< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft het college een gedoogplicht als bedoeld in artikel 9 van de Waterstaatswet 1900 opgelegd voor het uitvoeren van voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de Buitenring Parkstad Limburg (hierna: de Buitenring) op enkele percelen in Nuth en Schinnen die behoren tot het landgoed Reijmersbeek.

Uitspraak



201208771/2/A4.

Datum uitspraak: 12 november 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 augustus 2012 in zaak nr. 11/1723 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rentmeesterskantoor Mergelland B.V., gevestigd te Ingber, gemeente Gulpen-Wittem, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: het rentmeesterskantoor),

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft het college een gedoogplicht als bedoeld in artikel 9 van de Waterstaatswet 1900 opgelegd voor het uitvoeren van voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de Buitenring Parkstad Limburg (hierna: de Buitenring) op enkele percelen in Nuth en Schinnen die behoren tot het landgoed Reijmersbeek.

Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft het college besloten op het door het rentmeesterskantoor daartegen gemaakte bezwaar en daarbij het besluit van 15 maart 2011 gehandhaafd onder toevoeging van een nadere specificatie van de werkzaamheden en onderzoeken die zullen worden uitgevoerd op grond van de opgelegde gedoogplicht.

Bij uitspraak van 27 augustus 2012 heeft de rechtbank het door het rentmeesterskantoor daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 augustus 2011 vernietigd en bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 15 maart 2011 geschorst tot het onherroepelijk worden van het inpassingsplan van 29 juli (lees: juni) 2012.

Tegen deze uitspraak heeft onder meer het college hoger beroep ingesteld.

Het college heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 oktober 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en mr. M. Jansen Schoonhoven, en het rentmeesterskantoor, vertegenwoordigd door mr. C.J. Schipperus, advocaat te Wijchen, en W. Gerrickens, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het college heeft de voorzitter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening, te weten de schorsing van het besluit van 15 maart 2011, op te heffen en te bepalen dat het uitvoeren van de onderzoeken, zoals nader omschreven in het besluit van 30 augustus 2011, moet worden gedoogd. Deze onderzoeken bestaan uit het uitvoeren van boringen en sonderingen in het kader van archeologisch, geotechnisch en milieuhygiënisch bodemonderzoek. Voorts heeft het college de voorzitter verzocht om te bepalen dat geen nieuw besluit op het bezwaar van het rentmeesterskantoor hoeft te worden genomen totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Het college acht een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig omdat, naar het stelt, de geplande openstelling van de Buitenring in 2015 in het gedrang komt wanneer met de onderzoeken moet worden gewacht tot het inpassingplan van 29 juni 2012 onherroepelijk is, aangezien de onderzoeken nodig zijn om het definitieve wegontwerp van de Buitenring te kunnen bepalen.

3.    Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de geplande openstelling van de Buitenring in 2015 niet kan worden gehaald wanneer met de uitvoering van de onderzoeken moet worden gewacht totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de bodemzaak in januari 2013 ter zitting zal worden behandeld en het college niet aan de hand van concrete gegevens inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre de aanleg van de Buitenring in zijn geheel vertraging oploopt indien de onderzoeken op de percelen waarop de gedoogplicht ziet thans niet kunnen plaatsvinden. Voorts is niet aannemelijk geworden dat met de geplande openstelling van de Buitenring in 2015 wat de verkeersveiligheid en de doorstroming betreft een dusdanig zwaarwegend belang is gemoeid, dat daarin een spoedeisend belang is gelegen bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

Gelet op het voorgaande heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat het een zodanig spoedeisend belang heeft bij onmiddellijke uitvoering van de onderzoeken dat het oordeel in de bodemzaak niet kan worden afgewacht.

4.    Gelet op het belang dat wordt gediend bij een efficiënte en finale beslechting van het geschil, ziet de voorzitter geen aanleiding af te wijken van de hoofdregel dat het college een nieuw besluit neemt dat met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden beoordeeld in het kader van het hoger beroep dat door het college tegen de uitspraak van de rechtbank is ingesteld.

5.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    wijst het verzoek af;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rentmeesterskantoor Mergelland B.V. en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 488,52 (zegge: vierhonderdachtentachtig euro en tweeënvijftig cent), waarvan € 437,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann    w.g. Van Roessel

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2012

457-687.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature