< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft op 23 oktober 2011 samen met zijn medeverdachte (LJ BY3952) een zeer gevaarlijke vuurwerkbom vervaardigd en deze aan een flitspaal op de openbare weg te Voorschoten bevestigd. Vervolgens is verdachte weggegaan met het plan om even later terug te komen om het lont van de vuurwerkbom aan te steken en de bom te laten exploderen. Bij terugkomst zag verdachte dat er een auto bij de flitspaal stond en is hij weer naar huis gegaan en gaan slapen. Verdachte heeft door zijn handelen een zeer gevaarlijke situatie in het leven geroepen en het interesseerde hem niets dat deze situatie door anderen zou moeten worden opgeruimd. Dit rekent de rechtbank hem zwaar aan. Daarbij neemt de rechtbank het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij, terwijl hij zag dat er mensen bij de flitspaal met de vuurwerkbom stonden en hij wist dat deze kruit van acht Cobra’s bevatte, hen niet heeft gewaarschuwd voor deze zwaar explosieve inhoud. Verdachte heeft ook daarbij alleen aan zichzelf gedacht en zich uit de voeten gemaakt.

De vuurwerkbom is enkele uren later ontploft waarbij medewerkers van de EOD en FO gewond zijn geraakt. Daarbij hebben twee medewerkers van de EOD zwaar lichamelijk letsel opgelopen, met de gevolgen waarvan zij nog dagelijks worden geconfronteerd. Het staat vast dat de slachtoffers van deze explosie naast de fysieke gevolgen ook nog jaren last zullen hebben van de psychische gevolgen. Dat niet meer mensen zijn verwond ten gevolge van de explosie is niet aan verdachte te danken maar berust op toeval.

Het handelen van verdachte heeft tevens grote onrust in de maatschappij teweeg gebracht.

Gevangenisstraf van 40 maanden waarvan 10 voorwaardelijk.

Schadevergoedingsmaatregel

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/754219-11; 09/647595-11 (gev.ttz.)

Datum uitspraak: 22 november 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte A.],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats],

[adres]

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 januari 2012, 12 april 2012, 31 mei 2012, 16 augustus 2012, 1 november 2012 en 8 november 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M.A.F. Tielens en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. R.J. Ottens, advocaat te Noordwijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De dagvaarding met parketnummer 09/754219-11 zal hierna worden aangeduid als dagvaarding I en de dagvaarding met parketnummer 09/654595-11 als dagvaarding II.

Het slachtoffer [slachtoffer A.] heeft ter terechtzitting gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing omschrijving tenlastelegging ter terechtzitting van 31 mei 2012 - ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I:

1.

primair

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een

persoon (te weten [slachtoffer A.], een medewerker van de Explosieven

Opruimingsdienst), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een (deels) weggeslagen

(rechter)hand, met bloot liggende botten en/of ernstig letsel aan de weke

delen, waardoor een amputatie van de rechter onderarm op 7 centimeter van het

gewricht noodzakelijk was, en/of letsel aan (het hoornvlies van) het

rechteroog, (met aanzienlijk verlies van gezichtsvermogen) heeft toegebracht,

door tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met

dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg, een

(zwaar/zware) explosief/(vuurwerk)bom te vervaardigen/fabriceren en/of

vervolgens dit/deze explosief/(vuurwerk)bom te bevestigen aan een (zich op de

openbare weg bevindende) flitspaal en/of dit/deze explosief/(vuurwerk)bom

(aldaar) achter te laten, welk(e) explosief/(vuurwerk)bom vervolgens op enig

moment in de (directe) nabijheid van die [A.] (deels) is geëxplodeerd;

art 302/303 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1, ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk,

althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig een

(zwaar/zware) explosief/(vuurwerk)bom heeft vervaardigd/gefabriceerd en/of

vervolgens dit/deze explosief/(vuurwerk)bom heeft bevestigd aan een (zich op

de openbare weg bevindende) flitspaal en/of dit/deze explosief/(vuurwerk)bom

(aldaar) heeft achtergelaten, welk(e) explosief/(vuurwerk)bom vervolgens op

enig moment in de (directe) nabijheid van een persoon, te weten [slachtoffer A.]

(een medewerker van de Explosieven Opruimingsdienst), (deels) is

geëxplodeerd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [A.] zwaar lichamelijk letsel (te weten een (deels) weggeslagen

(rechter)hand, met bloot liggende botten en/of ernstig letsel aan de weke

delen, waardoor een amputatie van de rechter onderarm op 7 centimeter van het

gewricht noodzakelijk was, en/of letsel aan (het hoornvlies van) het

rechteroog (met aanzienlijk verlies van gezichtsvermogen) heeft bekomen,

althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of

verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze

[A.] was ontstaan;

art 308 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1, ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

primair

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een

persoon (te weten [slachtoffer B.], een medewerker van de Explosieven

Opruimingsdienst), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten (een) geheel en/of deels

weggeslagen, althans (een) geheel en/of deels beschadigd(e)

trommelvlies/trommelvliezen en/of (blijvend) oogletsel) heeft toegebracht,

door tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met

dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg, een

(zwaar/zware) explosief/(vuurwerk)bom te vervaardigen/fabriceren en/of

vervolgens dit/deze explosief/(vuurwerk)bom te bevestigen aan een (zich op de

penbare weg bevindende) flitspaal en/of dit/deze explosief/(vuurwerk)bom

(aldaar) achter te laten , welk(e) explosief/(vuurwerk)bom vervolgens op enig

moment in de (directe) nabijheid van die [B.] (deels) is

geëxplodeerd;

art 302/303 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter

uitvoering van het door verdachte(n) voorgenomen misdrijf om aan een persoon

(te weten [slachtoffer B.], medewerker van de Explosieven Opruimingsdienst)

opzettelijk en met voorbedachte raad, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en

rustig overleg, een (zwaar/zware) explosief/(vuurwerk)bom heeft

vervaardigd/gefabriceerd en/of vervolgens dit/deze explosief/(vuurwerk)bom

heeft bevestigd aan een (zich op de openbare weg bevindende) flitspaal en/of

dit/deze explosief/(vuurwerk)bom (aldaar) heeft achtergelaten, welk(e)

explosief/(vuurwerk)bom vervolgens op enig moment in de (directe) nabijheid

van die [slachtoffer B.] (deels) is geëxplodeerd, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302/302 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1, ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig

een (zwaar/zware) explosief/(vuurwerk)bom heeft vervaardigd/gefabriceerd

en/of vervolgens dit/deze explosief/(vuurwerk)bom heeft bevestigd aan een

(zich op de openbare weg bevindende) flitspaal en/of dit/deze

explosief/(vuurwerk)bom (aldaar) heeft achtergelaten, welk(e)

explosief/(vuurwerk)bom vervolgens op enig moment in de (directe) nabijheid

van een persoon, te weten [slachtoffer B.] (medewerker van de Explosieven

Opruimingsdienst), (deels) is geëxplodeerd, waardoor het aan zijn schuld te

wijten is geweest dat die [slachtoffer B.] zwaar lichamelijk letsel, te

weten (een) weggeslagen en/of beschadigd(e) trommelvlies/trommelvliezen

en/of (blijvend) oogletsel, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel

dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de

ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

art 308 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 47, lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

primair

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een

persoon (te weten [slachtoffer C.], een medewerker van de Forensische

Opsporingsdienst van de Politie Hollands Midden), opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten

(blijvende) gehoorschade) heeft toegebracht, door tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en - al dan niet - na

kalm beraad en rustig overleg, een (zwaar/zware) explosief/(vuurwerk)bom te

vervaardigen/fabriceren en/of vervolgens dit/deze explosief/(vuurwerk)bom te

bevestigen aan een (zich op de openbare weg bevindende) flitspaal en/of

dit/deze explosief/(vuurwerk)bom (aldaar) achter te laten, welk(e)

explosief/(vuurwerk)bom vervolgens op enig moment in de (directe) nabijheid

van die [slachtoffer C.] (deels) is geëxplodeerd;

art 303/302 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter

uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om aan een persoon genaamd slachtoffer C.] (een medewerker van de

Forensische Opsporingsdienst van de Politie Hollands Midden), opzettelijk en

met voorbedachte raad, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg,

een (zwaar/zware) explosief/(vuurwerk)bom heeft vervaardigd/gefabriceerd

en/of vervolgens dit/deze explosief/(vuurwerk)bom heeft bevestigd aan een

(zich op de openbare weg bevindende) flitspaal en/of dit/deze

explosief/(vuurwerk)bom (aldaar) heeft achtergelaten , welk(e)

explosief/(vuurwerk)bom vervolgens op enig moment in de (directe) nabijheid

van die [slachtoffer C.] (deels) is geëxplodeerd, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 303/302 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1, ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer C.], een medewerker van de

Forensische Opsporingsdienst van de Politie Hollands Midden), heeft

mishandeld, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een

(zwaar/zware) explosief/(vuurwerk)bom vervaardigd/gefabriceerd en/of

vervolgens dit/deze explosief/(vuurwerk)bom bevestigd aan een (zich op de

openbare weg bevindende) flitspaal en/of dit/deze explosief/(vuurwerk)bom

(aldaar) achtergelaten , welk(e) explosief/(vuurwerk)bom vervolgens op enig

moment in de (directe) nabijheid van die [slachtoffer C.] (deels) is geëxplodeerd,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk,

althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig een

(zwaar/zware) explosief/(vuurwerk)bom heeft vervaardigd/gefabriceerd en/of

vervolgens dit/deze explosief/(vuurwerk)bom heeft bevestigd aan een (zich op

de openbare weg bevindende) flitspaal en/of dit/deze explosief/(vuurwerk)bom

(aldaar) heeft achtergelaten , welk(e) explosief/(vuurwerk)bom vervolgens op

enig moment in de (directe) nabijheid van een persoon, te weten [slachtoffer C.]

(een medewerker van de Forensische Opsporingsdienst van de Politie Hollands

Midden), (deels) is geëxplodeerd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is

geweest dat die [slachtoffer C.] zwaar lichamelijk letsel, te weten (blijvende)

gehoorschade, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit

tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of

beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

art 308 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

primair

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een (zwaar/zware)

explosief/(vuurwerk)bom te vervaardigen/fabriceren, voorzien van een of meer

springstof(fen) (te weten RDX en/of PETN en/of TNT) en/of een of meer

pyrothechnische stof(fen) en/of een (grote) hoeveelheid flitspoeder (op basis

van kaliumperchloraat en aluminium), en/of (vervolgens) dit/deze

explosief/(vuurwerk)bom te bevestigen aan een aan/op een flitspaal en/of

snelheidscamera (gelegen op de openbare weg, in de middenberm van de

Voorschoterweg, nabij de kruising met de Leidseweg) en/of dit/deze

explosief/(vuurwerk)bom (aldaar) achter te laten , terwijl daarvan

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer A.]

en/of [slachtoffer B.] en/of [slachtoffer C.] en/of een of meer ander(en) in elk

geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander

of anderen, en/of gemeen gevaar voor de flitspaal en/of (ander)

straatmeubilair, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter

uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

ontploffing te weeg te brengen,

met dat opzet:

-een (metalen/ijzeren) pijp/buis/koker heeft (dicht)gelast en/of (vervolgens)

-deze (metalen/ijzeren) pijp/buis/koker heeft gevuld met een of meer

springstof(fen) (te weten RDX en/of PETN en/of TNT) en/of een of meer

pyrotechnische stof(fen) en/of flitspoeder (op basis van kaliumperchloraat en

aluminium) en/of (vervolgens)

-aan deze (metalen/ijzeren) pijp/buis/koker een lont, althans een

ontstekingsmechanisme, heeft bevestigd, en/of

-(aldus) een (zwaar) explosief en/of een zelfgemaakte (vuurwerk)bom heeft

vervaardigd/gefabriceerd en/of (vervolgens)

-dit/deze explosief en/of zelfgemaakte (vuurwerk)bom aan/op een flitspaal

en/of snelheidscamera (gelegen op de openbare weg, in de middenberm van de

Voorschoterweg, nabij de kruising met de Leidseweg), heeft bevestigd, en/of

-dit/deze explosief/(vuurwerk)bom (aldaar) heeft achtergelaten (teneinde op

een later tijdstip terug te keren om (het lont van) het/de

explosief/zelfgemaakte (vuurwerk)bom af/aan te steken,

terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor

[slachtoffer A.] en/of [slachtoffer B.] en/of [slachtoffer C.] en/of een of meer

ander(en) in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor een ander of anderen, en/of gemeen gevaar voor de flitspaal en/of

(ander) straatmeubilair, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of te

duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 157 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter

voorbereiding van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om opzettelijk een ontploffing te weeg te brengen (terwijl daarvan

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer A.]

en/of [slachtoffer B.] en/of [slachtoffer C.], in elk geval levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten

was en/of gemeen gevaar voor de flitspaal en/of (ander) straatmeubilair, in

elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was), opzettelijk

-een explosief en/of een (metalen/ijzeren) pijpbom en/of een (metalen/ijzeren)

(dicht)gelaste pijp/buis/koker en/of

-een of meer springstof(fen) (RDX en/of PETN en/of TNT) en/of

-(een grote hoeveelheid) pyrotechnische stof(fen) en/of een (grote)

hoeveelheid flitspoeder (op basis van kaliumperchloraat en aluminium);

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft vervaardigd en/of verworven

en/of voorhanden heeft gehad;

art 157onder 2º en 1º jo. art 46 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk,

althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam:

-een (metalen/ijzeren) pijp/buis/koker heeft (dicht)gelast en/of (vervolgens)

-deze (metalen/ijzeren) pijp/buis/koker heeft gevuld met een of meer

springstof(fen) (te weten RDX en/of PETN en/of TNT) en/of een of meer

pyrotechnische stof(fen) en/of flitspoeder (op basis van kaliumperchloraat en

aluminium) en/of (vervolgens)

-aan deze (metalen/ijzeren) pijp/buis/koker een lont, althans een

ontstekingsmechanisme, heeft bevestigd, en/of

-(aldus) een (zwaar) explosief en/of een zelfgemaakte (vuurwerk)bom heeft

vervaardigd/gefabriceerd en/of (vervolgens)

-dit/deze explosief en/of zelfgemaakte (vuurwerk)bom aan/op een flitspaal

en/of snelheidscamera (gelegen op de openbare weg, in de middenberm van de

Voorschoterweg, nabij de kruising met de Leidseweg), heeft bevestigd,

-en/of dit/deze explosief/(vuurwerk)bom (aldaar) heeft achtergelaten

waarna dit/deze explosief/(vuurwerk)bom op enig moment (deels) is

geexplodeerd, althans waarna op enig moment een ontploffing is ontstaan,

terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor

[slachtoffer A.] en/of [slachtoffer B.] en/of [slachtoffer C.], in elk geval

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of

anderen, ontstond en/of gemeen gevaar voor de flitspaal en/of (ander)

straatmeubilair, in elk geval gemeen gevaar voor goederen ontstond;

art 158 onder 2º en 1º Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Voorschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

(zelfgemaakt) explosief en/of een (zelfgemaakte) (vuurwerk)bom en/of een

pijpbom (te weten een (metalen/ijzeren) pijp/buis/koker, gevuld met een of

meer springstof(fen) (te weten RDX en/of PETN en/of TNT) en/of een of meer

pyrotechnische stof(fen) en/of flitspoeder (op basis van kaliumperchloraat en

aluminium),in elk geval een wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie van

Categorie II, genoemd onder 7, zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het

treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,

voorhanden heeft/hebben gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet Wapens en Munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 jo. art 55 lid 3 ahf/ond a Wet Wapens en munitie.

Dagvaarding II:

1.

hij op of omstreeks 11 januari 2011 te Voorschoten wederrechtelijk is

binnengedrongen in een woning gelegen aan de [a-straat] en in

gebruik bij [persoon D.], althans bij een ander of anderen dan bij

verdachte;

art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Ter berechting wordt gevoegd de zaak met parketnummer 09/647927-10

hij op of omstreeks 04 mei 2010 te Voorschoten opzettelijk een persoon (te

weten [persoon E.]), meermalen, althans eenmaal in het gezicht en/of op het

lichaam heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding1

Dagvaarding I

Op zondag 23 oktober 2011 omstreeks 03.23 uur krijgt de politie een melding dat twee personen met een trapje iets bevestigen aan een flitspaal op de Voorschoterweg te Voorschoten. Ter plaatse gekomen, ziet de politie dat op een hoogte van ongeveer drie meter een voorwerp - een ijzeren staaf van ongeveer 16 centimeter met daaraan een stok en een lont - is bevestigd. Er wordt assistentie gevraagd van de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (hierna EOD). Tijdens de ontmanteling door de EOD is om 07.10 uur het explosief in de hand van een van de medewerkers van de EOD tot ontploffing gekomen. Bij deze ontploffing raken twee medewerkers van de EOD, [slachtoffer A.] en [slachtoffer B.], zwaar gewond en ook een medewerker van de Forensische Opsporingsdienst van de politie, [slachtoffer C.], raakt gewond. [A.]2 loopt ernstig letsel op aan zijn ogen en zijn rechterhand wordt door de explosie deels weggeslagen3. [slachtoffer B.]4 raakt ernstig gewond aan zijn trommelvliezen en ogen5. [slachtoffer C.] raakt gewond aan beide ogen en aan zijn gehoor6.

Onderzoek aan het explosief wijst uit dat het gaat om een zelfgemaakte vuurwerkbom, gevuld met flitspoeder, een zeer krachtig laagexplosief materiaal.

Op 28 oktober 2011, vier dagen later worden twee verdachten -na uitgebreid onderzoek door de politie- aangehouden7. Verdachte heeft op 2 november 2011 verklaard samen met een ander de vuurwerkbom te hebben vervaardigd en opgehangen8.

De belangrijkste rechtsvraag die de rechtbank dient te beantwoorden is -kortgezegd- of verdachte en zijn medeverdachte verantwoordelijk zijn voor de ontploffing en het daaruit bij de medewerkers van de EOD en FO ontstane letsel en zo ja -hoe dit juridisch dient te worden gekwalificeerd.

Dagvaarding II

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op 11 januari 2011 huisvredebreuk heeft gepleegd te Voorschoten. Voorts wordt verdachte onder feit 2 verweten dat hij op 4 mei 2010 eveneens te Voorschoten [persoon E.] heeft mishandeld.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de op dagvaarding I onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair, 3 primair, 3 subsidiair en 3 meer subsidiair tenlastegelegde feiten ((poging tot) het opzettelijk toebrengen van (zwaar lichamelijk) letsel aan de in de tenlastelegging genoemde personen) aangezien in haar visie verdachte met zijn handelen niet het opzet heeft gehad om [A.], [slachtoffer B.] en [slachtoffer C.] (zwaar lichamelijk) letsel toe te brengen.

De officier van justitie heeft eveneens vrijspraak gevorderd van feit 4 primair.

De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de op dagvaarding I onder 1 subsidiair, 2 meer subsidiair, 3 meest subsidiair, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van dagvaarding II heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd van het onder 2 tenlastegelegde feit. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank het feit bewezen zal verklaren.

3.3 Het standpunt van de verdediging

Dagvaarding I

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte met het vervaardigen van de vuurwerkbom en het ophangen daarvan aan de flitspaal enkel de vernieling van de flitspaal voor ogen heeft gehad. Elk opzet, ook in voorwaardelijke zin, tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [A.], [slachtoffer B.] en [slachtoffer C.] heeft bij verdachte ontbroken. De raadsvrouw heeft dan ook vrijspraak bepleit van de onder 1 primair, 2 primair en subsidiair, 3 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten.

Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte de bom heeft gemaakt en opgehangen aan de flitspaal, doch dat daarmee zijn handelen is opgehouden. Het feit dat een ander de vuurwerkbom van de flitspaal heeft gehaald en dat daarna iets mis is gegaan bij de ontmantelingprocedure door een derde kon verdachte niet voorzien. Verdachte kan dan ook niet verantwoordelijk worden gesteld voor de ernstige gevolgen van de explosie. De raadsvrouw heeft derhalve eveneens vrijspraak bepleit voor de feiten 1 subsidiair, 2 meer subsidiair en 3 meest subsidiair.

De raadsvrouw heeft tevens vrijspraak bepleit van feit 4 primair en subsidiair. Ten aanzien van feit 4 primair heeft de raadsvrouw betoogd dat het juist niet de verdachte is geweest die de vuurwerkbom tot ontploffing heeft gebracht. Ten aanzien van het subsidiaire feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat onduidelijk is wat de consequenties zouden zijn geweest indien de vuurwerkbom daadwerkelijk tot ontploffing zou zijn gekomen, daar dit niet nader is onderzocht, zodat vrijspraak dient te volgen.

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsvrouw opgemerkt dat het niet evident is dat hier sprake is van een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie. Ook voor dit feit heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit.

Dagvaarding II

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 2 wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Met betrekking tot feit 1 is de raadsvrouw van mening dat dit feit bewezen kan worden verklaard, maar dat verdachte hiervoor dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Vrijspraak opzetdelicten

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [A.], [slachtoffer B.] en [slachtoffer C.]. Evenzo ontbreekt het opzet, ook in voorwaardelijke zin, ten aanzien van de poging zware mishandeling van [slachtoffer B.] en [slachtoffer C.] alsook ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer C.]. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de feiten 1 primair, 2 primair en subsidiair en 3 primair, subsidiair en meer subsidiair.

Vrijspraak feit 4 primair

De rechtbank zal verdachte eveneens vrij spreken van feit 4 primair. De rechtbank is evenals de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat verdachte de vuurwerkbom niet daadwerkelijk tot ontploffing heeft gebracht.

De schulddelicten

Verdachte heeft bij de politie verklaard 9 dat hij samen met de medeverdachte [B.] in de nacht van 22 op 23 oktober 2011 "dat ding" heeft gemaakt en opgehangen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [medeverdachte B.] en hij samen naar de schuur zijn gegaan en dat [B.] heeft staan toekijken hoe hij de buis voor de vuurwerkbom heeft dichtgelast. Beiden waren zich, volgens verdachte, bewust van hetgeen zij aan het vervaardigen waren. Na het lassen hebben verdachte en zijn medeverdachte samen in de keuken de buis gevuld met kruit dat zij uit een aantal Cobra's, die verdachte nog had liggen, hadden gehaald. De verdachte heeft verklaard dat zij om de beurt kruit met een lepeltje in de buis hebben gegoten. Zij hebben volgens verdachte de inhoud van ongeveer acht Cobra's gebruikt. Nadat de buis was dicht gemaakt, heeft verdachte een groen lont van ongeveer 80 centimeter lengte aan de buis bevestigd. Verdachte heeft verklaard dat dit lont van [B.] kwam. Het lont was tegen een bamboestok bevestigd opdat het niet zou opkrullen, zodat de vuurwerkbom veiliger en eenvoudiger was aan te steken. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het van het begin af aan voor beiden duidelijk was dat de vuurwerkbom was bedoeld om de flitspaal te vernielen. Verdachte had eerder die dag tijdens een gezamenlijk uitje naar Hellendoorn met [B.] gesproken over het vernielen van de flitspaal.

Toen de vuurwerkbom gereed was, zijn de verdachte en [B.] in de auto van [B.] met de vuurwerkbom en een keukentrapje naar de flitspaal gereden. Nadat zij op de Voorschoterweg waren uitgestapt hield verdachte het explosief vast en droeg [B.] het trapje. Eenmaal bij de flitspaal aangekomen is verdachte op het trapje gaan staan en heeft het explosief met tape op de flitspaal geplakt terwijl [B.] de trap vast hield. [B.] 10 heeft bij de politie verklaard dat hij de trap heeft vastgehouden en stukken tape heeft afgescheurd en aangegeven om het explosief te bevestigen. Nadat de vuurwerkbom aan de flitspaal was bevestigd zijn [A.] en [B.] in de auto teruggereden naar het huis van verdachte met de bedoeling dat verdachte later op de fiets zou terugkeren naar de flitspaal om het lont aan te steken en de vuurwerkbom tot ontploffing te brengen. Verdachte heeft verklaard dat hij de vuurwerkbom niet direct afstak omdat je op de fiets eerder weg kunt en de kans kleiner is dat iemand je ziet. Toen verdachte op de fiets terug kwam zag hij dat er een auto met oranje knipperlichten bij de flitspaal stond en is hij weer weggefietst.

De verklaringen van verdachte over de gang van zaken op de Voorschoterweg voor en tijdens het bevestigen van de vuurwerkbom aan de flitspaal wordt bevestigd door de verklaringen van verschillende getuigen.

De getuige - en melder - [getuige 1] heeft bij de politie 11 verklaard dat hij omstreeks 03:10 uur voor de eerste keer langs de flitspaal reed. Hij zag toen twee mannen op de middenberm staan op een afstand van ongeveer 5 meter van de flitspaal. De ene man had een soort statief vast, de andere een soort plaat. Daaruit stak een soort koker met een bol erop. De getuige kwam ongeveer 10 minuten later voor de tweede keer langs de flitspaal. Op dat moment stonden de beide mannen bij de flitspaal. De getuige zag dat het voorwerp waarvan hij aanvankelijk dacht dat het een statief was een keukentrapje met een boog erop was. Eén van de mannen stond op de trap, bovenop de boog, terwijl de andere man hem en de trap vasthield. De getuige heeft verklaard dat het leek alsof de mannen iets aan het monteren waren omdat de man op de trap met beide handen omhoog stond aan de voorzijde van de flitspaal. De getuige heeft om 03:23 uur besloten de politie te bellen.

De getuige [getuige 2] 12 heeft ook gezien dat op zondag 23 oktober 2011 omstreeks 03:15 uur twee personen bij de flitspaal stonden. Hij zag dat er een ladder tegen de flitspaal stond en dat één van de personen op de ladder stond. De getuige zag dat deze persoon op gelijke hoogte was met de kast van flitspaal. Deze persoon had iets in zijn handen dat leek op tape, het was niet groot en licht van kleur. De tweede persoon had de ladder vast waarop de eerste persoon stond.

Deze beide verklaringen worden ondersteund door de verklaringen van de getuige [getuige 3]13 en de getuige [getuige 4]14.

Inhoud van de vuurwerkbom

De deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) 15 heeft op basis van de analyseresultaten vastgesteld dat de lading van de constructie hoofdzakelijk een flitspoeder op basis van kaliumperchloraat en aluminium betrof. De deskundige concludeert dat indien bij een intacte constructie de explosieve lading tot ontbranding zou worden gebracht, de metalen constructie door de explosieve verbranding van de lading en de zeer snelle drukopbouw vrijwel zeker zou verscherven en een zeer luide knal veroorzaken. Hierbij ontstaat gevaar voor ernstig tot dodelijk letsel voor personen in de nabije omgeving tot circa 10 meter en ontstaat gevaar voor lichamelijk letsel zoals oogletsel en gehoorschade in de omgeving tot tientallen meters.

Op basis van het onderzoek door het NFI is nader onderzoek gedaan door het Forensic Explosives Laboratory (FEL) 16. Ook uit dit onderzoek komt naar voren dat de buis hoogstwaarschijnlijk gevuld was met flitspoeder, een zeer krachtig laagexplosief materiaal. Indien dit bijvoorbeeld in een zware metalen buis wordt gestopt en wordt aangestoken dan zou er zeer snel een explosieve verbranding kunnen plaatsvinden. Als de afsluiting voldoende is zou een ontploffing kunnen plaatsvinden. Flitspoeder is gevoelig voor ontbranding door een vonk, hitte, vlam, frictie of impact. In het aanvullend rapport van het FEL 17 komt de deskundige tot de

conclusie dat geïmproviseerde pijpbommen van nature gevaarlijk zijn en zich onvoorspelbaar kunnen gedragen maar dat een pijpbom gevuld met een mengsel van voor handelsdoeleinden vervaardigd buskruit en flitspoeder niet spontaan tot ontsteking komt. Om af te gaan is er voor een pijpbom van dit type een of andere vorm van fysieke stimulus vereist.

Ontploffing tijdens de ontmanteling

Toen de vuurwerkbom na de melding werd ontdekt is de EOD, bestaande uit een ploeg van twee ruimers -een ploegcommandant en een tweede man- en een chauffeur, ter plaatse gekomen. Na beoordeling van de situatie ter plaatse is door de EOD overwogen hoe het explosief verwijderd moest worden. Vervolgens heeft de ploegcommandant, in beschermende kleding, het voorwerp van de flitspaal verwijderd 18. Daarna zijn door hem röntgenfoto's gemaakt. Terwijl de politie op een veilige afstand meekeek, is de ploegcommandant, gekleed in het veiligheidspak, vervolgens overgegaan tot het openen van het explosief. Na overleg zijn de twee ruimers van de EOD zonder beschermende kleding teruggelopen naar de plaats waar het explosief lag. Door de ploegcommandant van de EOD is besloten dat het explosief veilig genoeg was, om door de medewerker van Forensische Opsporing te laten bekijken. De tweede man van de EOD heeft gecontroleerd of de lading geheel uit het explosief was verwijderd. Bij deze handelingen is omstreeks 07:10 uur het explosief in de hand van deze EOD medewerker ontploft19. Bij de explosie raken [slachtoffer A.], [slachtoffer B.] en [slachtoffer C.] gewond.

Naar aanleiding van de ontploffing is intern onderzoek verricht door de EOD naar de gang van zaken tijdens de ontmanteling. Uit de appreciatie van de commandant van de EOD 20 blijkt dat de Commissie van Intern Onderzoek geen aanwijzingen heeft gevonden voor nalatigheid of verwijtbaar gedrag bij de gevolgde procedure ten tijde van de ontmanteling. Wel concludeert de commissie dat op enkele belangrijke punten in de communicatie is tekort geschoten en dat het sein veilig onterecht dan wel voortijdig is gegeven. De commissie benadrukt ten slotte de complexiteit van een dergelijke operatie.

Causaal verband

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er causaal verband is tussen het handelen van verdachte en de ontploffing van het explosief met de gevolgen die zich daarbij hebben voorgedaan.

De rechtbank overweegt dat verdachte samen met zijn medeverdachte een vuurwerkbom met zeer krachtig, laag explosief materiaal heeft vervaardigd en deze samen met zijn medeverdachte op de openbare weg aan een flitspaal heeft bevestigd. Vervolgens zijn verdachte en zijn medeverdachte weg gegaan en hebben de vuurwerkbom onbeheerd achtergelaten op de openbare weg waar ook op dat tijdstip mensen passeerden, waardoor zij een zeer gevaarzettende situatie hebben gecreëerd. Uit de rapportages van de deskundigen volgt dat een geïmproviseerde vuurwerkbom als de onderhavige van nature gevaarlijk is en zich onvoorspelbaar kan gedragen. Na ontdekking is prudent gehandeld door inschakeling van de EOD, een dienst gespecialiseerd in het onschadelijk maken van gevaarlijke explosieven. Het explosief bleek zo gevaarlijk dat het uitsluitend door ontmanteling onschadelijk kon worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, door een dergelijk laagexplosief materiaal onbeheerd op die flitspaal op de openbare weg achter te laten een dusdanig gevaar in het leven geroepen dat een mogelijke ontploffing in beginsel aan hem valt toe te rekenen. Immers, verdachte had redelijkerwijs moeten en kunnen voorzien dat de onbeheerd achtergelaten en zeer gevaarlijke vuurwerkbom op enig moment, bijvoorbeeld door handelen van willekeurige voorbijgangers, dan wel door handelingen die bij het verwijderen en ontmantelen van het explosief zouden worden verricht, tot ontploffing zou kunnen komen. Dit betekent dat het causale verband tussen het bevestigen van het explosief en een mogelijke ontploffing in beginsel gegeven is. De vraag die resteert is of zich voorafgaand en tijdens de ontmanteling zodanige omstandigheden hebben voorgedaan dat de ontploffing redelijkerwijs niet meer aan de verdachte is toe te rekenen. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding en overweegt hieromtrent het volgende. Hoewel niet duidelijk is geworden wat de exacte oorzaak van de explosie is geweest, blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting genoegzaam dat de medewerkers van de EOD de complexe procedure bij de ontmanteling op een zorgvuldige en correcte wijze hebben doorlopen. Dat daarbij hun onderlinge communicatie tekort is geschoten en zij ten onrechte dan wel te vroeg hebben gemeend dat de situatie veilig genoeg was, is niet van dien aard dat daardoor de causale keten wordt doorbroken.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ontploffing en daarmee het letsel van [slachtoffer A.], [slachtoffer B.] en [slachtoffer C.] redelijkerwijs als gevolg van de handelingen van verdachte aan hem kunnen worden toegerekend.

Dat verdachte de gevolgen zoals deze zijn opgetreden niet heeft gewild, doet hieraan niet af.

Gevolgen van de ontploffing

Bij [slachtoffer A.] is door de ontploffing van de vuurwerkbom een deel van zijn rechterhand weggeslagen. Gezien de ernst van de verwonding was het noodzakelijk de onderarm op 7 centimeter van het gewricht te amputeren. 21 Tevens heeft [A.] letsel aan beide ogen opgelopen, waaraan hij blijvend verlies van het gezichtsvermogen heeft overgehouden 22. [A.] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij nog steeds last heeft van fantoompijnen en dat hij recent een prothese heeft gekregen waarmee hij moet leren omgaan. Met betrekking tot het letsel aan zijn ogen heeft [A.] ter terechtzitting verklaard dat hij geen licht in zijn ogen kan verdragen, zodat hij is aangewezen op het dragen van een bril met donkergekleurde glazen.

[slachtoffer B.] heeft ten gevolge van de ontploffing van de vuurwerkbom ernstig letsel aan beide trommelvliezen en beide ogen opgelopen. Het letsel aan de trommelvliezen is nog niet hersteld en het slachtoffer heeft last van permanente oorsuizingen. [ B.] heeft ter terechtzitting verklaard dat er mogelijk nog een operatie aan de trommelvliezen volgt in de hoop de klachten te doen verminderen.

[slachtoffer C.] heeft ten gevolge van de ontploffing van de vuurwerkbom letsel aan de ogen en oren opgelopen. [C.] heeft door dit letsel enige tijd zijn werk niet kunnen uitoefenen.

De rechtbank kwalificeert op grond van de medische verklaringen het letsel van [A.] en van [ B.] als zwaar lichamelijk letsel. Het letsel van [ C.] kwalificeert de rechtbank als zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden is ontstaan.

Medeplegen

Gelet op de hiervoor beschreven (voorbereidende en uitvoerende) handelingen die verdachte en de medeverdachte hebben verricht, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en derhalve van medeplegen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande en in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank de feiten 1 subsidiair, 2 meer subsidiair en 3 meest subsidiair wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4 subsidiair

De rechtbank heeft in het voorgaande geoordeeld dat verdachte een zeer gevaarzettend explosief heeft vervaardigd en op de openbare weg aan een flitspaal heeft bevestigd. Vast is komen te staan dat door de ontploffing van het explosief gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was en dat verdachte zich hiervan bewust had moeten zijn. De rechtbank weegt hierbij mee dat ook op dat tijdstip met regelmaat mensen passeerden. Onder verwijzing naar de eerdere genoemde rapportages van het NFI en het FEL met betrekking tot de inhoud en de gevaarzetting van de vuurwerkbom is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast komen te staan dat sprake is geweest van een vuurwerkbom die -indien aangestoken- zou zijn geëxplodeerd, met andere woorden: een deugdelijk middel. Dat niet daadwerkelijk is onderzocht wat de consequenties zouden zijn geweest indien de vuurwerkbom daadwerkelijk tot ontploffing zou zijn gekomen doet hier niet aan af.

Het terugrijden door de verdachte naar de flitspaal om het lont aan te steken kan naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als een handelen dat gericht was op de voltooiing van het misdrijf. De rechtbank overweegt daarbij dat verdachte heeft verklaard 23 dat hij uitsluitend niet het lont heeft aangestoken en het explosief tot ontploffing heeft gebracht, omdat hij bij aankomst op de fiets een auto met oranje lichten bij de flitspaal zag staan. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet hierop het besluit om het explosief niet aan te steken niet worden aangemerkt als vrijwillige terugtred. Immers het niet aansteken kan redelijkerwijs niet worden toegerekend aan van de wil van verdachte afhankelijke omstandigheden.

De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5

Gelet op hetgeen de rechtbank in het voorgaande heeft vastgesteld ten aanzien van de vuurwerkbom en de inhoud en gevaarzetting daarvan, is de rechtbank van oordeel dat dit een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie, van categorie II, betreft. Dat niet daadwerkelijk is onderzocht of de onderhavige vuurwerkbom ook een functionerende bom zou zijn geweest, onder meer omdat reconstructie door het FEL is ontraden, doet hier niet aan af. De rechtbank acht ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Dagvaarding II

Feit 1

Op grond van de aangifte van [persoon D.]24, het proces-verbaal van bevindingen25 en de verklaring van verdachte26 en het dossier acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat en zal de verdachte van dit feit vrijspreken.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

Dagvaarding I

1

subsidiair:

hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten tezamen en in vereniging met een ander grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig een (zwaar/zware) explosief/(vuurwerk)bom heeft vervaardigd en vervolgens dit/deze explosief/(vuurwerk)bom heeft bevestigd aan een (zich op de openbare weg bevindende) flitspaal en dit/deze explosief/(vuurwerk)bom aldaar heeft achtergelaten, welk(e) explosief/(vuurwerk)bom vervolgens op enig moment in de directe nabijheid van [slachtoffer A.] (een medewerker van de Explosieven Opruimingsdienst), deels is geëxplodeerd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer A.] zwaar lichamelijk letsel (te weten een deels weggeslagen rechterhand, met bloot liggende botten en/of ernstig letsel aan de weke delen, waardoor een amputatie van de rechter onderarm op 7 centimeter van het gewricht noodzakelijk was, en letsel aan het hoornvlies van het rechteroog met aanzienlijk verlies van gezichtsvermogen heeft bekomen;

2.

meer subsidiair:

hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten tezamen en in vereniging met een ander grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig een (zwaar/zware) explosief/(vuurwerk)bom heeft vervaardigd en vervolgens dit/deze explosief/(vuurwerk)bom heeft bevestigd aan een (zich op de openbare weg bevindende) flitspaal en dit/deze explosief/(vuurwerk)bom aldaar heeft achtergelaten, welk(e) explosief/(vuurwerk)bom vervolgens op enig moment in de directe nabijheid van [slachtoffer B.] (medewerker van de Explosieven

Opruimingsdienst), deels is geëxplodeerd, waardoor het aan zijn schuld te

wijten is geweest dat die [slachtoffer B.] zwaar lichamelijk letsel, te

weten (een) weggeslagen en beschadigd(e) trommelvlies/trommelvliezen

en oogletsel, heeft bekomen

3.

meest subsidiair:

hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten tezamen en in vereniging met een ander grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig een (zwaar/zware) explosief/(vuurwerk)bom heeft vervaardigd en vervolgens dit/deze explosief/(vuurwerk)bom heeft bevestigd aan een zich op de openbare weg bevindende flitspaal en dit/deze explosief/(vuurwerk)bom aldaar heeft achtergelaten , welk(e) explosief/(vuurwerk)bom vervolgens op

enig moment in de directe nabijheid van [slachtoffer C.] (een medewerker van de Forensische Opsporingsdienst van de Politie Hollands Midden), deels is geëxplodeerd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer C.]

gehoorschade, heeft bekomen, zijnde zodanig lichamelijk letsel dat daaruit

tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of

beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

4.

subsidiair:

hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten tezamen en in vereniging met een ander ter

uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing te weeg te brengen, met dat opzet:

-een (metalen) pijp heeft dichtgelast en vervolgens

-deze (metalen) pijp heeft gevuld met flitspoeder (op basis van kaliumperchloraat en

aluminium) en vervolgens

-aan deze (metalen) pijp een lont, althans een ontstekingsmechanisme, heeft bevestigd, en

-aldus een (zwaar) explosief/(vuurwerk)bom heeft vervaardigd en vervolgens

-dit/deze explosief/(vuurwerk)bom aan een flitspaal gelegen op de openbare weg, in de middenberm van de Voorschoterweg, nabij de kruising met de Leidseweg, heeft bevestigd, en

-dit/deze explosief/(vuurwerk)bom aldaar heeft achtergelaten teneinde op

een later tijdstip terug te keren om het lont van het/de explosief/(vuurwerk)bom aan te steken,

terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, en gemeen gevaar voor de flitspaal en (ander) straatmeubilair, te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten tezamen en in vereniging met een ander een

zelfgemaakt explosief/(vuurwerk)bom (te weten een (metalen) pijp, gevuld met

flitspoeder (op basis van kaliumperchloraat en aluminium),in elk geval een wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie van Categorie II, genoemd onder 7, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.

dagvaarding II

1.

hij op 11 januari 2011 te Voorschoten wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan de Vredenhoeffstraat 48 en in gebruik bij [persoon D.].

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van de op dagvaarding I onder 1 subsidiair, 2 meer subsidiair, 3 meest subsidiair, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde feiten strafbaar is, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Ten aanzien van het op dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde feit heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ten tijde van het strafbare feit ernstige problemen had met zijn geestelijke gezondheid. De officier van justitie concludeert dat verdachte ten aanzien van dit feit wel strafbaar is en schuldigverklaring kan volgen, maar dat dit feit niet tot (extra) straf leidt in haar eis.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte voor het op dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde feit niet strafbaar is omdat hij tijdens het plegen van het feit ontoerekeningsvatbaar was. De raadsvrouw heeft hierbij verwezen naar haar brief d.d. 31 oktober 2012 met als bijlage de beschikking met betrekking tot de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in een psychiatrisch ziekenhuis van 17 januari 2011.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Voor wat betreft het op dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde is de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel dat gelet op de door de verbalisanten in het proces verbaal van bevindingen weergegeven gemoedstoestand van verdachte en de voornoemde door de raadsvrouw overgelegde beschikking is komen vast te staan dat verdachte ten tijde van het plegen van dit feit dusdanige problemen had met zijn geestelijke gezondheid, dat het feit niet aan hem kan worden toegerekend. De rechtbank is dus van oordeel dat verdachte ten aanzien van dit feit niet strafbaar is en zal verdachte ten aanzien hiervan ontslaan van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van alle overige feiten acht de rechtbank verdachte wel strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de op dagvaarding I onder 1 subsidiair, 2 meer subsidiair, 3 meest subsidiair, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde feiten en het op dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest met daarbij een voorwaardelijke straf en eventueel een taakstraf, waardoor verdachte zo snel mogelijk zou kunnen aanvangen met de door de deskundigen geadviseerde behandeling en hij zijn leven weer zou kunnen oppakken en de band met zijn pasgeboren kind zou kunnen worden uitgebouwd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 23 oktober 2011 samen met zijn medeverdachte een zeer gevaarlijke vuurwerkbom vervaardigd en deze aan een flitspaal op de openbare weg te Voorschoten bevestigd. Vervolgens is verdachte weggegaan met het plan om even later terug te komen om het lont van de vuurwerkbom aan te steken en de bom te laten exploderen. Bij terugkomst zag verdachte dat er een auto bij de flitspaal stond en is hij weer naar huis gegaan en gaan slapen. Verdachte heeft door zijn handelen een zeer gevaarlijke situatie in het leven geroepen en het interesseerde hem niets dat deze situatie door anderen zou moeten worden opgeruimd. Dit rekent de rechtbank hem zwaar aan. Daarbij neemt de rechtbank het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij, terwijl hij zag dat er mensen bij de flitspaal met de vuurwerkbom stonden en hij wist dat deze kruit van acht Cobra's bevatte, hen niet heeft gewaarschuwd voor deze zwaar explosieve inhoud. Verdachte heeft ook daarbij alleen aan zichzelf gedacht en zich uit de voeten gemaakt.

De vuurwerkbom is enkele uren later ontploft waarbij medewerkers van de EOD en FO gewond zijn geraakt. Daarbij hebben twee medewerkers van de EOD zwaar lichamelijk letsel opgelopen, met de gevolgen waarvan zij nog dagelijks worden geconfronteerd. Het staat vast dat de slachtoffers van deze explosie naast de fysieke gevolgen ook nog jaren last zullen hebben van de psychische gevolgen. Dat niet meer mensen zijn verwond ten gevolge van de explosie is niet aan verdachte te danken maar berust op toeval.

Het handelen van verdachte heeft tevens grote onrust in de maatschappij teweeg gebracht.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

31 oktober 2011 betreffende verdachte waaruit blijkt dat de verdachte reeds meermalen met justitie in aanraking is geweest.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennis genomen

van het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia, gedateerd 8 mei 2012, opgesteld door A.M.M. Reijken, psychiater. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat bij de verdachte sprake is van ADHD (gecombineerde type), afhankelijkheid van alcohol en drugs, een dysthyme stoornis en een lichte persoonlijkheidsproblematiek. Door de ADHD is verdachte niet kunnen uitgroeien tot een stabiele persoonlijkheid. Door de onrijpe persoonlijkheid en het impulsieve handelen van verdachte, veroorzaakt door de ADHD, heeft hij meermalen asociaal gedrag vertoond. Dit asociale gedrag wordt versterkt door het gebruik van middelen. Zowel de zaken die verdachte in het verleden ten laste zijn gelegd als de huidige tenlastelegging zijn voor een groot deel gepleegd onder invloed van middelen. De dag van de ten laste gelegde feiten had verdachte cannabis en ketamine gebruikt, middelen waarvan bekend is dat deze het denkvermogen verminderen. Voorts is van mensen met ADHD bekend dat ze impulsief kunnen handelen en tegelijk dat ze, wanneer ze eenmaal op iets zijn gericht, zich daar volledig op kunnen concentreren en dat dan omgevingsfactoren niet/nauwelijks van invloed kunnen zijn op hun handelen (hyperfocus). Hiervan lijkt ook bij verdachte sprake te zijn geweest. Verdachte had al eerder geprobeerd de flitspaal te vernielen en hanteerde daarbij steeds zwaardere middelen. Hij verklaart zelf totaal niet te hebben nagedacht over gevaren voor andere mensen of goederen.

Indien het ten laste gelegde wordt bewezen verklaard, kan worden aangenomen dat de ADHD, het middelengebruik en de onrijpe persoonlijkheid een rol hebben gespeeld bij het delict. De verdachte kan door de ADHD onvoldoende overzien wat de verschillende gedragsmogelijkheden zijn die hij heeft. Hij zal in de meeste gevallen al gehandeld hebben, voordat hij kan bedenken wat alternatieve mogelijkheden zijn. Op grond hiervan acht de psychiater verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

De kans op recidive wat betreft strafbare feiten die verband houden met vuurwerk wordt door de psychiater klein geacht. Het risico op andersoortige incidenten wordt echter groot geacht, aangezien de verdachte impulsief handelt en een onrijpe persoonlijkheid heeft.

De psychiater komt tot de conclusie dat het belangrijk is dat de verdachte wordt behandeld. Deze behandeling dient gericht te zijn op zowel de behandeling van de ADHD als op het clean blijven van de verdachte. Gezien het feit dat verdachte zelf denkt dat hij wel op eigen kracht clean kan blijven en hij onvoldoende inzicht toont in zijn eigen ziektebeeld, is behandeling in een gedwongen kader in een gespecialiseerde instelling als De Waag van belang. Tevens is een life-styletraining bij Palier aangewezen om abstinentie van middelen te waarborgen. Dit zal moeten plaatsvinden onder streng en langdurig toezicht van de reclassering en verdachte zal veelvuldig gecontroleerd moeten worden op het gebruik van middelen.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het psychologisch rapport Pro Justitia, gedateerd 8 mei 2012, opgesteld door drs. M.H. Keppel, GZ-psycholoog met assistentie van drs. S.P. van der Hoorn, psycholoog i.o. GZ-psychloog. De psychologen volgen in hun conclusies het rapport van de psychiater. Ook zij zijn van oordeel dat verdachte ten tijde van het strafbare feit als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Op grond van de ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte kan gesteld worden, dat hij wat betreft het in het bezit hebben van de vuurwerkbom en het laten ontploffen daarvan met kans op levensgevaar, in staat was het ontoelaatbare van zijn handelen in te zien en dat hij in verminderde mate in staat was om adequate gedragskeuzes te maken en volgens dat inzicht te handelen. De ADHD problematiek is bij verdachte dusdanig ernstig, dat hij de controle miste over zijn gedrag en zijn plan om een flitspaal op te blazen niet rustig kon overdenken of de gevolgen hiervan kon overzien. De psychologen concluderen dat de recidivekans op ongeoorloofd en gewelddadig gedrag als verhoogd moet worden ingeschat, indien geen behandeling zal plaats vinden. De psychologen adviseren, indien de feiten worden bewezen, een deels voorwaardelijke straf op te leggen met dezelfde bijzondere voorwaarden als door de psychiater geadviseerd.

Ten slotte heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland, gedateerd 10 april 2012. Uit het advies komt naar voren dat de reclasseringswerker S.J.R. Heemskerk tot dezelfde conclusies omtrent de persoonlijkheid van verdachte komt als de psychiater en de psycholoog. De reclasseringswerker adviseert conform de NIFP rapporten.

De rechtbank acht zich door de rapportages voldoende voorgelicht en maakt de conclusies tot de hare.

Gelet op het vorenstaande en in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank na te melden deels onvoorwaardelijke, gevangenisstraf passend en geboden.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met het feit dat sprake is van eendaadse samenloop van de feiten 1 tot en met 4. Voorts heeft de rechtbank gewicht toegekend aan de conclusie dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en heeft zij rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregelen

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A.] tot een bedrag van € 227.000,= en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 227.000,=, subsidiair 365 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A].

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer B.] tot een bedrag van € 16.526,46.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 16.526,46, subsidiair 117 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer B.].

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer C.] tot een bedrag van € 446,65.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 446,65, subsidiair 8 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer C.] .

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partij Politie Hollands Midden tot een bedrag van € 869,35.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 869,35, subsidiair 17 dagen hechtenis ten behoeve van de Politie Hollands Midden .

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij gemeente Voorschoten.

De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van de vorderingen gevorderd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de vorderingen worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsvrouw niet ontvankelijkheid verklaring van de vorderingen bepleit wegens het ontbreken van het rechtstreekse gevolg met het eventueel bewezen te verklaren feit. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht alle vorderingen niet ontvankelijk te verklaren omdat zij te ingewikkeld zijn om tijdens deze strafprocedure te worden behandeld.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer A.], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 212.799,=, welk bedrag wordt gevorderd als voorschot op de nader te begroten schade. De raadsman van de benadeelde partij heeft het gevorderde voorschot ter terechtzitting naar boven bijgesteld tot € 227.440,=.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post 1, een beschadigde jas ad € 250,--, is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit. Dit deel van de vordering ligt derhalve voor toewijzing gereed. Ook de posten 6 en 7, de daggeldvergoedingen voor de ziekenhuisopname en het verblijf in het revalidatiecentrum acht de rechtbank voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten 2, 4, 5 en

8 , de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank licht dit als volgt toe. Met betrekking tot de gevorderde gederfde toelagen kan uit de onderbouwing (productie 3) niet zonder meer worden opgemaakt dat [A.] deze bedragen zou ontvangen. Het betreffen overzichten van munitieruimers en andere functionarissen in het algemeen. Derhalve behoeft dit deel van de vordering een nadere onderbouwing. De post zelfwerkzaamheid is voor wat betreft de verschenen schade onderbouwd met een offerte voor schilders- en stucadoorswerkzaamheden. Onduidelijk is of deze kosten ook daadwerkelijk zijn gemaakt en of het dus schade betreft die voor vergoeding in aanmerking komt. De toekomstige vordering met betrekking tot de zelfwerkzaamheid is voorts in redelijkheid niet te begroten, nu er nog geenszins sprake is van een medische eindsituatie. Met betrekking tot de kosten voor rechtsbijstand overweegt de rechtbank dat uit de stukken niet kan worden opgemaakt of [A.] een rechtsbijstandsverzekering heeft en in hoeverre derhalve sprake is van directe schade voor [A.]. Met betrekking tot deze posten kan de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 45.000,- bij wijze van voorschot toewijzen. De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen

De rechtbank zal derhalve het gevorderde voorschot toewijzen tot een bedrag van € 46.524,--.

Dit bedrag zal vermeerderd worden met de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval, derhalve vanaf 23 oktober 2011 tot aan de dag van volledige voldoening.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 46.524,-- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer A.].

[slachtoffer B.], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 16.526,46, als voorschot op een nader te begroten schade.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten 1 (beschadigde jas ad € 120,--), 2 (beschadigd t-shirt ad € 25,--) en 5 (reiskosten ad € 283,46), is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde feit. Deze posten zijn derhalve voor toewijzing vatbaar. Dit geldt eveneens voor de gevorderde gemiste inkomsten ad € 598,--. Ter zitting heeft de raadsman dit deel van de vordering uitgebreid met een bedrag voor twintig gemiste overuren. Hij heeft dit onderbouwd met een salarisspecificatie van 10 mei 2012. Hierin staat onder meer vermeld een overwerkvergoeding VROB over de periode van 1 januari 2012 tot 31 januari 2012. Hieruit kan evenwel niet worden opgemaakt dat [slachtoffer B.] in de periode na het ongeval eveneens deze uren zou hebben gewerkt. Dit ter zitting uitgebreide deel van de vordering behoeft derhalve een nadere onderbouwing en zal in dit strafgeding niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post kosten voor rechtsbijstand de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Uit de stukken kan niet worden opgemaakt of [slachtoffer B.] een rechtsbijstandsverzekering heeft en in hoeverre derhalve sprake is van directe schade voor [slachtoffer B.]. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 10.000,- bij wijze van voorschot toewijzen. De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal derhalve het gevorderde voorschot toewijzen tot een bedrag van € 11.026,46.

Dit bedrag zal vermeerderd worden met de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval, derhalve vanaf 23 oktober 2011, tot aan de dag van volledige voldoening.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 11.026,46 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer B.].

A. [slachtoffer C.], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 446,65.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post schade jack ad € 444,65 is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 meest subsidiair bewezenverklaarde feit. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 402,= toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 446,65.

Dit bedrag zal vermeerderd worden met de gevorderde wettelijke rente hierover vanaf 23 oktober 2011 tot de dag van volledige voldoening.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 meest subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 446,65 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer C.].

De politie Midden Holland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 418,53 en ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 450,82.

De vorderingen (schade aan de camera en schade aan de auto) zijn voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder feit 1 subsidiair, feit 2 meer subsidiair en feit 3 meest subsidiair bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve beide vorderingen toewijzen tot een bedrag van € 869,35.

Dit bedrag zal vermeerderd worden met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 oktober 2011 tot de dag van volledige voldoening.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 869,35.

De gemeente Voorschoten, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 4063,07.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door enig bewezenverklaarde feit.

De rechtbank wijst alle vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen hoofdelijk toe.

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage C aan dit vonnis is gehecht) onder 2 tot en met 8 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte alle in beslag genomen goederen terug wil hebben.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 2 tot en met 8 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten, dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 36f, 45, 47, 55, 57, 157, 308, van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair, 3 primair, 3 subsidiair, 3 meer subsidiair en 4 primair tenlastegelegde feiten en het bij dagvaarding II onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 subsidiair, 2 meer subsidiair, 3 meest subsidiair, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde feiten en het bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

dagvaarding I

eendaadse samenloop van feit 1 subsidiair en feit 2 meer subsidiair, feit 3 meest subsidiair en feit 4 subsidiair:

- medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, meermalen gepleegd;

- medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zodanig letsel bekomt dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de ambts-of beroepsbezigheden ontstaat;

- medeplegen van poging tot het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

ten aanzien van feit 5:

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een wapen van categorie II;

dagvaarding II

ten aanzien van feit 1:

in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

verklaart de verdachte strafbaar voor de feiten 1 subsidiair, 2 meer subsidiair, 3 meest subsidiair, 4 subsidiair en 5 op dagvaarding I;

verklaart de verdachte niet strafbaar voor feit 1 op de dagvaarding II;

ontslaat verdachte ter zake van feit 1 op de dagvaarding II van alle rechtsvervolging;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 40 (VEERTIG) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 10 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder een (ambulante) behandeling zal stellen bij De Waag of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Stichting Palier of De Brijder Verslavingszorg of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde een Leefstijltraining te volgen die gericht is op de middelenafhankelijkheid;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van speed, cannabis, ketamine, alcohol en soortgelijke middelen en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd op bij Stichting Palier te Den Haag zal melden, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wijze van voorschot te betalen aan [slachtoffer A.], een bedrag van € 46.524,--, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 23 oktober 2011 tot de dag van volledige voldoening;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wijze van voorschot te betalen aan [slachtoffer B.], een bedrag van

€ 11.026,46, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 23 oktober 2011 tot de dag van volledige voldoening;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer C.], een bedrag van € 446,65, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 oktober 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan Politie Hollands Midden, een bedrag van € 869,35, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 oktober 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de benadeelde partijen [A.] en [B.] voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en dat zij dit gedeelte van de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 46.524,-- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A.];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 267 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 11.026,46 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer B.];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 446,65 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer C.];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 8 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 869,35 ten behoeve van het slachtoffer genaamd Politie Hollands Midden;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 17 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partijen de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partij Gemeente Voorschoten af;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 2 tot en met 8 genummerde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J.M. Smid-Verhage, voorzitter,

mrs O.F. Bouwman en A.J.J.M. Weijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. d'Arnaud Gerkens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar ten aanzien van de feiten op dagvaarding I wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL1620 2011160765, van de regiopolitie Hollands Midden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 001 t/m 549). Waar ten aanzien van de feiten op dagvaarding II wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit ten aanzien van feit 1 de pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL 1643 2011005487, ten aanzien van feit 2 de pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL1640 2010131856;

2 Aangifte namens [slachtoffer A.], zaaksdossier blz. 24-25

3 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier blz. 471

4 Aangifte namens [slachtoffer B.] zaaksdossier blz. 28-29

5 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer B.] zaaksdossier blz. 438

6 Aangifte Duijndam zaaksdossier blz. 36-39

7 Proces-verbaal van aanhouding, verdachtendossier [A.], blz. 2 en

Proces-verbaal van aanhouding, verdachtendossier [B.] blz. 2;

8 Proces-verbaal verhoor verdachte [A.], zaaksdossier blz. 101 ev

9 Proces-verbaal verhoor verdachte [A.], zaaksdossier blz. 103;

10 Proces-verbaal verhoor verdachte [B.], zaaksdossier blz. 213;

11 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1],getuigendossier blz. 3

12 Proces-verbaal verhoor getuige [2], getuigendossier blz. 061;

13 Proces-verbaal verhoor getuige [3], zaaksdossier blz. 366;

14 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4], zaaksdossier blz. 406;

15 Rapport Explosievenonderzoek naar aanleiding een explosie in Voorschoten op 23 oktober 2011 d.d. 22 november 2011, Forensisch dossier blz. 194-216;

16 Forensic Explosives Laboratory, Dstl Ref FEL/066/12, d.d. 30th May 2012;

17 Forensic Explosives Laboratory, Dstl Ref FEL/066/12;

18 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier blz. 470;

19 Verhoor van deskundige [expert] dd 12 april 2012 bij de rechter-commissaris en proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer A.] zaaksdossier blz 556-564;

20 Brief van het Ministerie van Defensie, directeur juridische zaken M. Gazenbeek, d.d. 16 mei 2012, met bijlage

21 Medische verklaring, Prof. Dr. R.A.E.M. Tollenaar, traumachirug, Leids Universitair Medisch Centrum d.d. 08-12-2011, blz. 034;

22 Brief d.d. 2 november 2012 van mr H.J.M.G.M. van der Meijden, raadsman van [slachtoffer A.],, met bijlagen;

23 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 106 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting;

24 Ambtsedig proces-verbaal aangifte, nummer PL1643 2011005487-1, van politie Hollands Midden, blz. 004;

25 Ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer PL1643 2011005487-4, van politie Hollands Midden, blz. 016-018;

26Ambtsedig proces-verbaal verhoor verdachte, nummer PL1643 2011005487-1, van politie Hollands Midden, blz. 012;


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature