< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Wrakingsverzoek dat ziet op door de strafkamer gegeven beslissingen afgewezen.

Uitspraak



BESCHIKKING

________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zaaknummer: 200.111.260/01

beschikking van de wrakingskamer van 20 november 2012

inzake het op 8 augustus 2012 ter griffie van dit hof ingediende verzoekschrift van

[ VERZOEKER ],

geboren te [ woonplaats ] op [ geboortedatum ],

adres: [ adres ], [ postcode ] [ woonplaats ],

thans gedetineerd in P.I. [ penitentiaire inrichting ], HvB [ HvB ] te [ plaatsnaam,

VERZOEKER,

raadsman: S.Ph.Chr. Wester te Amsterdam.

Het geding

Verzoeker wordt hierna [ verzoeker ] genoemd.

Het verzoekschrift met bovenvermeld zaaknummer is namens [ verzoeker ] op 8 augustus 2012 schriftelijk ingediend door mr. Wester voornoemd in de zaak met parketnummer [ parketnummer ]. Het strekt tot de wraking van mr. M. Gonggrijp-van Mourik, voorzitter, en mrs. J.D.L. Nuis en M.E.A. Wildenburg, leden, van de tweede meervoudige strafkamer van dit hof. Het verzoekschrift was voorzien van bijlagen.

Mrs. Gonggrijp-van Mourik, Nuis en Wildenburg hebben niet berust in de wraking.

Op 15 augustus 2012 heeft mr. Gonggrijp-van Mourik een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend.

Op 26 oktober 2012 heeft mr. Wester namens [ verzoeker ] een aanvullende bijlage ingediend.

De wrakingskamer heeft het verzoek in het openbaar behandeld op 1 november 2012 te 15:00 uur. Daarbij is [ verzoeker ] verschenen, vergezeld van mr. Wester voornoemd, die het wrakingsverzoek heeft toegelicht aan de hand van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota. Mr. Wester heeft twee kleurenfoto’s aan het hof overgelegd.

Mr. Nuis is ter zitting verschenen en heeft het woord gevoerd.

Tevens is verschenen de advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam mr. M. van Elsdingen. Hij heeft ter zitting het woord gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Beoordeling

1.1. Het gaat hier, voor zover relevant, om het volgende.

1.1.a. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2011 met parketnummer

[ parketnummer ] is [ verzoeker ] schuldig bevonden aan doodslag en is hij veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van zeven jaren.

1.1.b. Bij akte van 21 december 2011 is [ verzoeker ] van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen.

1.1.c. Namens [ verzoeker ] is een op 3 januari 2012 gedateerde appelschriftuur ingediend, waarbij onder meer enkele onderzoekswensen kenbaar zijn gemaakt. Daarbij is namens [ verzoeker ] verzocht om in ieder geval [ A ], [ B ], drs. [ C ], drs. [ D ], drs. [ E ], drs. [ F ], [ G ], [ H ], [ I ], [ J ]en dr. [ K ] als getuigen te horen.

1.1.d. Op 7 augustus 2012 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Daarbij zijn de hiervoor genoemde onderzoekswensen behandeld. In aanvulling daarop heeft mr. Wester verzocht om onderzoek te gelasten naar de bemonstering van de handen van het slachtoffer, de verdachte en een derde persoon op DNA-sporen.

1.1.e. Uit het proces-verbaal van de zitting van 7 augustus 2012 blijkt dat het onderzoek ter zitting is onderbroken en dat de voorzitter de verdediging en de advocaat-generaal heeft meegedeeld dat het onderzoek zal worden hervat omstreeks 16:30 uur en dat alsdan de beslissingen van het hof zullen worden meegedeeld en de behandeling zal worden aangehouden voor onbepaalde tijd. Tevens blijkt uit het proces-verbaal dat de voorzitter heeft meegedeeld dat de griffier de raadsman telefonisch zal inlichten over de beslissingen van het hof vooruitlopend op het proces-verbaal van de zitting waarin de beslissingen zullen worden opgenomen.

1.1.f. Mr. Gonggrijp-van Mourik heeft mr. Wester omstreeks 17:00 uur telefonisch meegedeeld dat het hof de bij het appelschriftuur gedane verzoeken heeft afgewezen aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang en dat het aanvullende verzoek is afgewezen aan de hand van het noodzaakcriterium.

1.1.g. Op 8 augustus 2012 heeft mr. Wester namens [ verzoeker ] het onderhavige wrakingsverzoek met producties ingediend.

1.1.h. Op 15 augustus 2012 is het proces-verbaal van de regiezitting van 7 augustus 2012 naar mr. Wester gefaxt.

1.2. In het verzoekschrift wordt – samengevat – aangevoerd dat het wrakingsverzoek ziet op alle afwijzende beslissingen van het hof van 7 augustus 2012 en in het bijzonder op de afwijzing van het verzoek tot het horen van [ A ], hoofdagent politie Amsterdam-Amstelland en [ B ], hulpofficier van justitie, omdat van een (verdedigings)belang hierbij wel degelijk sprake zou zijn. Volgens [ verzoeker ] heeft het hof de verzoeken afgewezen zonder een compleet inzicht in de zaak te hebben en heeft het hof gesteld aan dat inzicht ook geen behoefte te hebben. Bovendien is het hof daarmee vooruitgelopen op de mogelijke inhoud van de af te leggen verklaringen van de getuigen en het te verrichten onderzoek, alsmede op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof heeft de schijn gewekt geen belang te hechten aan de uitkomsten van een nog uit te voeren onderzoek, door het verzoek tot nader onderzoek af te wijzen op de manier waarop het hof dit heeft gedaan. Tegen deze achtergrond levert de beslissing van het hof – in nauwe samenhang beschouwd met de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen – jegens [ verzoeker ] tenminste de schijn op dat sprake is (geweest) van enige vorm van vooringenomenheid, waardoor de vereiste rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, aldus nog steeds [ verzoeker ].

1.3. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft mr. Wester voorts – buiten de pleitnota om – aangevoerd dat zijn cliënt en hij ter terechtzitting van 7 augustus 2012 de onwil van het hof om enige onderzoekwens toe te wijzen konden proeven. Deze onwil hebben zij afgeleid uit de weigering van het hof om door mr. Wester aangeboden stukken in ontvangst te nemen en opmerkingen van de zijde van het hof dat de onderzoekswensen zouden neerkomen op een 'fishing expedition'. Toen daarop de afwijzende beslissingen van het hof volgden, is het onderhavige wrakingsverzoek ingediend.

1.4. Mr. Gonggrijp-van Mourik heeft in haar schriftelijke reactie – kort gezegd – aangevoerd dat het wrakingsverzoek reeds is ingediend voordat het proces-verbaal waarin de beslissingen van het hof gemotiveerd zijn neergelegd door de raadsman van [ verzoeker ] is ontvangen, zodat niet valt in te zien hoe deze heeft kunnen vaststellen dat het hof partijdig dan wel bevooroordeeld is. Het wrakingsverzoek is volgens mr. Gonggrijp-van Mourik derhalve sec gericht tegen de afwijzing van de verzoeken, hetgeen niet tot gegrondverklaring van het wrakingsverzoek kan leiden, omdat wraking niet kan fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige beslissingen.

1.5. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Nuis – samengevat – aangevoerd dat het onderhavige wrakingsverzoek een schoolvoorbeeld is van een beoogd intern appel tegen een onwelgevallige beslissing en dat sprake is van misbruik van procesrecht. [ verzoeker ] dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn wrakingsverzoek. Omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het hof jegens [ verzoeker ] vooringenomenheid koestert, of de schijn daarvan hebben gewekt, zijn gesteld noch gebleken, aldus mr. Nuis.

1.6. De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat de namens [ verzoeker ] aangevoerde gronden voor wraking niet kunnen leiden tot gegrondverklaring van het wrakingsverzoek. Dat de woorden ‘fishing expedition’ ter zitting van 7 augustus 2012 door de leden van de strafkamer zijn genoemd, kan de advocaat-generaal zich niet herinneren. Het zou volgens de advocaat-generaal ook kunnen zijn dat hij zelf die bewoordingen heeft gebruikt.

1.7. Het hof overweegt als volgt.

1.8. Het onderhavige wrakingsverzoek dient te worden beoordeeld op grond van de hier toepasselijke artikelen 512 tot en met 515 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria.

1.9. Op grond van artikel 512 Sv kan op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

1.10. Op grond van artikel 513 lid 1 Sv dient dit verzoek schriftelijk en gemotiveerd te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn.

1.11. Bij de beoordeling geldt als uitgangspunt dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

1.12. Het wrakingsverzoek is tijdig ingediend en bevat de feiten en omstandigheden op grond waarvan volgens [ verzoeker ] de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. [ verzoeker ] kan derhalve worden ontvangen in zijn verzoek tot wraking. Dat het wrakingsverzoek vóór de ontvangst het proces-verbaal van de zitting van 7 augustus 2012 is ingediend doet aan het voorgaande niet af, mede gelet op de toelichting van de raadsman dat het verzoek, gelet op het bepaalde in artikel 513 lid 1 Sv , zekerheidshalve zo snel mogelijk en daarom reeds op 8 augustus 2012 is ingediend.

1.13. Dat één of meerdere opmerkingen van (één van) de raadsheren ter zitting van 7 augustus 2012 mede aan het wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegen, is eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 1 november 2012 namens [ verzoeker ] naar voren gebracht. Deze wrakingsgrond dient, gelet op het bepaalde in artikel 513 lid 3 Sv , dat alle feiten en omstandigheden tegelijk naar voren moeten worden gebracht, derhalve buiten beschouwing te blijven. Overigens is het door het hof aan de orde stellen van de vraag of onderzoekswensen niet neerkomen op een 'fishing expedition', indien dit al gebeurd zou zijn, onvoldoende om (de schijn van) vooringenomenheid aan kunnen te nemen.

1.14. Tijdens de zitting van de wrakingskamer is de hiervoor onder 1.3 genoemde onduidelijkheid over de omvang van het medisch dossier waarover de strafkamer beschikte opgehelderd. Er moet van worden uitgegaan dat de stukken die zich in het dossier van het hof bevinden dezelfde zijn als die waarover de raadsman beschikt. Zowel de (kennelijke) veronderstelling van de strafkamer dat de raadsman over meer stukken zou beschikken en hij deze daarom nog wilde overleggen, als de veronderstelling van de raadsman dat niet alle stukken zich in het dossier van het hof zouden bevinden, blijken op een misverstand te berusten.

1.15. Het onderhavige wrakingsverzoek ziet op gemotiveerde beslissingen van het hof op door de verdediging naar voren gebrachte onderzoekswensen. Het is niet aan de wrakingskamer om die beslissingen inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige beslissingen. Nu het gaat om een door de rechter gegeven beslissing kan de vrees voor vooringenomenheid slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de wrakingskamer, in het licht van hetgeen namens [ verzoeker ] is aangevoerd, geen sprake. Bijkomende feiten en omstandigheden die al dan niet in samenhang met de gegeven motivering dat oordeel wel zouden kunnen rechtvaardigen, zijn niet gebleken,

1.16. Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid van mrs. Gonggrijp-van Mourik, Nuis en Wildenburg schade zou kunnen lijden. Het verzoek tot wraking zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, H.J. Bronkhorst en P.C. Römer en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 november 2012 in aanwezigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature