< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

omgevingsvergunning voor aanbrengen van een kap en wieken op en restaureren van een molenromp - vereniging is belanghebbende - Bouwbesluit 2003 - bijzondere woonvorm - maalvaardige molen past niet binnen bestemming woondoeleinden - wijzigen monument - tegenstrijdige adviezen

Uitspraak



RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/1434 en 12/1449

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2012 in de zaken tussen

1. de vereniging T.I.M.S. Nederland, Vereniging voor Molinologie in Nederland en Vlaanderen, te Sint Pancras (hierna: de vereniging),

eiseres in de procedure met zaaknummer 12/1434

(gemachtigden: P.E.M. Tergau, voorzitter, en ir. F.E. Terpstra),

en

2. [eiseres], te [woonplaats] (hierna: [eiseres]),

eiseres in de procedure met zaaknummer 12/1449

(gemachtigde: mr. J. de Vet, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij NV te Amsterdam),

tezamen te noemen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland, verweerder

(gemachtigden: J. van Bergen en M. Donker, beiden werkzaam bij de gemeente Opsterland).

Als derde-partij heeft aan de gedingen deelgenomen: [de vergunninghouder], te [woonplaats] (hierna: de vergunninghouder) (gemachtigde: ing . G.J. van Reeuwijk).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2012 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de vergunninghouder omgevingsvergunning verleend voor het aanbrengen van een kap en wieken op en de restauratie van de molenromp op het perceel [het perceel] te [woonplaats] (hierna: het perceel).

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft de zaken ter behandeling gevoegd.

Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2012. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De vereniging en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken gesloten.

Verweerder heeft de rechtbank per brief van 16 oktober 2012 verzocht het onderzoek in beide zaken te heropenen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. De rechtbank zal deze afwijzing hierna onder 15 motiveren.

Overwegingen

1. De vergunninghouder is eigenaar van de molenromp op het perceel (hierna: de molenromp). De molenromp is aangewezen als rijksmonument. [eiseres] woont in de molenromp. Zij huurt deze van de vergunninghouder. Op 19 juli 2011 heeft de vergunninghouder omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanbrengen van een kap en wieken op de molenromp en de restauratie daarvan.

2. Het bouwplan voorziet in het opnieuw maalvaardig maken van de molen. Daartoe zullen op de molenromp opnieuw een kap en wieken worden aangebracht. De nokhoogte van de molen (exclusief de wieken) wordt ten gevolge van het bouwplan ongeveer 13,5 meter en de hoogte van de molen inclusief de wieken (in de hoogste stand) ongeveer 23 meter. Ook zal binnenin de molen onder meer een koker met een doorsnee van 40 centimeter worden aangebracht, waarin de as van de molen zal worden geplaatst. Verder zal de molen worden gerestaureerd.

3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied, deelplan [woonplaats]" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming "woondoeleinden".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, zijn aan de gronden met bestaande woningen die op de kaart zijn voorzien van een omcirkeld nummer de volgende doeleinden toegekend:

a. woondoeleinden met daarbij behorende gebouwen, erven en tuinen;

b. behoud en herstel van stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder b, mogen binnen de bestemming woondoeleinden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd ten dienste van de in het eerste lid, onder a, genoemde doeleinden, met dien verstande dat woningen een goot- en nokhoogte mogen hebben van niet meer dan respectievelijk 4,00 m en 8,00 m.

Ingevolge het achtste lid zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het vijfde lid, onder b, tot een goot- en nokhoogte van niet meer dan respectievelijk 5,50 en 11,00 m.

Ingevolge het dertiende lid zijn burgemeester en wethouders bevoegd af te wijken van de voorschriften neergelegd in de bestemming woondoeleinden, waarbij in het bijzonder gedacht kan worden aan het oprichten van bijzondere woonvormen en/of het verhogen van de goothoogte of de inhoudsmaat van het hoofdgebouw (de woning). Bij het toepassen van deze bevoegdheid zal in ieder geval in acht moeten worden genomen:

- het qua schaal passend zijn van het woonpand in de kavel- en bebouwingsstructuur;

- de landschappelijke en stedenbouwkundige karakteristieken van de naaste omgeving.

4. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan, omdat de maximale goot- en nokhoogte worden overschreden.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder omgevingsvergunning verleend voor het (ver)bouwen van de molen (artikel 2.1, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo)). Daarnaast heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 7, dertiende lid, van de planvoorschriften, omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met artikel 7, vijfde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan (artikel 2.1, onder c, van de Wabo). Verder heeft verweerder omgevingsvergunning verleend voor het slopen, verstoren of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht (artikel 2.1, onder f, van de Wabo).

6.1 Verweerder heeft aangevoerd dat kan worden betwijfeld of de vereniging belanghebbende is bij het bestreden besluit.

6.2 Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Op grond van het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

6.3 Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb , bepalend is of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 5 september 2012 (LJN BX6500).

6.4 Blijkens haar statuten stelt de vereniging zich (onder meer) tot doel het bevorderen van molinologisch verantwoord(e) molenbehoud, - herstel en hersteltechnieken. Het bestreden besluit raakt een belang dat de vereniging blijkens haar statutaire doelstellingen beoogt te behartigen.

6.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vereniging aannemelijk gemaakt dat zij zich, voorafgaand aan deze procedure en ook los daarvan, heeft ingezet voor het molinologisch verantwoord behouden en herstellen van molens. Onweersproken is gesteld dat zij dit onder meer heeft gedaan door het publiceren van informatie op haar website, het verspreiden van nieuwsbrieven en het houden van excursies. Verder acht de rechtbank van belang dat de vereniging onweersproken heeft gesteld dat zij nauw betrokken is geweest bij het opstellen van het landelijke beleid ten aanzien van het omgaan met monumentale molens.

6.6 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang dat de vereniging in het bijzonder behartigt rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit. Hieruit volgt dat de vereniging belanghebbende is bij het bestreden besluit en haar beroep ontvankelijk is.

7.1 Eisers hebben aangevoerd dat door het ontbreken van bouwtekeningen van de binnenzijde van de molen niet kan worden nagegaan of het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003.

7.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschikbare bouwtekeningen voldoende zijn om te kunnen beoordelen of het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2003. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de wanden en dergelijke aan de binnenzijde van de molen door het bouwplan niet zullen worden gewijzigd.

7.3 Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en a, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet . Deze algemene maatregel van bestuur is het Bouwbesluit 2003.

7.4 In het kader van de bouwaanvraag zijn enkel bouwtekeningen ingediend van de buitenzijde van de molen.

7.5 De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken blijkt dat het bouwplan zowel voorziet in het wijzigen van de buitenzijde van de molenromp als in het wijzigen van de binnenzijde daarvan. Uit de stukken blijkt bijvoorbeeld dat dwars door het hart van de molenromp een verticale koker zal worden aangebracht met daarin de as van de molen. Ook blijkt daaruit dat de trappen aan de binnenzijde van de molenromp zullen worden gewijzigd en dat aanzienlijke wijzigingen zullen worden aangebracht in de kelder. Verweerder was hiervan op de hoogte ten tijde van het behandelen van de aanvraag en heeft dit ook als uitgangspunt genomen bij de behandeling van die aanvraag. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat verweerder spreekt over het (opnieuw) maalvaardig maken van de molen.

7.6 Verweerder heeft betoogd dat het bij monumenten niet altijd mogelijk is aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 te voldoen en dat de molen door het uitvoeren van het bouwplan beter aan deze voorschriften zal gaan voldoen dan nu het geval is. Dit laat onverlet dat ook een bouwplan dat betrekking heeft op het (kort gezegd) wijzigen van een monument op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en a, van de Wabo moet voldoen aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003. Op grond van artikel 1.12, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 is verweerder in een geval als het onderhavige bevoegd in het belang van de monumentenzorg af te wijken van een bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 vastgesteld voorschrift. Indien verweerder van deze bevoegdheid gebruik wenst te maken, dient hij echter wel vast te stellen op welke punten wordt afgeweken van het Bouwbesluit 2003 en te motiveren waarom deze afwijkingen in het belang zijn van de monumentenzorg. Verweerder heeft dit niet gedaan en naar het oordeel van de rechtbank had verweerder ook onvoldoende gegevens om dit te kunnen doen.

7.7 Daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende kennis heeft vergaard over de relevante feiten en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom naar zijn oordeel aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en dat deze beroepsgrond slaagt.

8.1 Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet bevoegd was om met toepassing van artikel 7, dertiende lid, van de planvoorschriften omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de in artikel 7, vijfde lid, van de planvoorschriften voorgeschreven maximale nokhoogte. Daartoe hebben zij aangevoerd dat artikel 7, dertiende lid, geen bevoegdheid geeft om af te wijken van het bestemmingsplan. Volgens eisers zijn in deze bepaling slechts voorwaarden gesteld voor het gebruiken van de in andere leden van artikel 7 neergelegde afwijkingsbevoegdheden. Verder hebben zij aangevoerd dat het bouwplan niet voorziet in het oprichten van een bijzondere woonvorm in de zin van artikel 7, de rtiende lid.

8.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 7, dertiende lid, van de planvoorschriften een zelfstandige afwijkingsbevoegdheid bevat. Volgens verweerder is in dit geval voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van deze bevoegdheid, nu het bouwplan voorziet in het oprichten van een bijzondere woonvorm.

8.3 De rechtbank is van oordeel dat artikel 7, dertiende lid, van de planvoorschriften verweerder een zelfstandige bevoegdheid geeft om af te wijken van het bestemmingsplan. In deze bepaling wordt weliswaar, anders dan bij de overige afwijkingsbevoegdheden van artikel 7, niet gesproken over het verlenen van vrijstelling, maar daarin wordt wel expliciet gesteld dat verweerder bevoegd is af te wijken van de voorschriften neergelegd in de bestemming woondoeleinden. Het is ook niet zo dat in deze bepaling slechts voorwaarden worden gesteld voor het gebruik van de in de andere bepalingen neergelegde afwijkingsbevoegdheden. In dat kader wijst de rechtbank erop dat in artikel 7, dertiende lid, is bepaald dat in het bijzonder gedacht kan worden aan (onder meer) het oprichten van bijzondere woonvormen en geen van de andere in artikel 7 neergelegde afwijkingsbevoegdheden daarop betrekking heeft. Voor het verhogen van de goothoogte of de inhoudsmaat van het hoofdgebouw kan weliswaar ook gebruik worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheden neergelegd in de leden acht en negen van artikel 7, maar daaraan zijn maxima verbonden. Aan de afwijkingsbevoegdheid van het dertiende lid zijn geen (concrete) maxima verbonden. Dit betekent echter niet dat deze bepaling verweerder carte blanche geeft, zoals eisers hebben gesteld. In het dertiende lid is namelijk wel de beperking opgenomen dat het woonpand qua schaal passend moet zijn in de kavel- en bebouwingsstructuur en dat de landschappelijke en stedenbouwkundige karakteristieken van de naaste omgeving in acht moeten worden genomen.

8.4 Verder is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van een bijzondere woonvorm in de zin van artikel 7, dertiende lid, van de planvoorschriften. Daartoe overweegt de rechtbank dat in artikel 1, aanhef en onder 30, van de planvoorschriften is bepaald dat in deze voorschriften onder bijzondere woonvorm wordt verstaan: woonfunctie met een specifiek karakter door haar vormgeving (bol-, piramidewoningen enzovoort). Gelet op deze definitie moet ook een woning in (de vorm van) een molen naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een bijzondere woonvorm. Ter zitting is gebleken dat eisers dit ook niet langer bestrijden. Zij bestrijden wel dat sprake is van het oprichten van een dergelijke woonvorm. Daartoe hebben zij aangevoerd dat nu al sprake is van een bijzondere woonvorm en deze door het bouwplan enkel wordt gewijzigd. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Naar het oordeel van de rechtbank moet de term oprichten in dit kader ruim worden uitgelegd en valt daaronder ook het wijzigen van een reeds bestaande bijzondere woonvorm. Bovendien is het oprichten van een bijzondere woonvorm slechts een voorbeeld van een situatie waarin verweerder toepassing kan geven aan deze afwijkingsbevoegdheid.

8.5 Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat deze beroepsgrond faalt.

9.1 Eisers hebben aangevoerd dat het bouwplan voorziet in een wijziging van de bestemming van het perceel. Volgens eisers past een maalvaardige molen niet in de aan het perceel gegeven bestemming woondoeleinden. Verweerder heeft voor deze afwijking van het bestemmingsplan geen omgevingsvergunning verleend.

9.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een afwijking van het bestemmingsplan, omdat sprake blijft van een woning en de woonfunctie dus gehandhaafd blijft.

9.3 De rechtbank is van oordeel dat een maalvaardige molen, gelet op de ruimtelijke uitstraling daarvan, niet past binnen de aan het perceel gegeven bestemming woondoeleinden. Uit de stukken blijkt dat het de bedoeling is dat de molen zowel een toeristische functie als ook een (hulp)bemalingsfunctie zal gaan vervullen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit geen functies die ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat het bouwplan niet alleen voorziet in het aanbrengen van een kap en wieken, die geen relatie zullen hebben met de woonfunctie, maar dat ook de kelder niet langer gebruikt zal kunnen worden voor woondoeleinden en ook in het midden van de begane grond en de eerste en tweede verdieping een koker met een doorsnee van 40 centimeter zal worden geplaatst die geen verband houdt met de woonfunctie. Verder acht de rechtbank van belang dat de molen na het realiseren van het bouwplan ook aan de buitenzijde niet (in de eerste plaats) de ruimtelijke uitstraling van een woning zal hebben.

9.4 De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bouwplan ook wat dit aspect betreft in strijd is met het bestemmingsplan. Deze strijdigheid is met de verleende omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan niet opgeheven. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo . Dit betekent dat deze beroepsgrond slaagt.

9.5 De rechtbank overweegt dat de afwijkingsbevoegdheid, neergelegd in artikel 13, zevende lid, van de planvoorschriften naar haar oordeel niet zover strekt dat daarmee kan worden toegestaan dat gronden met de bestemming woondoeleinden kunnen worden gebruikt voor een andere bestemming. Hieruit volgt dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet alsnog door middel van deze binnenplanse afwijkingsmogelijkheid medewerking kan verlenen aan het bouwplan.

10.1 [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder in redelijkheid geen omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan, omdat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij civielrechtelijk niet kan worden gedwongen haar woning te verlaten, omdat zij huurbescherming geniet.

10.2 Het is vaste rechtspraak van de ABRvS dat voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van omgevingsvergunning in de weg staat, slechts aanleiding is wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar een uitspraak van de ABRvS van 8 augustus 2012 (LJN: BX3966).

10.3 De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet evident dat het bouwplan niet kan worden uitgevoerd als [eiseres] (als huurster) daaraan geen medewerking wenst te verlenen. Hieruit volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt.

11.1 Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte omgevingsvergunning heeft verleend voor (kort gezegd) het wijzigen van een monument. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) op 18 oktober 2011 en gedeputeerde staten op 22 september 2011 negatief hebben geadviseerd over het bouwplan en dat hun adviezen in overeenstemming zijn met het rijksbeleid dat is neergelegd in het beleidsdocument "Een toekomst voor molens" (hierna: het rijksbeleid). De vereniging heeft daaraan toegevoegd dat door reconstructie van de molen de in het landschap zichtbare ontwikkeling, dat molens werden afgebroken en als bewoonde romp dienst bleven doen, teniet zou worden gedaan. Volgens de vereniging is het object juist als molenromp van monumentale waarde. Dit type molenerfgoed is uiterst zeldzaam, in tegenstelling tot compleet maalvaardige molens. Verder geldt dat het object al veel langere tijd functioneert als bewoonde molenromp dan het ooit heeft gefunctioneerd als bewoonde molen.

11.2 Verweerder is van mening dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de monumentenzorg zich niet verzet tegen het verlenen van een omgevingsvergunning. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de commissie voor welstandsadvisering en monumentenzorg Hûs en Hiem (hierna: Hûs en Hiem) op 23 augustus 2011 positief heeft geadviseerd over het bouwplan. Verweerder heeft gesteld dat hij de negatieve adviezen van de minister en gedeputeerde staten en het nieuwe rijksbeleid heeft meegewogen, maar niet van doorslaggevend belang heeft geacht. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat zowel het Rijk als de provincie subsidie heeft verleend voor het uitvoeren van het bouwplan, dat het nieuwe rijksbeleid is vastgesteld nadat de rijkssubsidie al was verleend en dat ook de omgevingsvergunning op dat moment al was aangevraagd. Verweerder stelt dat het herstel van de molen een meerwaarde geeft aan het landschap. Ook staat elders in de polder nog een half afgebroken, bewoonde molenromp. Er blijft dus een beeld van een half afgebroken molen zichtbaar. Daardoor wordt volgens verweerder de unieke combinatie hersteld van een draaiende en functionerende molen en een half afgebroken molenromp die het verhaal vertelt van de sloop en gedeeltelijke afbraak van molens in dit gebied. Ook elders in Nederland zijn nog tientallen objecten aangewezen als beschermde molenromp. Ook is het belang van de (complete) molen in de cultuurhistorische route volgens verweerder groot.

11.3 Ingevolge artikel 2.15 van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

11.4 Het is vaste rechtspraak van de ABRvS dat het gemeentebestuur bij het al dan niet verlenen van een monumentenvergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 over een discretionaire bevoegdheid beschikt, zodat ter beoordeling staat of het college in redelijkheid de monumentenvergunning heeft kunnen verlenen. Bij het aanwenden van deze discretionaire bevoegdheid komt grote betekenis toe aan het ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 verplichte advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ), die bij uitstek deskundig is en betrokken is geweest bij de aanwijzing als rijksmonument. Dit laat onverlet dat de wetgever een keuze tussen uiteenlopende adviezen van de gemeentelijke monumentencommissie en de RDMZ primair aan het gemeentebestuur heeft gelaten. Bij zijn besluit tot het al dan niet verlenen van een monumentenvergunning dient het gemeentebestuur zijn keuze voor één van de adviezen echter deugdelijk te motiveren, zodat duidelijk is waarom aan het gekozen advies doorslaggevend gewicht is toegekend. Indien het gemeentebestuur ter motivering van zijn besluit verwijst naar dat advies, dient het zich ervan te vergewissen, dat dit inhoudelijk concludent is en zorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 13 mei 2009 (LJN BI3673). De rechtbank is van oordeel dat deze rechtspraak van overeenkomstige toepassing is op de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo en het in dat kader op grond van artikel 6.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht verplichte advies van de minister.

11.5 De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij een doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan het advies van Hûs en Hiem en niet aan de adviezen van de minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) en gedeputeerde staten. Daartoe overweegt de rechtbank dat de beide laatstgenoemde adviezen uitgebreid zijn gemotiveerd, terwijl aan het advies van Hûs en Hiem een minder uitgebreide motivering ten grondslag ligt. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de adviezen van de minister en gedeputeerde staten in overeenstemming zijn met het ten tijde van het bestreden besluit geldende rijksbeleid. Anders dan verweerder vindt de rechtbank in de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) geen steun voor verweerders standpunt, omdat deze beleidsbrief niet op deze specifieke kwestie ingaat. Naar het oordeel van de rechtbank kan bij de keuze aan welk advies een doorslaggevend gewicht wordt gegeven een rol spelen dat het bouwplan wel past in het voorheen door het Rijk gevoerde beleid, dat verweerder al vele jaren een voorstander is van het opnieuw maalvaardig maken van de molen en dat ook de minister en de provincie eerder bereid waren daaraan mee te werken, gelet op de door hen verleende subsidies. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze omstandigheden op zich echter onvoldoende om zonder nadere motivering af te wijken van de uitgebreid gemotiveerde negatieve adviezen van de minister en gedeputeerde staten. Gelet op het voorgaande had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder gelegen Hûs en Hiem te vragen om een nadere motivering van haar advies en een reactie op de adviezen van de minister en gedeputeerde staten. Door dit na te laten heeft verweerder het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet voorzien van een deugdelijke motivering. Dit is in strijd met artikel 3:46 van de Awb . Hieruit volgt dat deze beroepsgrond slaagt.

12. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepen gegrond zijn en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo .

13. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank geen mogelijkheid om gebruik te maken van haar bevoegd om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaken te voorzien. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de in deze uitspraak geconstateerde gebreken te herstellen met toepassing van een bestuurlijke lus. De reden daarvoor is dat de rechtbank niet aannemelijk acht dat verweerder deze gebreken binnen afzienbare tijd zal kunnen herstellen. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder zal moeten bezien of het mogelijk is en hij bereid is met toepassing van een andere afwijkingsbevoegdheid medewerking te verlenen aan het afwijken van het bestemmingsplan. Indien verweerder besluit tot het toepassen van een andere afwijkingsbevoegdheid, zal de in dat kader voorgeschreven voorbereidingsprocedure moeten worden doorlopen. In dat geval zullen ook bouwtekeningen van de binnenzijde van de molen moeten worden ingediend en zullen deze moeten worden getoetst aan het Bouwbesluit 2003 en zal een nader advies moeten worden gevraagd van Hûs en Hiem.

14. Gelet op de voorgaande overwegingen zal de rechtbank verweerder opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van de vergunninghouder van 19 juli 2011. De rechtbank verwijst in dit kader met name naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen onder 7.6, 9.4, 9.5 en 11.5.

15. Nu de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd en verweerder, indien hij bereid blijft mee te werken aan het bouwplan, een nieuw ontwerpbesluit in procedure zal moeten brengen, is het niet langer van belang of verweerder het ontwerpbesluit van 5 december 2011 heeft toegestuurd aan de minister. Verweerder moet het nieuwe ontwerpbesluit en het nieuwe besluit op de aanvraag te zijner tijd aan de minister toesturen. Daarom heeft de rechtbank in verweerders brief van 16 oktober 2012, waarin hij heeft meegedeeld dat het ontwerpbesluit van 5 december 2011 in tegenstelling tot eerdere berichten wel aan de minister is toegezonden, geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen.

16. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

17. In de procedure met zaaknummer 12/1434 zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door [eiseres] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 19 juli 2011;

- draagt verweerder op het in de procedure met zaaknummer 12/1434 betaalde griffierecht van € 310,00 aan de vereniging te vergoeden;

- draagt verweerder op het in de procedure met zaaknummer 12/1449 betaalde griffierecht van € 156,00 aan [eiseres] te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de procedure met zaaknummer 12/1449 in de proceskosten tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan [eiseres].

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2012.

w.g. rechter

w.g. griffier

Afschrift verzonden aan partijen op: 19 november 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature