< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing aanvraag voor bijzondere bijstand. 1) Griffierecht. Voorliggende voorziening. 2) (Voorschot op te betalen) advocaatkosten. Voorliggende voorziening. De toegang tot de rechter (en in het verlengde daarvan de vrijheden die het EVRM beoogt te beschermen) zijn in voldoende mate gewaarborgd. Niet gebleken is dat voor appellant de toegang tot de rechter op geen enkele andere wijze was te verhelpen dan door het verlenen van bijzondere bijstand. 3) Oogkap. Voorliggende voorziening. 4) Achterstallige premie ziektekostenverzekering. Beroep op de hardheidsclausule faalt. Geen sprake van zeer dringende redenen. 5) Reiskosten voor het bijwonen van een hoorzitting bij de Raad voor rechtsbijstand (Rvr). Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is aan te merken als een voorliggende voorziening waarop appellant een beroep had moeten doen.

Uitspraak



10/5593 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 1 september 2010, 09/1885 WWB (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand te Harderwijk (IGSD), nu Sociale Dienst Veluwerand (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 6 november 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2012. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.G. Röst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand. Deze aanvraag betreft, voor zover nog van belang:

- griffierecht (€ 63,50);

- advocaatkosten (€ 194,--);

- advocaatkosten (€ 1.038,--);

- een voorschot op te betalen advocaatkosten (€ 3.000,--);

- een oogkap (€ 21,42);

- achterstallige premie ziektekostenverzekering (€ 2.528,23);

- reiskosten (€ 21,60) voor het bijwonen van een hoorzitting bij de Raad voor rechtsbijstand (Rvr).

1.2. Bij besluit van 1 september 2009 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag deels buiten behandeling gesteld en de aanvraag voor het overige afgewezen. Bij besluit van 17 november 2009 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur, voor zover nog van belang, de tegen de afwijzing gerichte bezwaren van appellant ongegrond verklaard en voorts na bezwaar alsnog inhoudelijk beslist op het deel van de aanvraag dat eerder buiten behandeling is gesteld en de aanvraag ook in zoverre afgewezen.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger op de hierna aan te geven gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Griffierecht

4.1. Appellant heeft aangevoerd dat de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht (€ 63,50) had moeten worden toegewezen omdat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wet Werk en Bijstand (WWB).

4.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het dagelijks bestuur zich in het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) als een voorliggende voorziening is aan te merken. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, geldt de Wrb met betrekking tot de kosten van griffierecht niet als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 van de WWB . Uit de gedingstukken komt naar voren dat voor de betreffende procedure geen toevoeging was verstrekt. Aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval kon het dagelijks bestuur de noodzaak van de betreffende procedure niet vaststellen. Aan de vraag of appellant op grond van zeer dringende redenen, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB met betrekking tot bedoelde kosten aanspraak kan maken op bijzondere bijstand wordt dan niet meer toegekomen. Dit betekent dat de in 4.1 geformuleerde beroepsgrond faalt.

Advocaatkosten

4.3. Met betrekking tot de advocaatkosten (€ 194,--) heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2002, LJN AF4569. Appellant meent dat de feiten in het onderhavige geval anders zijn. Hij heeft evenwel nagelaten te vermelden in hoeverre dat het geval is. Daar komt bij dat, net als in de genoemde uitspraak, ook in het onderhavige geval bijzondere bijstand is aangevraagd voor kosten van rechtsbijstand in een procedure met een zakelijk belang. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient de Wrb voor de kosten van rechtsbijstandvoorziening in beginsel te worden beschouwd als een aan de WWB voorliggende voorziening. Uit artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb en de toelichting op dat artikel volgt dat de wetgever, als het rechtsbelang van de procedure de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, het bieden van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand niet noodzakelijk heeft geacht. De tweede volzin van artikel 15 van de WWB verzet zich in dat geval in beginsel tegen bijstandverlening. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat de voortzetting van zijn bedrijf afhankelijk was van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, wordt daaraan voorbijgegaan. Dit kan immers niet leiden tot het door appellant gewenste resultaat, de toewijzing van de aanvraag. Dit betoog is van belang voor de aanvraag om een toevoeging op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb . Deze beroepsgrond faalt.

4.4. Het hoger beroep faalt ook voor zover appellant in algemene zin heeft betoogd dat bijzondere bijstand voor de advocaatkosten moet worden verleend omdat sprake is van zeer dringende redenen. Het dagelijks bestuur heeft de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand in de advocaatkosten (€ 194,--) gebaseerd op artikel 15, eerste lid, van de WWB . In dat geval biedt artikel 16 van de WWB de mogelijkheid bij zeer dringende redenen in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB bijstand te verlenen. De door appellant aangevoerde omstandigheden op grond waarvan sprake zou zijn van zeer dringende redenen, komen er op neer dat hij, doordat geen bijzondere bijstand is verleend, geen eerlijk proces heeft gehad. Dit houdt volgens appellant verband met de omstandigheid dat hij als gevolg van de (te) lange termijnen bij de Rvr niet tijdig een advocaat heeft kunnen stellen. Appellant wijst in dit verband ook op diverse bepalingen uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

4.5. Met het oog op de toegang tot de rechter is voorzien in een stelsel van gefinancierde rechtshulp. Daarnaast kan aan degenen die daarvoor in aanmerking komen bijzondere bijstand worden verleend voor het betalen van de kosten van het griffierecht en de eigen bijdrage.

De toegang tot de rechter (en in het verlengde daarvan de vrijheden die het EVRM beoogt te beschermen) zijn daarmee in voldoende mate gewaarborgd. Niet gebleken is dat voor appellant de toegang tot de rechter op geen enkele andere wijze was te verhelpen dan door het verlenen van bijzondere bijstand. Dit betekent dat van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB geen sprake is. Het houdt tevens in dat niet gezegd kan worden dat door de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand de toegang tot de rechter in het geding was.

4.6. Met betrekking tot de aanvraag voor bijzondere bijstand voor advocaatkosten (€ 1.038,--) en de aanvraag voor een voorschot op te betalen advocaatkosten (€ 3.000,--), is ter zitting met partijen vastgesteld dat appellant niet langer enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn gronden. Voor de procedure waarop de kosten betrekking hebben, is een toevoeging verleend en het dagelijks bestuur heeft bijzondere bijstand verleend voor de eigen bijdrage. Voor zover appellant naar voren heeft gebracht dat hij graag een inhoudelijke beoordeling wil in verband met eventuele toekomstige besluitvorming geldt dat dit een onvoldoende actueel belang vormt om het hoger beroep ontvankelijk te achten. Voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de afwijzing van de hier bedoelde kosten, zal het niet-ontvankelijk worden verklaard.

Oogkap

4.7. Met betrekking tot de afwijzing van de aanvraag voor de kosten voor een oogkap heeft appellant aangevoerd dat hij niet zomaar aan een niet-deskundige medische informatie kan verstrekken. Het is echter aan appellant als aanvrager om aannemelijk te maken dat de voorliggende voorziening in zijn geval niet passend en toereikend is en dat het gebruik van een oogkap voor hem om medische redenen noodzakelijk is. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd faalt daarom. Ook voor deze kosten kan geen aanspraak op bijzondere bijstand worden ontleend aan artikel 16, eerste lid, van de WWB . De Raad verwijst hiervoor naar wat is overwogen onder 4.2.

4.8. Het bestreden besluit is voor zover dit de onder 4.1, 4.3 en 4.7 bedoelde kosten betreft niet onzorgvuldig tot stand gekomen omdat het dagelijks bestuur niet heeft gewezen op artikel 35, vierde lid, van de WWB of de artikelen 48 en 49 van de WWB . Beleid op grond waarvan bijstand wordt verleend aan de in artikel 35, vierde lid, van de WWB bedoelde categorie ën personen ontbreekt. Appellant kan dan ook geen recht op bijzondere bijstand aan deze bepaling ontlenen. Artikel 48 van de WWB ziet op de vorm waarin de toe te kennen bijstand wordt verleend. Dit artikel is niet bepalend voor de vraag of al dan niet een recht op bijstand bestaat. Omdat de bijstand voor de hier bedoelde kosten is afgewezen, is artikel 48 van de WWB niet aan de orde. Artikel 49 van de WWB is reeds niet van toepassing omdat geen sprake is van bijstand voor de aflossing van een schuldenlast als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en sub f, van de WWB , zoals dit luidde ten tijde van belang. Hetgeen appellant op dit punt heeft aangevoerd faalt.

Premie ziektekostenverzekering

4.9. Met betrekking tot de kosten die zien op achterstallige premie ziektekostenverzekering heeft appellant aangevoerd dat hier de hardheidsclausule van toepassing is en dat het dagelijks bestuur hem vanuit zijn zorgplicht had moeten helpen. De kosten voor de premie ziektekostenverzekering behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan die door appellant uit de beschikbare middelen moeten worden voldaan. Het betreft hier de kosten van een betalingsachterstand, zodat sprake is van een schuld, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld. Dit betekent dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB , zoals dit luidde ten tijde van belang, een beletsel vormde voor verlening van bijstand in deze kosten. Voor zover appellant met zijn beroep op de hardheidsclausule een beroep beoogt te doen op toepassing van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB faalt dit beroep. Op grond van dit artikelonderdeel moet voor bijstandsverlening zijn voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van zeer dringende redenen. In wat appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in zijn geval sprake is geweest van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB . Dit betekent dat het hoger beroep in zoverre faalt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover deze betrekking heeft op de schuld in de ziektekostenpremie, worden bevestigd met verbetering van gronden, nu de rechtbank het besluit ten onrechte ook heeft getoetst aan artikel 16 van de WWB .

4.10. Voor zover appellant met betrekking tot de achterstallige premie ook heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur had moeten wijzen op de artikelen 35, vierde lid, of 48 van de WWB , wordt verwezen naar hetgeen onder 4.8 is overwogen. Anders dan appellant betoogt kan daarom niet gezegd worden dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen door niet op genoemde artikelen te wijzen.

Reiskosten

4.11. Met betrekking tot de reiskosten die appellant heeft gemaakt in verband met het bijwonen van een hoorzitting bij de Rvr heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat deze kosten moeten worden afgewezen omdat hij in bezwaar niet om vergoeding van die kosten heeft gevraagd. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat de Rvr geen reiskostenvergoedingen verstrekt. Ook deze grond slaagt niet. Op grond van artikel 1, aanhef en sub c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht , in samenhang met artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), worden de kosten die appellant in verband met de behandeling van een bezwaarschrift moet maken door het bestuursorgaan vergoed, voor zover het besluit waarvan in bezwaar is gekomen wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is aan te merken als een voorliggende voorziening waarop appellant een beroep had moeten doen. Ook deze grond treft geen doel.

4.12. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor advocaatkosten (€ 1.038,--) en het voorschot voor advocaatkosten (€ 3.000,--). Het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het niet verlenen van bijzondere bijstand voor de overige kosten slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt in zoverre, deels met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking. Het verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade dient, gelet hierop, te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor advocaatkosten (€ 1.038,--) en het voorschot voor advocaatkosten (€ 3.000,--);

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

-wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en Y.J. Klik en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Sahin

RB


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature