< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Het advies van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige levert geen aanvullende onderbouwing op van de stelling van eiseres dat zij de besmetting met ‘entamoeba histolytica’ tijdens haar werkzaamheden heeft opgelopen. Beroepsziekte is onvoldoende aannemelijk gemaakt omdat onvoldoende is komen vast te staan dat er een causaal verband is tussen de opgelopen infectie en de beroepswerkzaamheden. Zorgplicht is niet geschonden door verweerder. Vereiste van goed werkgeverschap is evenmin geschonden.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/2395

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2012 in de zaak tussen

[…], te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. N.D. Dane,

en

de Korpsbeheerder Regiopolitie Rotterdam Rijnmond, verweerder,

gemachtigde: mr. M.H.E. van Veeren.

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 6 juni 2008, 2 juli 2008 en 3 september 2009 (de primaire besluiten) ongegrond verklaard. De primaire besluiten strekten tot het stopzetten van de verlofopbouw wegens ziekte, het korten van de bezoldiging tot 90% wegens ziekte met ingang van 1 juni 2009 en het afwijzen van het verzoek van eiseres om haar ziekte aan te merken als een beroepsincident of beroepsziekte.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting aangehouden om een deskundige te benoemen. Op 29 maart 2011 heeft de rechtbank […], arts Interne Geneeskunde van het Havenziekenhuis te Rotterdam benoemd als deskundige. Op 29 juni 2011 heeft de rechtbank het deskundigenrapport van dr. […] van het Havenziekenhuis ontvangen. Bij brief van 25 juli 2011 heeft verweerder gereageerd op voormeld rapport. Eiseres heeft gereageerd bij brief van 11 augustus 2011. In de voornoemde reacties van partijen op de rapportage van 29 juni 2011 heeft de rechtbank aanleiding gezien nadere vragen te stellen aan de deskundige. Bij brief van 24 oktober 2011 heeft de deskundige deze nadere vragen beantwoord. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Verweerder heeft zijn reactie gegeven bij brief van 17 oktober 2011. Bij brief van 17 november 2011 heeft verweerder een nadere aanvulling gegeven. Eiseres heeft gereageerd bij brief van 18 januari 2012. Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 3 september 2012.

Overwegingen

1. Vanaf 17 november 2007 is eiseres volledig arbeidsongeschikt wegens ziekte. Zij heeft een infectie opgelopen met entamoeba hystolytica. Bij besluit van 14 mei 2008 heeft verweerder de verlofopbouw wegens ziekte stopgezet. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 juli 2008 heeft verweerder de bezoldiging van eiseres wegens ziekte langer dan 26 weken vast gesteld op 90%. Ook tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij brief van 10 juli 2008 heeft eiseres verzocht de opgelopen infectie met entamoeba hystolytica aan te merken als een dienstongeval. Bij besluit van 3 september 2009 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Partijen zijn overeengekomen dat de bezwaren gevoegd behandeld worden. Bij besluit van 6 mei 2010 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er een onvoldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat eiseres de opgelopen infectie met entamoeba histolytica heeft opgelopen tijdens haar beroepswerkzaamheden. De informatie van de bedrijfsarts dat de kans om in Nederland de infectie op te lopen bijzonder klein is, is hierbij betrokken zodat daarmee niet meer expliciet wordt toegekomen aan de vraag of de omgang met verdachten die van oorsprong uit risicolanden komen een verhoogd risico geeft op besmetting met de entamoeba histolytica.

Zelfs indien een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat eiseres haar ziekte heeft opgelopen tijdens haar beroepswerkzaamheden, dan nog zou de omgang met verdachten die van oorsprong uit risicolanden komen een zodanig gering verhoogd risico geven op besmetting met de entamoeba histolytica dat dit verwaarloosbaar moet worden geacht.

3.1. Eiseres voert aan dat zij onweersproken is geïnfecteerd met de parasiet ‘entamoeba histolytica’, dat deze infectie kan worden opgelopen door contact met de cysten vorm van deze parasiet - onder meer door contact met reeds geïnfecteerde personen (door middel van het schudden van handen) alsmede door contact met door deze personen aangeraakte voorwerpen (in het geval van doorzoekingen) - , dat eiseres uit hoofde van haar functie in nauw contact heeft verkeerd met personen uit de zogeheten risicolanden en in dit verband heeft deelgenomen aan doorzoekingen en dat van schuld of onvoorzichtigheid van de zijde van eiseres geen sprake is.

Eiseres meent dat onvoldoende gewicht is toegekend aan het feit dat eiseres – onweersproken – zelf geen reizen heeft ondernomen naar risicogebieden, noch privécontacten heeft onderhouden met personen welke een verhoogd risico op besmetting hebben. Eiseres is in Nederland besmet geraakt en uit hoofde van haar functie heeft zij bovengemiddeld in contact gestaan met personen behorend tot de risicogroepen.

Ook is de visie van de bedrijfsarts onderbelicht gebleven waarin is verwoord dat de kans om in Nederland besmet te raken weliswaar klein is maar aanzienlijk toeneemt in het geval van contacten met personen uit risicolanden.

Onvoldoende onderkend is ook dat het gegeven dat zich bij de aan de zorg van eiseres toevertrouwde personen geen ziekteverschijnselen hebben geopenbaard niet wil zeggen dat deze personen niet besmet zijn geweest – zoals verweerder heeft verondersteld – en een asymptomatische drager van de bewuste parasiet ook als bron van besmetting kan fungeren. Evenzo geldt dat aan de afwezigheid van ziekteverschijnselen bij collega’s van eiseres niet het gewicht toekomt zoals verweerder dat in de onderhavige situatie heeft aangenomen.

Tot slot acht eiseres relevant dat verweerder geen maatregelen heeft getroffen medewerkers te waarschuwen, dan wel te beschermen tegen de risico’s van besmetting met de entamoeba histolytica en in dit opzicht de zorgplicht is geschonden.

3.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat beoordeeld moet worden of de infectie met de ‘entamoeba histolytica’ in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan eiseres opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waarin deze moesten worden verricht en of deze niet aan haar schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

De werkzaamheden die eiseres verrichtte en de omstandigheden waaronder zij deze verrichtte brachten niet een verhoogd risico op deze besmetting met zich mee.

Het deelnemen aan de verhoren van verdachten behoorde tot de in de functie van administratief medewerker door eiseres te verrichten werkzaamheden. Deze omstandigheid leidt evenwel op zichzelf niet tot de conclusie dat gesproken moet worden van een dienstongeval of beroepsziekte. Gebleken noch aangetoond is dat het hebben van contact, bestaand uit het schudden van handen, met deze verdachten die zijn geboren in een zogenaamd risicoland tijdens de verhoren, een bijzonder dan wel een verhoogd risico op het ontstaan van een besmetting met de ‘entamoeba histolytica’ met zich meebracht.

De kans dat iemand in Nederland besmet raakt met de ‘entamoeba histolytica’ is uitermate klein. Jaarlijks vinden er enkele tientallen besmettingen plaats, waarvan een aantal zonder tropencontact. Het gegeven dat het om een zeer gering aantal besmettingen gaat, maakt dat er in het algemeen bezien sprake is van een verwaarloosbaar risico op besmetting met de ‘entamoeba histolytica’. Dit maakt dat het risico bij contact met meerdere mensen uit de risicogebieden – zoals in het kader van de verhoren plaatsvond – slechts in theorie hoger is, maar in realiteit echter nog altijd uiterst gering en als verwaarloosbaar moet worden aangemerkt.

Er zijn geen aanwijzingen waaruit zou volgen dat eiseres de besmetting met ‘entamoeba histolytica’ heeft opgelopen in de uitvoering van de werkzaamheden in verband met de contacten die zij heeft gehad met verdachten, getuigen en in beslag genomen goederen. Van een verhoogd risico op besmetting was geen sprake. Niet valt in te zien dat er voor verweerder aanleiding bestond maatregelen te treffen om medewerkers te waarschuwen of te beschermen tegen de (uiterst geringe) risico’s van besmetting.

Verweerder ziet zich in dit standpunt gesteund, nu uit onderzoek is gebleken dat geen van de collega’s die met eiseres in hetzelfde project werkzaam waren, noch de bij die verhoren betrokken verdachten te kampen heeft gehad met ziekteverschijnselen behorend bij de besmetting die door eiseres werd opgelopen. Ook is verweerder niet gebleken dat bij de aan de zorg van eiseres toevertrouwde personen zich ziekteverschijnselen hebben geopenbaard.

4.1. Op grond van artikel 1, aanhef en onder y, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) wordt in dit besluit onder beroepsziekte verstaan een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder z, van het Barp wordt in dit besluit onder dienstongeval verstaan een ongeval, welk in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

4.2 Op grond van artikel 1, aanhef en onder bb, van het Besluit bezoldiging politie (hierna: Bbp) is een beroepsincident een dienstongeval of een beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken.

Op grond van artikel 38, eerste lid, van het Bbp heeft de ambtenaar bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijd van 104 weken recht op doorbetaling van zijn bezoldiging overeenkomstig de volgende tabel:

1°. de eerste 26 weken 100% van de bezoldiging;

2°. de tweede 26 weken 90% van de bezoldiging;

3°. de derde 26 weken 80% van de bezoldiging;

4°. vervolgens 70% van de bezoldiging.

Op grond van artikel 38, tweede lid, van het Bbp behoudt de ambtenaar, in afwijking van het eerste lid, indien de ziekte uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, veroorzaakt is door een beroepsincident, zijn aanspraak op doorbetaling van 100% van zijn bezoldiging.

4.3. Op grond van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank ambtshalve de feiten aanvullen.

5.1. De rechtbank heeft de deskundige dr. […] bij brief van 29 maart 2011 de volgende vragen gesteld:

1. Heeft verweerder voldoende zorgplicht in acht genomen om een besmetting met de ‘entamoeba histolytica’ te voorkomen?

2. Is de door betrokkene opgelopen infectie met de ‘entamoeba histolytica’ aan te merken als een beroepsziekte?

a. bestaat er een voldoende mate van waarschijnlijkheid – anders gezegd: is het voldoende aannemelijk – dat eiseres de besmetting met de ‘entamoeba histolytica’ tijdens haar beroepswerkzaamheden heeft opgelopen?

b. is eiseres door haar werkzaamheden voor de politie of de omstandigheden waarin deze moesten worden verricht blootgesteld aan een verhoogd risico besmet te worden met deze parasiet?

5.2. In zijn rapportage van 29 juni 2011 heeft dr. […] gesteld dat de niet door de rechtbank gestelde vraag of er daadwerkelijk sprake is geweest van infectie met ‘entamoeba histolytica’, in deze zaak cruciaal is. Volgens dr. […] is – gelet op het dossieronderzoek en eigen onderzoek – niet aangetoond dat eiseres besmet is (geweest) met ‘entamoeba histolytica’ . Met betrekking tot de door de rechtbank gestelde vragen heeft hij als volgt gesteld:

Ten aanzien van vraag 1:

Verweerder heeft onvoldoende zorgplicht in acht genomen.

Ten aanzien van vraag 2:

Volgens de bevindingen heeft eiseres geen infectie met ‘entamoeba histolytica’ opgelopen en kan deze infectie dus niet als een beroepsziekte in Nederland worden aangemerkt. Derhalve is er ook geen causaal verband tussen de opgelopen infectie en de beroepswerkzaamheden vast te stellen.

5.3.1. Verweerder heeft bij brief van 25 juli 2011 zijn reactie op voormeld rapport van de deskundige kenbaar gemaakt en gesteld dat aan het oordeel van de deskundige dat verweerder zijn zorgplicht onvoldoende in acht heeft genomen door geen handschoenen ter beschikking te stellen geen conclusies kunnen worden verbonden, nu een infectie met ‘entamoeba histolytica’ door de deskundige is uitgesloten.

5.3.2. Eiseres heeft gereageerd bij brief van 10 augustus 2011. Zij heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat het deskundigenrapport ernstige tekortkomingen vertoont, omdat miskend is dat het gaat om de vraag of zij ten tijde in geding geïnfecteerd is geweest met ‘entamoeba histolytica’ en er ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de behandeling die eiseres in februari 2008 in het Maasstad ziekenhuis heeft ondergaan gericht op de bestrijding van ‘entamoeba histolytica’. Eiseres heeft verzocht om een afschrift van de stukken welke aan de basis van de rapportage van de deskundige hebben gelegen.

5.4. Naar aanleiding van de hiervoor vermelde reacties van partijen heeft de rechtbank bij brief van 3 oktober 2011 dr. […] verzocht om een reactie te geven op de brief van eiseres en om de navolgende vragen te beantwoorden:

1. Indien er geen sprake is geweest van besmetting met de ‘entamoeba histolytica’, kunt u aangeven met welke infectie betrokkene in dat geval in de periode 2007-2008 besmet is geweest?

2. Is er een causaal verband tussen de door betrokkene opgelopen infectie en de beroepswerkzaamheden?

5.5. De deskundige, dr. […], heeft bij brief van 14 oktober 2011 de rechtbank als volgt bericht. Hij heeft de behandelend internist van eiseres in het Maasstad ziekenhuis, dr. […], verzocht om inlichtingen. Dr. […] heeft hierop een brief geschreven waarbij de betreffende periode in 2008 in grote lijnen werd samengevat. Als bijlage was een brief bijgesloten die verslag deed over de opname van eiseres van 14 april 2008 tot en met 22 april 2008. Details over een opname in februari 2008 zijn niet ter beschikking gesteld aan de deskundige.

Door de behandelend artsen van eiseres werd de diagnose ‘entamoeba histolytica’ infectie verworpen.

Ten aanzien van de door de rechtbank gestelde vragen heeft dr. […] als volgt geantwoord:

1. Eiseres is in deze periode besmet geweest met een ‘entamoeba dispar’ omdat in de beschikbare correspondentie er met regelmaat melding gemaakt wordt van ‘entamoeba histolytica/dispar’ cysten en een ‘entamoeba histolytica’ infectie onwaarschijnlijk werd geacht.

2. Een besmetting met ‘entamoeba dispar’ loopt men op doordat men de cysten oraal opneemt. Het voorkomen van deze cysten is echter niet specifiek aan de tropen verbonden en zou in theorie ook in Nederland kunnen optreden. Een specifiek causaal verband tussen de door eiseres opgelopen infectie en de beroepswerkzaamheden wordt vooralsnog onwaarschijnlijk geacht, maar kan niet met zekerheid worden uitgesloten omdat eiseres aangegeven heeft dat zij bij haar werkzaamheden niet kon beschikken over handschoenen en primaire handhygiëne (handen wassen met zeep of alcoholoplossing).

5.6.1. Verweerder heeft bij brief van 17 oktober 2011 gereageerd op de vraagstelling van de rechtbank en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de rechtbank met deze vraagstelling buiten de omvang van het geschil is getreden.

5.6.2. Bij brief van 31 oktober 2011 heeft verweerder gereageerd op de voornoemde brief van de deskundige. Verweerder heeft zich daarin – onder verwijzing naar en handhaving van zijn standpunt verwoord in de brieven van 25 juli 2011 en 17 oktober 2011 – op het standpunt gesteld dat op grond van alle stukken in het dossier er geen voldoende mate van waarschijnlijkheid is dat eiseres tijdens de beroepswerkzaamheden met één of meerdere van de genoemde bacteriën werd besmet. Verder stelt verweerder zich primair op het standpunt dat de vraag of eiseres door haar werkzaamheden of de omstandigheden waaronder zij deze verrichtte een verhoogd risico liep op besmetting, onbeantwoord kan blijven. Subsidiair is verweerder van mening dat het gegeven dat geen handschoenen en primaire handhygiëne beschikbaar waren, onder de gegeven omstandigheden niet kan leiden tot de conclusie dat eiseres door haar werkzaamheden en de omstandigheden waaronder zij deze moest verrichten, werd blootgesteld aan een verhoogd risico op besmetting. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ziekte van eiseres niet kan worden aangemerkt als beroepsziekte dan wel als beroepsongeval.

5.6.3. Eiseres betwist de conclusie van de deskundige dat ten tijde in geding geen sprake is geweest van een infectie met de ‘entamoeba histolytica’, temeer nu de deskundige heeft aangegeven niet in het bezit te zijn (gesteld) van informatie die betrekking heeft op de ziekenhuisopname van eiseres in februari 2008 en eiseres onweersproken in de periode voorafgaande aan haar ziekenhuisopname in april 2008 een behandeling heeft ondergaan gericht op de bestrijding van een infectie met ‘entamoeba histolytica’ en haar in dit verband medicatie is voorgeschreven. Eiseres kan zich wel verenigen met het oordeel van de deskundige dat verweerder de zorgplicht niet in acht heeft genomen.

Met betrekking tot het standpunt van verweerder dat de rechtbank met de aanvullende vraagstelling aan de deskundige buiten de omvang van het geschil is getreden, stelt eiseres zich op het standpunt dat nimmer in geding is geweest dat zij ten tijde in geding geïnfecteerd is/was met ‘entamoeba histolytica’, dit gegeven is door verweerder uitdrukkelijk en bij herhaling erkend. Dat eveneens sprake zou kunnen zijn van een infectie met ‘entamoeba dispar’ doet daar niets aan af en evenmin aan het feit dat de deskundige van mening is dat er geen sprake is van een infectie met ‘entamoeba histolytica’. Dat verweerder hier thans op terug wenst te komen is in strijd met de goede procesorde, nu dit feit nimmer onderwerp van geschil is geweest tussen partijen, aldus eiseres.

6. De rechtbank oordeelt als volgt.

6.1. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen nimmer in geschil is geweest dat eiseres besmet is geweest met ‘entamoeba histolytica’.

6.2. Op grond van artikel 8:69 van de Awb heeft de rechtbank de feiten aangevuld en een deskundige benoemd. Uit het deskundigenrapport van dr. […] van 29 juni 2011 en de brief van 14 oktober 2011 blijkt dat er geen sprake is geweest van een besmetting met ‘entamoeba histolytica’. Volgens dr. […] is eiseres besmet geweest met een ‘entamoeba dispar’. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voornoemde deskundigenrapport en de voornoemde brief. Op grond van artikel 8:69, derde lid, van de Awb betrekt de rechtbank het deskundigenrapport en de daarin opgenomen conclusies bij haar beoordeling.

6.3. Eiseres heeft gesteld dat zij de infectie met ‘entamoeba histolytica’ heeft opgelopen tijdens haar beroepswerkzaamheden. De rechtbank overweegt dat zij eiseres is tegemoet gekomen in haar bewijslast door een onafhankelijke deskundige in te schakelen vanwege het ontbreken van een voldoende onderbouwd deskundigenadvies van de zijde van eiseres.

Het advies van deze deskundige levert naar het oordeel van de rechtbank geen aanvullende onderbouwing van de stelling van eiseres. Zij acht daartoe redengevend dat uit het deskundigenrapport van 29 juni 2011 blijkt dat een mogelijke vorm van besmetting met ‘entamoeba histolytica’ het infectieuze cystenstadium is en dat een infectie met entamoeba dispar een identiek cystenstadium kent. Volgens dr. […] zou een besmetting met entamoeba dispar in Nederland op kunnen treden, maar een specifiek causaal verband tussen de opgelopen infectie en de beroepswerkzaamheden is vooralsnog onwaarschijnlijk, maar kan niet met zekerheid uitgesloten worden. De reactie van eiseres op het deskundigenrapport van 29 juni 2011 en de brief van 14 oktober 2011 bevat geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid daarvan.

Gelet op al het vorenstaande is eiseres er niet in geslaagd de beroepsziekte aannemelijk te maken, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat er een causaal verband is tussen de opgelopen infectie en de beroepswerkzaamheden.

6.4. Ter zake van de beroepsgrond dat verweerder geen maatregelen heeft getroffen medewerkers te waarschuwen, dan wel te beschermen tegen de risico’s van besmetting met ‘entamoeba histolytica’ en dat verweerder daardoor zijn zorgplicht als werkgever heeft geschonden, overweegt de rechtbank als volgt.

De zorgplicht van de werkgever strekt zich mede uit tot het voorkomen of beperken van gevaren en risico’s voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer. Voor zover risico’s niet kunnen worden voorkomen of beperkt, worden daartoe andere doeltreffende maatregelen genomen, waarbij onder meer persoonlijke beschermingsmiddelen aan de werknemer ter beschikking worden gesteld. In die zin moet de opmerking van de deskundige in zijn brief van 29 juni 2011 worden gelezen dat verweerder de kans om een infectieziekte op te lopen, heeft vergroot door geen zorg te dragen voor adequate handhygiëne bij doorzoekingen door zijn medewerkers.

Of verweerder in juridische zin zijn zorgplicht jegens eiseres heeft geschonden, is afhankelijk van de vraag of de door eiseres gestelde schade in de uitoefening van haar functie is ontstaan. Uit hetgeen onder 6.3. is overwogen, volgt dat eiseres er niet in geslaagd is het causaal verband tussen de opgelopen infectie en de beroepswerkzaamheden aannemelijk te maken.

6.5. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 6.4. overweegt de rechtbank dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder zich niet heeft gedragen als een goed werkgever, zoals bedoeld in artikel 125 ter van de Ambtenarenwet . Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juni 2011, LJN: BQ9228, overweegt de rechtbank dat de door eiseres gestelde schade niet is geleden in verband met haar werkzaamheden.

6.6. Het beroep is ongegrond.

6.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van 't Laar, rechter, in aanwezigheid van mr. I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature