepaald dat een gedeelte van het niet bestede deel van de uitkering niet wordt teruggevorderd.

Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Wpb, is in artikel 12, eerste lid, van het Besluit participatiebudget (het Besluit) bepaald dat indien in een kalenderjaar het participatiebudget niet volledig is besteed aan participatievoorzieningen, het college het niet bestede bedrag tot maximaal 25% van het voor dat jaar toegekende participatiebudget kan reserveren voor besteding aan participatievoorzieningen in het daaropvolgende kalenderjaar.

4.1De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft meermaals ten aanzien van de terugvordering van het werkdeel WWB 2006 geoordeeld, zie onder meer zijn uitspraak van 17 april 2012 (LJN BW3514), dat verweerder zich, bezien vanuit de systematiek van het verantwoording afleggen en de daarbij gehanteerde rapporteringstolerantie, op het standpunt kan stellen dat, indien sprake is van een financiële onzekerheid die de rapporteringstolerantiegrens te boven gaat, dit tot gevolg heeft dat de besteding niet, althans niet met zekerheid kan worden verantwoord, en sprake is van een onrechtmatige besteding.

4.2De rechtbank stelt vast dat het werkdeel WWB een rijksbijdrage is die per 1 januari 2009 is ‘opgegaan’ in het participatiebudget. Nadien wordt dezelfde systematiek van verantwoording afleggen gehanteerd als voorheen ten aanzien van het werkdeel WWB. Nu de accountant in het verslag van bevindingen heeft geconstateerd dat ten aanzien van een bedrag van € 4.600.000, - de rechtmatige besteding onzeker is, is de rechtbank onder verwijzing naar de hierboven bedoelde jurisprudentie van de CRvB van oordeel dat voor dat bedrag de onrechtmatige besteding moet worden aangenomen.

4.3 Uit de formulering van het tweede lid van artikel 4 van de Wpb blijkt dat verweerder gehouden is de uitkering ter hoogte van het onrechtmatig bestede bedrag terug te vorderen. Dit artikel noch het Besluit biedt ruimte voor een belangenafweging dan wel voor matiging van het teruggevorderde bedrag, zoals eiser die voorstaat. Dat de verlaging van de reserveringsregeling van 60% naar 25% bij wijziging van het Besluit van 14 oktober 2009 ertoe heeft geleid dat eiser de kosten voor participatievoorzieningen die aanvankelijk uit de algemene middelen zouden worden voldaan met terugwerkende kracht heeft willen toerekenen aan het participatiebudget, waardoor eiser de uitgaven niet volledig heeft kunnen verantwoorden, betreft een keuze van eiser en blijft (mede) daarom voor eisers rekening.

5.Het beroep is derhalve ongegrond.

6.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, mr. W.F. Bijloo en

mr. A.P.W. Esmeijer, rechters, en door de voorzitter en mr. A. Landstra als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature