Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

ontvankelijkheid rechtspersoon na ontbinding van de rechtspersoon (overweging 4.2)

Uitspraak



RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 125051 / HA ZA 11-725

datum vonnis: 24 oktober 2012 (m)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Yvomar B.V.,

gevestigd te Goor,

eiseres,

verder ook te noemen: “Yvomar”,

advocaat: mr. P. Benders te Enschede,

tegen

1. de vennootschap onder firma Rimplex V.O.F.,

en haar vennoten,

2. [gedaagde 1],

3. [gedaagde 2],

gevestigd c.q. wonende te [woonplaats],

gedaagden,

verder in ook enkelvoud te noemen: “Rimplex”,

advocaat: mr. G.J. Ligtenberg te Wierden.

1. procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 23 producties;

- de conclusie van antwoord met 8 producties;

- het tussenvonnis d.d. 1 februari 2012;

- akte overlegging stukken van de zijde van Rimplex met één productie genummerd 9;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 13 maart 2012;

- de conclusie van repliek, tevens akte wijziging van eis met 1 productie, genummerd 24;

- de conclusie van dupliek met 3 producties, genummerd 9, 10 en 11;

- de akte uitlating producties van de zijde van Yvomar d.d. 18 juli 2012.

Er is nader vonnis bepaald op heden.

2. feiten

2.1 In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste producties het navolgende vast.

2.2 De aandelen in Yvomar worden gehouden door [eiseres 1]. [Eiseres 1] is in gemeenschap van goederen gehuwd met [eiseres 2]. Laatstgenoemde dreef tot 1 oktober 2010 samen met een derde een vennootschap onder firma en handelde daarbij onder de naam “NY koeriers”. Met ingang van

1 oktober 2010 zijn die vennootschap en haar vennoten, waaronder [eiseres 2], failliet verklaard.

2.3 De activiteiten van “NY koeriers” zijn voorafgaand aan het faillissement tegen betaling overgenomen door Yvomar.

2.4 Als productie 5 bij antwoord is een zogenoemde raamovereenkomst in het geding gebracht, waaruit kan blijken dat De Pakket Dienst (Nederland) B.V. (hierna: DPD) een deel van het vervoer van pakketten heeft uitbesteed aan Yvomar B.V. De overeenkomst is gedateerd op 26 oktober 2010 en namens Yvomar B.V. ondertekend door [eiseres 1] en [eiseres 2].

2.5 Op 6 januari 2011 heeft [betrokkene], handelend onder de naam

[bedrijfsnaam] een Renault Premium HD 370-19T trekker (hierna:

“de Renault-trekker”) verkocht en geleverd met het kenteken [kenteken] voor een prijs van € 17.850,-, inclusief BTW (€ 15.000,- exclusief BTW).

2.6 Als productie 3 bij dagvaarding is overgelegd een op die transactie betrekking hebbende factuur gericht aan Yvomar, gedateerd 6 januari 2011 met het factuurnummer 110018. Uit die factuur, mede ondertekend door [eiseres 1], blijkt dat een gespreide betaling is overeengekomen, waarbij de laatste termijn diende te zijn voldaan op 1 juli 2011. Overeengekomen werd voorts het volgende: “Auto blijft eigendom van [bedrijfsnaam] tot alle betalingen zijn voldaan”. Yvomar heeft enkele van de overeengekomen termijnen voldaan. De laatste twee termijnen, elk groot € 2.000,-, zijn echter voldaan door [gedaagde 1], nadat Yvomar telkens genoemd bedrag had overgeboekt van haar bankrekening naar een bankrekening van [gedaagde 1].

2.7 Als productie 13 bij dagvaarding is een factuur gevoegd, eveneens gedateerd

6 januari 2011, met dezelfde inhoud als productie 3 bij dagvaarding, met dien verstande dat deze factuur het nummer 110998 heeft, gericht is aan Rimplex v.o.f., en voor akkoord is ondertekend door [gedaagde 1]. [Gedaagde 1] betreft gedaagde sub 2, [gedaagde 1].

2.8 Als productie 14 bij dagvaarding is in het geding gebracht een ondertekend schrijven gedateerd op 7 januari 2011 met de navolgende inhoud: “(…) De heer [gedaagde 1] verricht sinds 1 december 2010 werkzaamheden voor Yvomar BV (…) te Goor. Doordat de van de Firma Yvomar de financiele situatie dermate slecht is momenteel,is overeengekomen dat [gedaagde 1] of ter wel zijn distributie en transport onderneming, de truck Renault Premium HD 370 19T trekker (…) en kenteken [kenteken] op zijn naam wordt Overgeschreven en de tot nu toe afbetalingen door de firma Yvomar BV aan [bedrijfsnaam] en de nog uit te voeren betalingen verrekend worden met de kosten die door [gedaagde 1] of ter wel zijn distributie en transport onderneming zijn ontstaan of nog ontstaan (…). De resterende aflossing aan [bedrijfsnaam] zal [gedaagde 1] of ter wel zijn distributie en transport onderneming wanneer het voertuig op zijn naam is gesteld voor de resterende vordering die [bedrijfsnaam] heeft op de firma Yvomar BV overnemen en hier voor dient een nieuwe contract tussen [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam] worden opgesteld waar bij het contract tussen [bedrijfsnaam] en Yvomar BV komt te vervallen”. Onderaan het stuk staat de naam “[eiseres 2]” vermeld en onder die naam is een handtekening geplaatst waarin de voorletters “[voorletter 1]”, “[voorletter 2]” en de naam “[achternaam eiseres 2]” te lezen zijn. (opmerking rechtbank: de brief is letterlijk, inclusief taal- en stijlfouten, overgenomen.)

2.9 Als productie 3 bij antwoord is in het geding gebracht een door partijen ondertekende koopovereenkomst tussen de curator in het faillissement van de vennootschap onder firma “NY koeriers” als verkoper en [gedaagde 1] als koper. Uit deze overeenkomst blijkt dat [gedaagde 1] uit de failliete boedel een autobus heeft gekocht van het merk Mercedes Benz, met het kenteken [kenteken] (hierna : “de Mercedes-bestelbus”), voor een prijs van € 1.785,- inclusief B.T.W. (€ 1.500,- exclusief B.T.W.). Het aankoopbedrag is volgens een bijgevoegde kwitantie op 17 januari 2011 contant voldaan.

2.10 Als productie 6 bij antwoord is in het geding gebracht een op 7 april 2011 verzonden emailbericht afkomstig van [naam], Transport Manager bij DPD, en gericht aan [eiseres 1] en “CC” aan [gedaagde 1]. De inhoud luidt voor zover hier van belang als volgt:

“(…) Bij deze stuur ik jullie een gespreksverslag van afgelopen maandag 04 april 2011

• Besloten is dat wij door gaan met Yvomar BV tot 30.06.2011

• Een schriftelijke opzegging voor deze Touren moet door Yvomar BV getekend door [eiseres 2] en [eiseres 1]in de maand april’11 worden voorgelegd bij DPD (Nederland) BV tav. [naam]

• De huidige Touren worden met ingang van 01 juli 2011 gereden door Rimplex Transport & Distributie vertegenwoordigd door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] maar alleen wanneer tot uiterlijk 10 juni 2011 een Eurovergunning op name van Rimplex Transport voorgelegd kan worden

• Een Raamovereenkomst tussen Rimplex Transport & DPD Nederland BV word pas getekend wanneer ook de Eurovergunning voorligt

• (…)”.

2.11 Yvomar heeft op 11 november 2011 onder Rimplex conservatoir beslag laten leggen op de Renault-trekker.

2.12 Yvomar vorderde oorspronkelijk bij dagvaarding, uitgebracht op 24 november 2011, nog een bedrag van € 3.500,- uit hoofde van geldlening. Bij antwoord heeft Rimplex erkend dat uit dien hoofde nog een bedrag van € 500,- openstond. Voorafgaand aan de comparitie van partijen heeft Rimplex een betalingsbewijs gedateerd 19 januari 2012 in het geding gebracht, waaruit kon blijken dat ook dit restant was voldaan. Yvomar heeft vervolgens laten weten dat zij haar vordering voor dat onderdeel niet langer handhaaft.

3. geschil

3.1 Yvomar vordert, kort samengevat en zakelijk weergegeven, na wijziging van eis, te verklaren voor recht dat zij eigenaresse is van de Renault-trekker en van de Mercedes-bestelbus en voorts om Rimplex op straffe van een dwangsom te veroordelen tot afgifte van beide voertuigen en mee te werken aan overschrijving van de kentekenbewijzen op haar naam.

3.2 Daarnaast vordert Yvomar dat Rimplex wordt veroordeeld aan haar te betalen een totaalbedrag van € 3.339,06 wegens diverse voorgeschoten/in bruikleen verstrekte bedragen en daarenboven te betalen een bedrag van € 33.000,- als vergoeding voor het gebruik van de Renault-trekker en de Mercedes-bestelbus vanaf 1 juli 2011 c.q. een vergoeding voor gemiste huurinkomsten van beide voertuigen. Hierbij hanteert Yvomar voor de Renault-trekker een bedrag van € 600,- per week en voor de Mercedes-bestelbus een bedrag van € 600,- per maand.

3.3 Yvomar baseert haar vorderingen, kort en zakelijk weergegeven, op de navolgende stellingen.

3.4 Voor wat betreft de Renault-trekker stelt Yvomar zich op het standpunt dat zij dat voertuig van [bedrijfsnaam] heeft gekocht en betaald, met dien verstande dat de laatste twee termijnen namens haar door Rimplex zijn voldaan. Door de koop en levering op 6 januari 2011 is Yvomar eigenaresse geworden van de Renault-trekker. Rimplex heeft de Renault-trekker weliswaar onder zich gehad, toen zij de werkzaamheden voor Yvomar waarnam wegens ziekte van [eiseres 1], maar zij trad daarbij op als houder voor Yvomar. Daarnaast stelt Yvomar dat zij problemen had met de curator van

“NY koeriers”. De curator had namelijk derdenbeslag laten leggen op gelden die Yvomar tegoed had van DPD, omdat hij van mening was dat Yvomar de handelsactiviteiten van “NY Koeriers” voor een veel te laag bedrag had overgenomen. Yvomar vreesde dat de curator ook beslag zou leggen op de Renault-trekker. Zij heeft toen met [gedaagde 1] afgesproken de trekker op diens naam c.q. die van Rimplex te zetten en dat [gedaagde 1] de laatste twee termijnen aan [betrokkene] zou voldoen. Onderdeel van die afspraak was voorts dat, na opheffing van het faillissement van [eiseres 2], de Renault-trekker weer op naam van Yvomar B.V. gezet zou worden. Ter onderbouwing van haar stellingen wijst Yvomar er nog op dat zij in de periode januari – juli 2011 de verzekeringspremie en de kosten van de APK-keuring voor haar rekening heeft genomen.

3.5 De door Rimplex overgelegde brief, waaruit zou kunnen blijken dat de Renault-trekker door Yvomar aan Rimplex is overgedragen als loon voor verrichte diensten, gedateerd

7 januari 2011, is volgens Yvomar valselijk opgemaakt. Ook de handtekening is niet die van [eiseres 2]. Het betreft een valse of vervalste handtekening. Yvomar betwist derhalve primair dat de brief afkomstig en ondertekend is door

[eiseres 2]. Voor het geval zou blijken dat die brief wel van haar afkomstig én door haar ondertekend is, betwist Yvomar subsidiair dat [eiseres 2] bevoegd was een dergelijke overeenkomst met Rimplex aan te gaan. Uit het Handelsregister blijkt volgens Yvomar dat zij op dat moment daartoe niet gemachtigd was.

3.6 Voor wat betreft de Mercedes-bestelbus baseert Yvomar haar vorderingen op de stelling dat [gedaagde 1] op haar verzoek de bestelbus uit het faillissement van “NY koeriers” heeft gekocht. Het aankoopbedrag is eveneens door Yvomar gefourneerd. Met Rimplex heeft Yvomar afgesproken dat de Mercedes-bestelbus na opheffing van het faillissement van “NY koeriers” weer op naam van Yvomar zou worden gesteld.

3.7 Yvomar stelt dat zij diverse bedragen, tot het gevorderde totaalbedrag, aan Rimplex c.q. haar vennoten heeft voorgeschoten, onder de verplichting dat zij dat aan Yvomar zouden terugbetalen. Het betreft de volgende betalingen:

- op 18 maart 2011 telefoonkosten ad € 200,- (productie 4 bij dagvaarding);

- op 15 april 2011 € 2.250,- (productie 19);

- op 10 mei 2011 € 220,04 (productie 20);

- op 25 juni 2011 € 669,02 reparatiekosten auto (productie 21).

3.8 De mededeling opgenomen in Handelsregister, inhoudende dat Yvomar zou zijn ontbonden en bij gebrek aan baten zou zijn opgeheven, is volgens Yvomar niet juist. Yvomar betwist de juistheid van het primaire verweer dat zij om die reden in haar vordering niet-ontvankelijk zou zijn. In het kader van de vereffening bestaat Yvomar nog steeds. Bovendien ontbreekt volgens Yvomar een bestuursbesluit tot ontbinding. Van de juistheid van de mededeling in het Handelsregister mag niet zonder meer worden uitgegaan, aldus Yvomar.

3.9 Rimplex concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid en subsidiair tot afwijzing van de vorderingen. Zij voert daartoe, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan.

3.10 Uit een uittreksel van het Handelsregister (productie 1 bij antwoord) blijkt dat Yvomar met ingang van 1 januari 2012 is ontbonden en bij gebrek aan baten is opgeheven. Yvomar bestaat dus niet meer als rechtspersoon en kan om die reden niet in haar vorderingen worden ontvangen, aldus Rimplex.

3.11 Gedaagden sub 2 en 3, hierna ook te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2], hebben op verzoek van Yvomar vanaf oktober 2010 diverse werkzaamheden, waartoe Yvomar zich jegens DPD had verbonden, feitelijk uitgevoerd in verband met de ziekte van

[eiseres 1]. Vanaf januari 2011 kwamen daar vervoersdiensten met de aangeschafte Renault-trekker bij. Over de beloning zouden later afspraken worden gemaakt. In december 2010 is vervolgens overeengekomen dat [gedaagde 1] als beloning een bedrag van € 2.000,- per maand zou ontvangen. De afspraak zou in een formeel contract worden neergelegd. Feitelijk heeft [gedaagde 1] deze werkzaamheden verricht vanaf

januari 2011 tot en met juni 2011.

3.12 [Gedaagde 2] heeft daarnaast van januari 2011 tot en met april 2011 werkzaamheden verricht in een wasstraat genaamd “Car Cleaning Hof van Twente te Goor”. Deze wasstraat werd beheerd door [eiseres 1] en [eiseres 2]. Ook hier gold de afspraak dat de beloning nader zou worden geregeld en neergelegd in een formeel contract. Zij zou voor 20 uur per week “op papier komen te staan” bij Yvomar. Dit is echter formeel nimmer afgewikkeld.

3.13 Toen in januari 2011 nog niets formeel was vastgelegd, heeft op 7 januari 2011 overleg plaatsgevonden tussen Yvomar, vertegenwoordigd door [eiseres 2], enerzijds en de [gedaagde 1] en [gedaagde 2] anderzijds. Bij die gelegenheid gaf Yvomar aan dat haar financiële situatie zo slecht was, dat de overeengekomen vergoeding niet betaald kon worden. Yvomar bood toen aan om de op 6 januari aangeschafte Renault-trekker aan [gedaagde 1] in eigendom over te dragen, waarbij de betaalde en toekomstige termijnen zouden gelden als beloning voor de door hem te verrichten werkzaamheden voor DPD. Deze afspraken zijn neergelegd in de overeenkomst van 7 januari 2011 (productie 14 bij dagvaarding). De Renault-trekker is vanaf 6 januari 2011 tot 1 juli 2011 ook feitelijk bij [gedaagde 1] c.q. Rimplex in gebruik geweest voor werkzaamheden ten behoeve van Yvomar. In dat kader beroept Rimplex zich op het rechtsvermoeden van artikel 3:109, gelezen in samenhang met artikel 3:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Na betaling van de laatste termijn heeft [bedrijfsnaam] het voertuig op naam van het eenmansbedrijf van [gedaagde 1], genaamd Rimplex, gezet. Na oprichting van de vennootschap onder firma Rimplex is het kentekenbewijs op haar naam gezet.

3.14 Rimplex betwist de stelling van Yvomar dat [eiseres 2] op of omstreeks

7 januari 2011 niet bevoegd zou zijn geweest om Yvomar te vertegenwoordigen. Zij wijst erop dat, door het uitvallen van [eiseres 1] wegens ziekte,

[eiseres 2] diens taken binnen Yvomar vanaf oktober 2010 zoveel mogelijk overnam. Zij regelde alle contacten tussen Yvomar en DPD, maar was evenzeer aanspreekpunt voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Door [eiseres 2] aldus namens haar te laten optreden, heeft Yvomar de schijn gewekt dat [eiseres 2] bevoegd was haar te vertegenwoordigen. Rimplex mocht er daarom op vertrouwen dat zij ook bevoegd was Yvomar te vertegenwoordigen bij het maken van de afspraak van 7 januari 2011. Bovendien heeft Yvomar dat nog eens bekrachtigd door conform de op 7 januari 2011 gemaakte afspraak twee keer een afbetalingstermijn van

€ 2.000,- over te maken op een bankrekeningnummer, waarover [gedaagde 1] kon beschikken.

3.15 Rimplex betwist dat er ooit een afspraak met Yvomar is gemaakt, die inhield dat de Mercedes-bestelbus, gekocht uit het faillissement van “NY Koeriers”, na opheffing van dat faillissement, weer aan Yvomar in eigendom zou worden overgedragen.

3.16 Voor wat betreft de thans door Yvomar teruggevorderde betalingen, stelt Rimplex dat dit vergoedingen betreft voor gemaakte en door Rimplex (vooruit) betaalde onkosten voor of ten bate van de bedrijfsvoering van Yvomar. Het gaat hierbij om telefoonkosten, kosten voor de cursus eurovignet, kosten van een zogenoemde “dongel” en reparatiekosten van de privéauto van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], die voor de werkzaamheden van Yvomar was ingezet. Een terugbetalingsverplichting is ten aanzien van die kostenvergoedingen nimmer overeengekomen.

3.17 Over de gevorderde vergoeding voor gebruik c.q. vergoeding wegens gemiste huurinkomsten stelt Rimplex zich primair op het standpunt, dat beide voertuigen haar eigendom zijn (geworden) en dat Yvomar ter zake beide voertuigen geen enkel vorderingsrecht heeft.

3.18 Subsidiair stelt Rimplex dat Yvomar geen duidelijke juridische grondslag voor haar vorderingen noemt. Veronderstellenderwijs meent Rimplex dat Yvomar wellicht beoogt zich te beroepen op ongerechtvaardigde verrijking. Zij merkt voor dat geval op dat ingevolge het bepaalde in artikel 6:212 BW , de vordering nooit meer kan zijn dan de verarming aan de zijde van Yvomar. Die verarming is ten hoogste de afschrijving op beide voertuigen na 1 juli 2011. Na 1 juli 2011 had Yvomar immers geen vervoerscontract meer en resteerde slechts verkoop van de voertuigen als alternatief. Rimplex schat de afschrijving voor beide voertuigen op ten hoogste € 1.000,-. Los daarvan betwist Rimplex bij gebrek aan wetenschap de juistheid van de door Yvomar gehanteerde huurbedragen.

3.19 Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden door het horen van getuigen.

4. beoordeling

De ontvankelijkheid

4.1 Als meest verstrekkende verweer heeft Rimplex de niet-ontvankelijkheid van Yvomar bepleit. Uit het uittreksel van het handelsregister, gedateerd 5 januari 2012, blijkt volgens Rimplex dat Yvomar door haar bestuur was ontbonden en daarbij heeft opgegeven dat de rechtspersoon op het moment van ontbinding geen baten meer had.

4.2 Op zichzelf is de constatering van Rimplex, over de inhoud van het handelsregister op

5 januari 2012 ten aanzien van Yvomar, juist. Toch leidt dat in dit geval niet tot niet-ontvankelijkheid van Yvomar in haar vorderingen. Een rechtspersoon houdt op te bestaan indien de rechtspersoon op het tijdstip van ontbinding geen baten meer heeft. In dat geval blijft vereffening achterwege, omdat er niets te vereffenen valt. Zou dat het geval zijn, dan zou Yvomar niet meer bestaan en om die reden niet meer in rechte kunnen optreden. Deze regel kan tot uitzondering lijden indien op de datum van de ontbinding nog wel een bate aanwezig blijkt te zijn (zie HR 26 maart 2004, JOR 2004/127). Het enkele feit dat in het handelsregister staat vermeld dat geen baten meer aanwezig zijn, staat daaraan niet zonder meer in de weg. Onder meer niet indien degene die op de inschrijving een beroep doet, die inschrijving niet zonder meer voor juist mocht houden. De rechtbank stelt vast dat er op het moment van inschrijving op

5 januari 2012, nog een bate aanwezig was, namelijk een niet-betwiste vordering op Rimplex van € 500,-, welk bedrag op 19 januari 2012 is voldaan. De inschrijving was dus niet juist en de rechtspersoon heeft niet opgehouden te bestaan. Omdat Rimplex wist dat Yvomar nog een vordering op haar had, kan Yvomar zich jegens Rimplex op grond van artikel 2:6, lid 3 BW op de onjuistheid van de inschrijving beroepen. De slotsom is dan ook dat Yvomar voor de duur van de vereffening is blijven bestaan en zelfstandig in rechte kan optreden. Zij is ontvankelijk in haar vorderingen.

De Renault-trekker

4.3 Ook als Yvomar wordt gevolgd in haar stelling dat de Renault-trekker op 6 januari 2011 door [bedrijfsnaam] feitelijk aan haar is geleverd, heeft dit er niet toe geleid dat zij eigenaar is geworden. [Bedrijfsnaam] heeft immers nadrukkelijk een eigendomsvoorbehoud gemaakt totdat de laatste termijn zou zijn betaald (zie rechtsoverweging 2.6). De feitelijke levering aan Yvomar betekent in die constellatie niet meer dan dat Yvomar vanaf dat moment bezitter van de Renault-trekker is geworden. Zij zou na betaling van de laatste termijn eigenaresse worden. Tussen partijen staat verder vast dat [gedaagde 1] vanaf 7 januari 2011 feitelijk gebruiker van de Renault-trekker is geweest en dat de laatste (en de voorlaatste) termijn van € 2000,- door hem aan [bedrijfsnaam] is voldaan, waarna het kentekenbewijs aan hem ter hand is gesteld. Ook is tussen partijen in confesso dat [gedaagde 1] de brief van 7 januari 2011 (weergegeven in rechtsoverweging 2.8) aan [bedrijfsnaam] ter hand heeft gesteld waarna deze een nieuwe factuur op naam van [gedaagde 1] heeft opgemaakt. De vraag of de brief van 7 januari 2011 vals of vervalst is, kan in het midden blijven. Gesteld noch gebleken is dat [bedrijfsnaam] reden had om aan de juistheid van de inhoud van de brief te twijfelen. Hieruit volgt dat [bedrijfsnaam] op dat moment te goeder trouw meende en mocht menen dat zij de Renault-trekker, inclusief kentekenbewijs, krachtens een geldige titel kon leveren aan [gedaagde 1]. Door dit ook daadwerkelijk te doen, heeft [bedrijfsnaam] de eigendom van de Renault-trekker overgedragen aan [gedaagde 1], die daarmee eigenaar is geworden. Dat Yvomar premie voor de

WAM-verzekering en de kosten van een APK-keuring heeft voldaan, maken dit niet anders. Deze omstandigheden zijn niet beslissend voor de eigendomsvraag.

4.4 [gedaagde 1] heeft nog gesteld dat hij, na oprichting van de vennootschap onder firma Rimplex, het kentekenbewijs op naam van Rimplex heeft overgeschreven. Onduidelijk is of het voertuig op basis van een geldige titel ook daadwerkelijk aan Rimplex is geleverd, zodat niet vaststaat dat Rimplex, zoals [gedaagde 1] stelt, op dit moment eigenaresse is van de auto. Die omstandigheid is echter niet van doorslaggevende aard nu de vorderingen van Yvomar gericht zijn tegen zowel Rimplex als haar beide vennoten, waaronder [gedaagde 1]. De rechtbank laat deze kwestie verder in het midden, nu er een andere reden is op grond waarvan de vorderingen van Yvomar met betrekking tot de Renault-trekker moeten worden afgewezen. Yvomar heeft immers zelf gesteld dat zij met Rimplex is overeengekomen dat de Renault-trekker weer “op haar naam zou worden gezet” (de rechtbank begrijpt dat hiermee bedoeld wordt: “weer in eigendom aan Yvomar zou worden overgedragen”), zodra het faillissement van “NY Koeriers” zou zijn opgeheven of beëindigd. Door Yvomar is gesteld noch gebleken dat deze voorwaarde op enig moment is vervuld. Reeds om die reden liggen de vorderingen van Yvomar met betrekking tot de Renault-trekker voor afwijzing gereed. Dit betekent dat ook de kwestie van het al dan niet vals of vervalst zijn van de brief van 7 januari 2011, hier in rechte onbesproken kan blijven.

De Mercedes-bestelbus

4.5 De curator in het faillissement van “NY Koeriers” heeft, terwijl hij daartoe bevoegd was, de Mercedes-bestelbus geleverd aan [gedaagde 1]. Aan de levering lag een geldige titel ten grondslag, te weten de tussen hen beiden gesloten koopovereenkomst, overgelegd als productie 3 bij antwoord. Daarmee is [gedaagde 1], op grond van het bepaalde in artikel 3:84 BW, eigenaar geworden van dit voertuig. Yvomar heeft echter gesteld dat zij met [gedaagde 1] is overeengekomen dat het voertuig op naam van Yvomar zou worden gezet, zodra het faillissement van “NY Koeriers” zou zijn opgeheven of beëindigd. Ook wanneer de rechtbank “het op naam zetten van Yvomar” opvat als “het overdragen van de eigendom” van het voertuig, dan kan deze stelling niet het door Yvomar beoogde rechtsgevolg hebben. Yvomar heeft immers niet gesteld dat de door haar gestelde voorwaarde voor de overdracht, te weten de beëindiging/opheffing van het faillissement van “NY Koeriers”, op enig moment is vervuld. Evenmin is hiervan gebleken. De vordering van Yvomar met betrekking tot de Mercedes-bestelbus dient om die reden eveneens te worden afgewezen.

De gebruiksvergoeding c.q. de vordering uit hoofde van gemiste huurinkomsten

4.6 Nu de vorderingen van Yvomar voor wat betreft het eigendomsrecht van beide voertuigen niet kunnen slagen, kan de gevorderde gebruiksvergoeding c.q. vergoeding wegens gemiste huurinkomsten, wat daarvan verder ook zij, evenmin worden toegewezen.

De (resterende) geldvorderingen

4.7 Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] werkzaamheden hebben overgenomen, die [eiseres 1] als DGA van Yvomar normaliter verrichtte.

[eiseres 1] was door ziekte tijdelijk niet in staat die werkzaamheden uit te voeren. Vast staat ook dat tussen partijen een familierelatie bestaat, zodat aannemelijk is dat mede vanwege die relatie [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich bereid hebben verklaard om [eiseres 1] en [eiseres 2] en hun vennootschap Yvomar “uit de brand” te helpen. Zij hebben in dat kader gedurende circa zes maanden het koerierswerk, waartoe Yvomar zich jegens DPD had verbonden, uitgevoerd, of helpen uitvoeren. Tegen die achtergrond ligt het, los van de vraag over de overeengekomen beloning, waarover partijen van mening verschillen, niet erg voor de hand dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als (al dan niet betaalde) “mantelzorgers” ook zouden moeten opdraaien voor de daaraan verbonden kosten. Zeker niet als zij bij het maken van die kosten verder niet gebaat zijn. Verder valt op dat uit de omschrijving bij de bankafschriften, die dienaangaande in het geding zijn gebracht, nergens het woord “voorschot” of “lening” voorkomt. Bij de omschrijvingen zijn vermeld de woorden: “telefoonkosten”, “bet cursus tel internet eurovignet wegenbelasting”, “voorgeschoten bedrag” en “[bedrijfsnaam 2]”. Van belang is voorts dat Yvomar niet heeft betwist dat een deel van de koerierswerkzaamheden door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn verricht met hun privé-bestelbus.

4.8 Gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden, acht de rechtbank de lezing die Rimplex heeft gegeven voor deze betalingen van Yvomar aan haar c.q. haar vennoten, afgezet tegen de uitleg van Yvomar bij deze betalingen, zodanig voor de hand liggend dat de rechtbank de lezing van Rimplex voorshands als vaststaand aanneemt. Het staat Yvomar uiteraard vrij om de juistheid hiervan te ontzenuwen en daartoe tegenbewijs te leveren. Yvomar heeft ook op dit onderdeel van het geschil bewijs aangeboden en zij zal daartoe worden toegelaten.

4.9 In afwachting van bewijslevering zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5. beslissing

De rechtbank:

I. Stelt Yvomar in de gelegenheid om tegenbewijs te leveren als in rechtsoverweging 4.8 omschreven.

II. Bepaalt dat indien Yvomar bewijs wenst te leveren door getuigen, deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Almelo door mr. M. Melaard.

III. Verwijst de zaak naar de civiele rol van deze rechtbank van woensdag 7 november 2012 voor dagbepaling van bewijslevering en draagt Yvomar op ervoor zorg te dragen dat uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk bericht ter griffie is ontvangen betreffende de verhinderdata van beide partijen en het aantal te horen getuigen dan wel dat hij geen (tegen)bewijs (door getuigen) wenst te leveren.

IV. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M. Melaard en is op 24 oktober 2012 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature