< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ingevolge artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden gegrond, nu in deze zaak de in artikel 2, eerste lid onder b van de Wet DNA vermelde uitzondering aan de orde is.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht – Strafraadkamer te Lelystad

Parketnummer: 07.265415-11

Rekestnummer: 12/1154

Beslissing op het d.d. 06 september 2012 ter griffie ingekomen bezwaarschrift ingevolge artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden( hierna: de Wet DNA), tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum],

wonende te [adres],

(nader te noemen: veroordeelde).

Het bezwaarschrift is behandeld in raadkamer met gesloten deuren van 24 oktober 2012, alwaar mr. A. Foppen, advocaat te Almere, als bepaaldelijk gemachtigde van veroordeelde, en de officier van justitie, mr. S.J. Buis, zijn gehoord.

Het standpunt van veroordeelde

Namens veroordeelde is verzocht dat de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaart en tevens beveelt dat de officier van justitie er zorg voor draagt dat het afgenomen celmateriaal van veroordeelde terstond wordt vernietigd.

Veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van een DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf en de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing en berechting van strafbare feiten.

Namens veroordeelde is in raadkamer aangevoerd dat het in het onderhavige geval om verduistering gaat van geld dat per abuis op haar bankrekening was gestort en dat DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing van een dergelijk feit, veroordeelde onbekend is in het Justitieel Documentatie Register en er, mede gelet op de leeftijd van veroordeelde, geen sprake is van recidivegevaar.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard.

De officier van justitie heeft betoogd dat uit de inmiddels door de Hoge Raad gevormde jurisprudentie kan worden afgeleid dat de uitzonderingen zoals geregeld in de Wet DNA zeer beperkt moeten worden uitgelegd en dat in het onderhavige geval geen uitzonderingen aan de orde zijn die maken dat een DNA-afname bij veroordeelde achterwege had moeten blijven.

Het oordeel van de rechtbank

Het bezwaarschrift is tijdig en op de juiste wijze ingediend. Veroordeelde kan daarom in het bezwaarschrift worden ontvangen.

Veroordeelde is op 14 maart 2012 door de politierechter in deze rechtbank wegens verduistering veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur voorwaardelijk

Die veroordeling betreft derhalve een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De Wet DNA bepaalt in artikel 2, eerste lid, dat van een veroordeelde wegens een dergelijk misdrijf, celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel.

Bij bevel van 09 mei 2012 heeft de officier van justitie bepaald dat van veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ter bepaling en verwerking van haar DNA-profiel.

Op 5 september 2012 is celmateriaal van veroordeelde afgenomen.

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 13 mei 2008 (LJN nummers BC8231 en BC8234) voorop gesteld dat tekst, doel en strekking van de Wet DNA blijkens de wetgeschiedenis als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet, celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich één van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet.

De officier van justitie heeft in de onderhavige zaak terecht aangevoerd dat de Hoge Raad een beperkte uitleg geeft aan de uitzonderingen genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet DNA. De Hoge Raad overweegt dat de maatstaf “aard van het misdrijf” blijkens de wetsgeschiedenis ziet op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf “bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd” hangt volgens de Hoge Raad samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat dan om de situatie dat een DNA-onderzoek, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden niet kan worden gerechtvaardigd.

Het uitgangspunt is dat de officier van justitie het bevel geeft om celmateriaal af te nemen. De Wet DNA stelt echter uitzonderingsgronden in artikel 2, eerste lid onder a en b. De rechtbank heeft nu te bepalen of een van die uitzonderingsgronden zich voordoet.

Bij de invoering van deze bepaling heeft de wetgever in de memorie van toelichting hierover het volgende overwogen:

“Voorgesteld wordt DNA-onderzoek mogelijk te maken bij veroordeelden wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, oftewel een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Op dit punt is de reikwijdte van het onderhavige wetsvoorstel verruimd ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel, zoals dat aan de Raad van State en de adviesinstanties is voorgelegd. Het oorspronkelijk wetsvoorstel was beperkt tot veroordeelden wegens specifiek aangewezen gewelds- en zedenmisdrijven, waarvoor voorlopige hechtenis toegelaten is. Met de verruiming van het

wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan het streven van de regering naar een ruimere

toepassing van het strafrechtelijke DNA-onderzoek. De doelen van het wetsvoorstel doen naar het oordeel van de regering evenzeer opgeld bij andere ernstige misdrijven dan alleen gewelds- en zedenmisdrijven. Een belangrijk misdrijf in dit verband is woninginbraak. Op dit moment bevat de DNA-databank veel DNA-profielen van sporen van woninginbraken, maar zeer weinig DNA-profielen van inbrekers. Door de verbreding van de reikwijdte van dit wetsvoorstel kan deze scheve verhouding meer in evenwicht worden gebracht en kunnen door DNA-onderzoek vaker woninginbraken worden opgelost. (…)

Er zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten waarbij DNA-onderzoek niet of nauwelijks een rol van betekenis kan spelen, zoals bijvoorbeeld meineed of valsheid in geschrift. Bij deze feiten zal ook in het voorbereidend onderzoek geen celmateriaal voor DNA-onderzoek worden afgenomen vanwege het vereiste belang van het onderzoek. Ook in het kader van het onderhavige wetsvoorstel ligt daarom een inperking in de rede. Deze inperking houdt in dat ingevolge artikel 2, eerste lid, onder b, geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden indien redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.”

(TK 2002-2003, 28 685, nr. 3, blz. 10-11)

Ook bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in de eerste kamer is het onderwerp in de memorie van antwoord van de regering aan de orde gekomen:

“De leden van de VVD-fractie vroegen of met artikel 2, eerste lid, onderdeel b, niet uitermate subjectieve toetsingscriteria worden ge ïntroduceerd die afbreuk doen aan de doelstellingen van het wetsvoorstel. Als voorbeeld noemden zij valsheid in geschrifte. Op het eerste gezicht lijkt het vanzelfsprekend dat DNA-afname hier geen functie heeft, aldus deze leden, maar de recidive van de veroordeelde behoeft niet hetzelfde soort misdrijf te betreffen.

Het antwoord luidde als volgt.

De toetsingscriteria van artikel 2, eerste lid, onder b, vereisen altijd een objectief waardeerbare omstandigheid. Het kan gaan om de omstandigheid dat de veroordeelde een misdrijf heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek niet van betekenis is, dan wel om de bijzondere omstandigheden waaronder de veroordeelde het misdrijf heeft gepleegd. De criteria houden in dat van DNA-onderzoek wordt afgezien indien, gelet op deze objectief waardeerbare omstandigheid of omstandigheden, redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van belang is voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Het gaat er om dat niet aannemelijk is dat de veroordeelde eerder reeds een misdrijf heeft gepleegd dat met behulp van DNA-onderzoek kan worden opgelost, dan wel later nogmaals een dergelijk misdrijf zal plegen. Dit betekent dat bij de veroordeelde die is veroordeeld voor een misdrijf als valsheid in geschrifte, waarbij DNA-onderzoek doorgaans geen functie heeft, maar die in het verleden ook andere soorten misdrijven heeft gepleegd waarbij DNA-onderzoek wel een functie heeft, toch DNA-onderzoek plaatsvindt. Artikel 2, eerste lid, onder b, vraagt namelijk om een beoordeling van de relevantie van DNA-onderzoek voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van misdrijven van deze veroordeelde. Indien er omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat de veroordeelde zal recidiveren in een ander soort misdrijf waarvoor DNA-onderzoek wel van belang is, dan zal de officier van justitie op grond van artikel 2, eerste lid, besluiten hem een DNA-onderzoek te laten ondergaan. ”

(EK 2003-2004, 28 685, nr. C, blz. 8-9)

Veroordeelde is in de onderhavige zaak veroordeeld ter zake van verduistering als bedoeld in artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht. Veroordeelde heeft geld, dat door een foutive bankoverschrijving per abuis op haar bankrekening was bijgeschreven, in haar eigen voordeeld besteed en de brieven en aanmaningen die haar zijn gezonden met betrekking tot dit geld, naast zich neergelegd. Door aldus te handelen, heeft veroordeelde zich het geldbedrag wederrechtelijke toegeëigend.

Een dergelijk misdrijf is naar het oordeel van de rechtbank naar zijn aard vergelijkbaar met de expliciet door de wetgever in de memorie van toelichting als voorbeeld genoemde uitgezonderde misdrijven.

Indien er omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat de veroordeelde zal recidiveren ter zake van andere misdrijven waarvoor DNA-onderzoek wél van belang kan zijn, of indien de veroordeelde in het verleden ook andere misdrijven heeft begaan waarbij doorgaans wél celmateriaal achterblijft, moet toch het DNA-profiel worden verwerkt en bepaald.

Van dergelijke omstandigheden is in het onderhavige geval niet gebleken.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, niet van betekenis zal kunnen zijn ter voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten begaan door veroordeelde.

Het bezwaar zal dan ook gegrond worden verklaard, nu in deze zaak de in artikel 2, eerste lid onder b van de Wet DNA vermelde uitzondering aan de orde is.

BESLISSING

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt dat de officier van justitie ervoor zorgdraagt dat het celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.

Aldus gegeven op 25 oktober 2012 door mr. M.C.P. de Ridder, rechter, in tegenwoordigheid van M. Smit, griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature