< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 12 juni 2010 heeft de burgemeester geweigerd aan [appellant] een exploitatievergunning te verlenen ten behoeve van het [horecabedrijf] aan het [locatie] te Den Haag.

Uitspraak



201111349/1/A3.

Datum uitspraak: 28 november 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 september 2011 in zaak nr. 11/943 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2010 heeft de burgemeester geweigerd aan [appellant] een exploitatievergunning te verlenen ten behoeve van het [horecabedrijf] aan het [locatie] te Den Haag.

Bij besluit van 13 januari 2011 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De burgemeester heeft een advies van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau) aan de Afdeling toegezonden. Daarbij heeft hij medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling ervan kennis zal mogen nemen. Op 2 maart 2012 heeft de Afdeling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is en [appellant] gevraagd om toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Deze toestemming is verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.H.P. Claassen, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door R.W.I. Alkema en J.W.B. van Leeuwen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob) kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onder a,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder a, staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder a, vindt de weigering dan wel de intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met de mate van het gevaar.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Ingevolge het derde lid kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, het Bureau om een advies vragen.

Ingevolge artikel 8 is er een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, heeft het Bureau tot taak aan bestuursorganen, voor zover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit Bibob worden als inrichtingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet bibob , aangewezen inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt.

Ingevolge artikel 2:28, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horeca-inrichting te exploiteren.

2.    Aan de weigering om aan [appellant] een exploitatievergunning te verlenen heeft de burgemeester een advies van het Bureau van 3 maart 2010 (hierna: het advies) ten grondslag gelegd. Op grond van dat advies heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat ernstig gevaar bestond dat de aangevraagde vergunning mede zou worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Aan dat standpunt is ten grondslag gelegd dat [appellant] in 2002 door het Landgericht Oldenburg (Duitsland) is veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van twaalf jaren wegens het in georganiseerd verband ongeoorloofd handelen in verdovende middelen in een niet geringe hoeveelheid in vijftien gevallen.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid verlening van de exploitatievergunning heeft kunnen weigeren. Hij voert hiertoe aan dat de burgemeester zich niet op het advies had mogen baseren, nu dit buitengewoon onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het Bureau beschikte immers ten tijde van het uitbrengen van het advies niet over het vonnis van het Landgericht Oldenburg, maar heeft dit wel als enig argument aan zijn advies ten grondslag gelegd. Daarnaast heeft hij geen financieel voordeel overgehouden uit de strafbare feiten waarvoor hij destijds is veroordeeld. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat hij met de handel in harddrugs grote geldbedragen heeft verdiend. Weliswaar heeft hij te kennen gegeven dat de straatwaarde van de harddrugs die hij verhandelde € 300.000 tot € 400.000 bedroeg, maar het bedrag dat hij daadwerkelijk met de drugshandel heeft verdiend was aanzienlijk lager. De winst moest immers worden verdeeld en bovendien heeft hij het geld gebruikt om zijn eigen drugsverslaving te kunnen bekostigen. In dat verband heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ernstig verslaafd was en de opbrengsten van de drugshandel daaraan zijn opgegaan. De rechtbank heeft daarmee het oordeel van het Landgericht Oldenburg miskend, dat zich heeft verdiept in de financiële situatie van [appellant] en hem zijn uit strafbare feiten verkregen voordeel, voor zover dat nog bestond, heeft ontnomen, aldus [appellant].

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2012 in zaak nr. 201109489/1/A3), mag een bestuursorgaan, gelet op de deskundigheid van het Bureau, in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusie te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

3.2.    Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb te hebben kennisgenomen van het advies, wordt als volgt overwogen.

In het advies is, aan de hand van alle criteria die daarbij op de voet van artikel 3, tweede lid, van de Wet bibob moeten worden betrokken, uiteengezet dat een ernstig gevaar bestond dat de aangevraagde vergunning mede zou worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de ze wet. Voor het oordeel dat twijfel behoorde te rijzen aan de bevindingen in het advies, omdat het Bureau niet beschikte over het vonnis van het Landgericht Oldenburg, bestaat geen grond. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de voor het Bureau beschikbare gegevens voldoende kon worden afgeleid voor welk strafbaar feit [appellant] door het Landgericht Oldenburg was veroordeeld en welke straffen en maatregelen hem daarvoor waren opgelegd. Bovendien had het Bureau de beschikking over een proces-verbaal van de politie Haaglanden van 27 februari 2006 waaruit volgt dat [appellant] tegenover de politie had verklaard dat hij in Duitsland tot een gevangenisstraf van twaalf jaren was veroordeeld voor de handel in cocaïne.

Overigens heeft de burgemeester in bezwaar de beschikking gekregen over het vonnis van het Landgericht Oldenburg. De inhoud van het vonnis is op juiste wijze overgenomen in het advies.

3.3.    [appellant] staat in relatie tot strafbare feiten, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet bibob , nu uit het vonnis van het Landgericht Oldenburg volgt dat [appellant] is veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van twaalf jaren wegens het in georganiseerd verband ongeoorloofd handelen in verdovende middelen in een niet geringe hoeveelheid in vijftien gevallen. [appellant] heeft de strafbare feiten derhalve zelf begaan als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob .

3.4.    In geschil is de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het door [appellant] wederrechtelijk verkregen voordeel ten tijde van de aanvraag van de exploitatievergunning nog steeds aanwezig was en dat daardoor een ernstig gevaar bestond als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob .

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 mei 2012 in zaak nr. 201102845/1/A3, is de handel in drugs er naar zijn aard op gericht om op geld waardeerbare voordelen voort te brengen en is het een feit van algemene bekendheid dat met de handel in drugs grote winsten kunnen worden behaald. Voor zover [appellant] stelt dat hij geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft overgehouden aan de drugshandel waarvoor hij is veroordeeld, wordt met de rechtbank overwogen dat hij dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] te kennen heeft gegeven dat de straatwaarde van de drugs die hij verhandelde € 300.000 tot € 400.000 bedroeg. [appellant] heeft zijn stelling, dat de daadwerkelijke opbrengst aanzienlijk minder was en dat hij zijn gehele opbrengst zou hebben besteed aan zijn eigen drugsverslaving, niet gestaafd met stukken die in die richting wijzen. Tevens wordt in aanmerking genomen dat [appellant] in 2006, na zijn vrijlating uit de gevangenis in 2005, [horecabedrijf] heeft gekocht voor een bedrag van € 85.000. [appellant] heeft te kennen gegeven dat hij die € 85.000 in het bijzonder heeft verkregen uit de verkoop van aandelen in een Turkse glasfabriek die hij destijds heeft bekostigd door middel van investeringen in Turks vastgoed. Uit de door [appellant] overgelegde stukken volgt dat de aankoop van die aandelen heeft plaatsgevonden in 1997. [appellant] heeft echter niet inzichtelijk gemaakt hoe hij destijds de investeringen in Turks vastgoed heeft kunnen bekostigen. Dit is in het bijzonder van belang nu uit het vonnis van het Landgericht Oldenburg volgt dat [appellant] is veroordeeld voor de handel in verdovende middelen in de periode van 1997 tot en met 1999. Onder deze omstandigheden wordt met de rechtbank overwogen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [appellant] moest worden geacht nog steeds aanwezig te zijn, zodat verlening van een exploitatievergunning [appellant] de mogelijkheid zou geven het wederrechtelijk verkregen voordeel alsnog in [horecabedrijf] te investeren. Voor zover [appellant] betoogt dat hiermee het oordeel van het Landgericht Oldenburg niet wordt onderkend, faalt dit. Het Landgericht Oldenburg heeft [appellant] een bedrag van DM 15.939,78 ontnomen, maar heeft hierbij overwogen dat [appellant] met de handel in harddrugs aanzienlijk meer heeft verdiend. Volgens het Landgericht Oldenburg diende echter rekening te worden gehouden met de bescheiden economische situatie van [appellant]. Gelet op de aandelen in de glasfabriek waarover [appellant] naar eigen zeggen ten tijde van het vonnis van het Landgericht Oldenburg beschikte en op de omstandigheid dat [appellant] vlak na zijn vrijlating uit de gevangenis over € 85.000 kon beschikken voor de aankoop van [horecabedrijf], is evenwel aannemelijk dat het Landgericht Oldenburg een beperkt zicht had op de financiële situatie van [appellant].

3.5.    Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat ernstig gevaar bestond dat de aangevraagde vergunning mede zou worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Dit laat onverlet dat de burgemeester bij de weigering van een vergunning de proportionaliteitstoets van artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob dient toe te passen. De weigering van een vergunning mag slechts plaatsvinden indien deze evenredig is met de mate van het gevaar. De burgemeester heeft deze proportionaliteitstoets gemotiveerd toegepast. [appellant] heeft ter zake geen concrete beroepsgronden naar voren gebracht. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de burgemeester, gelet op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob , niet in redelijkheid de vergunning heeft kunnen weigeren.

Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. De Vries

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2012

582-730.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature