< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Ontnemingsvordering. Bewezen verklaarde feiten: Handel in diverse hard- en softdrugs. Wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 74.000,--.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer ontneming: 01/849591-10 (36e sr)

Datum uitspraak: 24 oktober 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Procesverloop

De rechtbank heeft in de hoofdzaak met bovenvermeld parketnummer vonnis gewezen op 20 juli 2011. Dit vonnis is onherroepelijk.

De rechtbank heeft in de hoofdzaak als strafbare feiten bewezen verklaard:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

en in eendaadse samenloop gepleegd met:

overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicali ën, opzettelijk begaan

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 40, tweede lid van de Geneesmiddelenwet , opzettelijk begaan

witwassen

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het

plegen van dat feit.

De rechtbank verwijst voor de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen van de feiten in het bijzonder naar het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 juli 2011.

Het onderhavige vonnis met betrekking tot de vordering ontneming is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 november 2011 en 10 oktober 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie (en diens conclusie van repliek) en van hetgeen van de zijde van de veroordeelde (bij conclusie van antwoord en dupliek) naar voren is gebracht.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 79.321,-- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Standpunten van officier van justitie en van de verdediging:

Ter zitting heeft de officier van justitie de vordering tot ontneming gehandhaafd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de officier van justitie verwezen naar de kasopstelling die als bijlage 3 bij het ontnemingsdossier is gevoegd en de daarbij behorende bijlagen.

De raadsman heeft bepleit dat het te ontnemen bedrag dient te worden gematigd tot

€ 9.110,45 of subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat een contante uitgave voor de aankoop van het horloge van het merk Hublot bij de berekening dient te worden betrokken, ten hoogste dient te worden vastgesteld op € 21.610,45.

De beoordeling

De vordering is tijdig ingediend. De officier van justitie is ontvankelijk.

Ten aanzien van de periode

De rechtbank stelt vast dat de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, op 29 maart 2011 machtiging heeft verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek. Deze machtiging is verleend met betrekking tot de verdenking van witwassen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit dit onderzoek blijkt dat verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

De rechtbank stelt voorts vast dat bij vonnis van 20 juli 2011 ten aanzien van verdachte - onder meer - bewezen is verklaard: witwassen in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 23 oktober 2010. Deze periode is gelijk aan de tenlastegelegde periode. Ingevolge artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht kan witwassen (onder meer) worden bestraft met een geldboete van de vijfde categorie.

Hieruit volgt dat is voldaan aan de voorwaarden die artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht stelt aan het kunnen instellen van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht luidde ten tijde van de bewezenverklaarde periode met betrekking tot witwassen als volgt.

Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De raadsman heeft betoogd dat de te beoordelen periode dient te worden beperkt tot de bewezenverklaarde periode met betrekking tot witwassen, te weten 1 oktober 2009 tot en met 23 oktober 2010. De rechtbank overweegt dat uit de tekst van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht volgt dat aan de vordering ook andere (al dan niet ten laste gelegde) strafbare feiten ten grondslag mogen worden gelegd. De rechtbank is van oordeel dat artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht niet in de weg staat aan de door de officier van justitie gehanteerde periode, te weten 1 januari 2009 tot en met 23 oktober 2010.

Ten aanzien van de opgevoerde posten

De officier van justitie heeft gekozen voor de methode van kasopstelling om het wederrechtelijk verkregen voordeel te berekenen. Dit houdt in dat wordt beoordeeld of de uitgaande contante geldstromen kunnen worden verklaard uit de legale inkomende contante geldstromen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte heeft verklaard dat hij sinds november 1996 een relatie heeft met [persoon 1], dat hij gebruik maakt van de bankrekening van zijn vriendin en dat hij zijn betalingen contant doet1. [persoon 1] heeft verklaard dat de bankrekening met nummer 5420296 haar enige bankrekening is2. Uit de bankafschriften blijkt dat het salaris van [persoon 1] werd gestort op deze bankrekening3.

Omdat veroordeelde heeft verklaard dat hij alles contant betaalde en hij de enige gebruiker is van bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen acht de rechtbank, mede gelet op het feit dat te dien aanzien geen verweer is gevoerd, het aannemelijk dat alle contante opnamen en stortingen alsmede alle contante betalingen genoemd in de kasopstelling, voorzover aannemelijk geworden, aan de veroordeelde zijn toe te rekenen.

De rechtbank zal de opgevoerde posten hierna bespreken en daarbij de door de raadsman gevoerde verweren betrekken.

Opnamen en stortingen van bankrekeningnummer [rekeningnummer] op naam van mej. [persoon 1]

Ten aanzien van de opnamen en stortingen van bankrekeningnummer [rekeningnummer] is geen verweer gevoerd. De in de kasopstelling genoemde bedragen blijken uit de bij het ontnemingsdossier gevoegde bankafschriften4. De rechtbank stelt op grond van deze bankafschriften vast dat in de periode van 1 januari 2009 tot en met 23 oktober 2010 van deze bankrekening is opgenomen een bedrag van € 940,= en op deze bankrekening is gestort een bedrag van € 5.755,=. Dit leidt (per saldo) tot een contante uitgave (storting) van € 4.810,=.

Aankoop en verkoop van auto's

Ten aanzien van de verkoop van de Fiat Punto met kenteken [kenteken] stelt de rechtbank op basis van gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer vast dat deze auto tot 16 mei 2009 stond geregistreerd op naam van de vriendin van veroordeelde en dat deze auto vervolgens op 16 mei 2009 is verkocht aan [persoon 2]5. [persoon 2] heeft verklaard dat hij

€ 1.600,= in contant geld betaalde voor deze auto6.

Ten aanzien van de aankoop van de Renault Megane met kenteken [kenteken] stelt de rechtbank op basis van gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer vast dat deze auto op 16 mei 2009 is geregistreerd op naam van de vriendin van veroordeelde7. Uit de aankoopfactuur blijkt dat de auto is gekocht voor een bedrag van € 7.450,= en dat deze auto contant is betaald8.

Ten aanzien van de aankoop van de Audi met kenteken [kenteken] stelt de rechtbank op basis van de aankoopfactuur en gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer vast dat deze auto op 22 april 2010 is gekocht voor een bedrag van € 7.950,= en op naam van de vriendin van veroordeelde is gezet9. Deze auto is volgens de verkoper contant betaald door een man10. De vriendin van veroordeelde heeft verklaard dat veroordeelde de enige persoon was die gebruik maakte van deze auto11.

De Renault Megane is rond het tijdstip van de aankoop van de Audi verkocht12. De koper, [persoon 3], heeft verklaard dat zij de auto heeft gekocht voor € 5.000,=13.

Op bankrekeningnummer [rekeningnummer] is rond dat tijdstip niet een dergelijk bedrag ontvangen14.

De raadsman heeft betoogd dat de aankoop van de Audi buiten de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden gehouden, omdat veroordeelde is vrijgesproken van het witwassen van deze auto.

De rechtbank overweegt dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de vorm van een kasopstelling alle contante uitgaven (waarvan valt aan te nemen dat die door veroordeelde zijn gedaan) in de betrokken periode dienen te worden meegenomen. Het is hierbij niet van belang of de contant betaalde goederen met legale of illegale inkomsten zijn bekostigd. De vraag of sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel kan immers pas worden beantwoord wanneer alle contante uitgaven zijn afgezet tegen alle legale contante inkomsten. De aankoop van de Audi is derhalve terecht betrokken in de kasopstelling.

Aankopen bij [bedrijf 1]

Bij de doorzoeking in de woning van veroordeelde zijn een aantal facturen/kassabonnen en aankoopbevestigingen gevonden van [bedrijf 1]. Op basis van deze bescheiden stelt de rechtbank vast dat in de betrokken periode voor een totaalbedrag van

€ 5.377,95 goederen zijn aangekocht bij [bedrijf 1]. Op basis van de kassabonnen, de chauffeurslijsten en de lijst kassaverantwoording stelt de rechtbank verder vast dat dit gehele bedrag contant is voldaan15.

Door de raadsman is aangevoerd dat een deel van het aankoopbedrag is bekostigd uit de opbrengsten van de verkoop van oudere meubels. De rechtbank overweegt dat de verdediging op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd of onderbouwd dat er meubels zijn verkocht, welke meubels dat dan betrof en welke opbrengst daarmee werd gerealiseerd. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat een dergelijke verkoop heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met contante inkomsten uit meubelverkoop.

Verblijf [hotel]

Op basis van facturen van [hotel] stelt de rechtbank vast dat in de periode van 28 februari 2010 tot en met 16 november 2010 aan veroordeelde een bedrag van in totaal € 9.030,60 is gefactureerd, waarvan in totaal een bedrag van € 8.065,70 contant is betaald. Het laatste verblijf dateert van 11 oktober 201016.

Door de raadsman is aangevoerd dat veroordeelde een aantal malen voor vrienden een reservering op zijn eigen naam heeft gemaakt en dat deze vrienden hem de kosten hebben terugbetaald. De rechtbank overweegt dat de verdediging deze blote stelling op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd of onderbouwd terwijl dit ook anderszins niet aannemelijk is geworden. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met contante vergoedingen voor hotelreserveringen ten behoeve van derden.

Escortdames

Uit historische printgegevens betreffende de door veroordeelde gebruikte telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] is gebleken dat in de periode van 30 maart 2010 tot en met 20 september 2010 273 maal contact is geweest tussen deze telefoonnummers en telefoonnummer [telefoonnummer]. Dit laatstgenoemde nummer is in gebruik als zakelijk nummer van escortbedrijf [naam]17. Getuige [getuige] heeft op 2 februari 2011 verklaard dat veroordeelde sinds anderhalf jaar klant is bij het escortbedrijf. Zij verklaarde tevens dat een aantal van twee telefoontjes per afspraak gebruikelijk is en dat een afspraak € 125,= kost per half uur en € 175,= per uur18.

De officier van justitie heeft een nadere analyse laten maken van de historische printgegevens over de periode 30 maart 2010 tot en met 20 september 2010, waaruit naar voren kwam dat in deze periode 38 afzonderlijke afspraken met escortdames tot stand zijn gekomen. Aangezien getuige [getuige] verklaarde dat veroordeelde ook wel eens een afspraak afbelde, maar dat de afspraken meestal doorgingen is de officier uitgegaan van 30 afspraken met escortdames in de periode waarover de historische printgegevens zijn onderzocht (6 maanden). Dit aantal rekent de officier van justitie vervolgens om naar 90 afspraken in de onderzochte periode tegen een gemiddeld tarief van € 150,-.

De raadsman heeft aangevoerd dat dit bedrag aanzienlijk lager moet worden vastgesteld.

De rechtbank houdt voor de periode 30 maart 2010 tot en met 20 september 2010 op basis van de telefoongesprekken en de verklaring van [getuige] een aantal van 30 afspraken aan. Veroordeelde heeft tegen de daaraan ten grondslag gelegde onderbouwing geen gemotiveerd verweer gevoerd. Voor de rest van de periode waarop de kasopstelling betrekking heeft begroot de rechtbank bij gebrek aan concreet bewijs het aantal afspraken op 25. De enkele omstandigheid dat veroordeelde in de periode waarover de historische printgegevens zijn onderzocht 30 maal gebruik heeft gemaakt van de diensten van escortdames rechtvaardigt op zichzelf nog niet de gevolgtrekking dat veroordeelde gedurende de gehele onderzochte periode in dezelfde mate deze diensten heeft afgenomen. De rechtbank baseert zich bij haar schatting op de verklaring van [getuige] en veroordeelde alsmede op de verklaring van [persoon 1]19 en het overzicht van de op naam van veroordeelde geboekte overnachtingen in [hotel]20. De door de officier van justitie berekende afspraken in de periode waarvan de historische printgegevens zijn onderzocht valt grotendeels samen met de periode gedurende welke veroordeelde met enige regelmaat verbleef in [hotel]. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel valt niet aan te nemen dat veroordeelde in de (daaraan voorafgaande) periode dat hij met [persoon 1] samenwoonde in dezelfde mate gebruik maakte van de diensten van escortdames. De rechtbank gaat er van uit dat die frequentie aanmerkelijk lager is geweest en begroot het aantal bezoeken over de periode tot 27 april 2010 op 25. De rechtbank begroot, resumerend, de uitgaven aan escortdames op een totaalbedrag van € 8.250,=, gebaseerd op 55 (30 + 25) afspraken tegen een bedrag van € 150,= per afspraak.

Moneytransfer

Uit het proces-verbaal inzake verdachte transacties van verbalisant [verbalisant] van 10 januari 2011 blijkt dat veroordeelde op 5 februari 2010 een bedrag van € 2.600,= heeft gedeponeerd bij [bank] ten gunste van [persoon 4]21.

Door de raadsman is aangevoerd dat dit bedrag toebehoorde aan de dochter van de begunstigde en dat veroordeelde dit voor haar heeft overgemaakt. De rechtbank overweegt dat de verdediging deze blote bewering op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Ook anderszins is deze stelling niet aannemelijk geworden. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met de mogelijkheid dat het door veroordeelde betaalde geldbedrag niet aan hem toebehoorde.

Vakantie Ibiza

De rechtbank stelt vast dat veroordeelde heeft verklaard dat hij in juli 2010 op vakantie is geweest naar Ibiza en dat deze reis hem een bedrag van € 2.500,= heeft gekost. Veroordeelde verklaart verder ook te hebben betaald dat wat daar is opgemaakt22.

De raadsman heeft aangevoerd dat de kosten voor deze vakantie dienen te worden gesteld op een bedrag van € 1.500,=. De rechtbank overweegt dat de verdediging de hoogte van dit bedrag niet nader heeft onderbouwd of gespecificeerd noch heeft aangegeven waarom de eerdere opgave van veroordeelde onjuist is en daarom niet kan worden gebruikt. De rechtbank zal daarom uitgaan van de verklaring van veroordeelde zoals die zich in het dossier bevindt. De moneytransfer Ibiza laat de rechtbank buiten beschouwing.

Aankoop horloge merk Hublot

Bij de doorzoeking van de woning van veroordeelde is een horloge aangetroffen van het merk Hublot (type Big Bang). Veroordeelde heeft verklaard dat hij dit horloge heeft gekocht voor een bedrag van € 12.500,= en dat hij voor een bedrag van € 2.500,= diamanten in het horloge heeft laten zetten23.

De raadsman heeft aangevoerd dat veroordeelde ook heeft verklaard dat het horloge eigendom is van een vriend van hem. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat ten hoogste een bedrag van € 12.500,= dient te worden meegenomen. Voorts heeft de raadsman er op gewezen dat veroordeelde is vrijgesproken van witwassen van dit horloge en wijst hij erop dat het horloge niet is getaxeerd.

De rechtbank overweegt dat het voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet relevant is dat veroordeelde is vrijgesproken van het witwassen van dit horloge. Het gaat in dit verband om een aannemelijke contante uitgave. De exacte waarde van het horloge is evenmin relevant, nu het er slechts om gaat hoeveel veroordeelde voor dit horloge heeft betaald. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn die afdoen aan de aannemelijkheid van de door de officier van justitie gebezigde verklaring van veroordeelde. De rechtbank zal dan ook van de juistheid van deze verklaring uitgaan, te weten een contante uitgave van in totaal € 15.000,=.

Incidentele aankopen

Uit de factuur van [bedrijf 2] koeling van 15 juli 2010 blijkt dat op naam van [persoon 1] een airconditioner is gekocht voor een bedrag van € 3.500,=24. De verkoper heeft verklaard dat de airconditioner is afgeleverd op het adres van veroordeelde en dat de heer [verdachte] hem contant heeft betaald25.

De verdediging heeft op dit punt geen verweer gevoerd. De rechtbank zal uitgaan van de stukken in het ontnemingsdossier.

Bij de doorzoeking in de woning van veroordeelde zijn voorts een aantal kassabonnen/betalingsbewijzen aantroffen. Deze bonnen betreffen aankopen/betalingen in de periode waarop de vordering ziet bij26:

- [bedrijf 3] € 67,94

- Politie Noord-Brabant € 253,14

- [bedrijf 4] € 189,=

- [bedrijf 5] € 168,= en € 1.300,=

- [bedrijf 6] € 225,=

- [bedrijf 7] € 349,= en € 199,=

- [bedrijf 8] € 99,=

- [bedrijf 9] € 39,=.

De verdediging heeft op dit punt geen verweer gevoerd. De rechtbank zal uitgaan van de stukken in het ontnemingsdossier en voor deze incidentele uitgaven rekening houden met een totaalbedrag van € 2889,08.

Kosten voor levensonderhoud

De officier van justitie heeft de contante uitgaven voor levensonderhoud begroot op

€ 6.222,= voor het jaar 2009 en op € 4.870,= voor het jaar 2010. De officier van justitie heeft zich hierbij gebaseerd op cijfers van het Nibud waaruit blijkt dat voor het huishouden van verdachte moet worden uitgegaan van een uitgave voor voeding van € 100,= per week. [persoon 1] heeft verklaard dat zij wekelijks € 100,= tot € 125,= van veroordeelde ontving voor het doen van boodschappen. De officier van justitie gaat er van uit dat [persoon 1] en haar zoon ook minimaal € 100,= per week bijdragen aan de kosten voor levensonderhoud, zodat moet worden uitgegaan van een wekelijks bedrag van € 200,= voor levensonderhoud.

De officier van justitie verrekent dit bedrag vervolgens met de uitgaven voor levensonderhoud die via de bank zijn verricht27.

De verdediging heeft op dit punt geen verweer gevoerd (anders dan voortvloeiende uit de door haar bepleitte kortere periode). De rechtbank acht de door de officier van justitie gehanteerde berekening voldoende aannemelijk geworden en zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de begrote bedragen uitgaan.

Totaal van de contante uitgaven

Op grond van vorenstaande schat de rechtbank de contante uitgaven van veroordeelde in de periode van 1 januari 2009 tot en met 23 oktober 2010 op een bedrag van € 79.484,73.

Contante inkomsten

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat veroordeelde contante inkomsten heeft genoten uit de verkoop van de Fiat Punto ten bedrage van € 1.600,= en uit de verkoop van de Renault Megane ten bedrage van € 5.000,=.

Uit de stukken blijkt voorts dat veroordeelde van [hotel] een bedrag van € 5,55 heeft terug ontvangen.

De officier van justitie heeft bij zijn berekening een contant beginsaldo van € 500,= in aanmerking genomen.

Bij de belastingdienst zijn over de jaren 2009 en 2010 geen loongegevens bekend met betrekking tot veroordeelde.

Door de raadsman is aangevoerd dat veroordeelde inkomsten heeft gehad uit het doen van klusjes, uit een erfenis en uit gokwinsten.

De rechtbank overweegt dat de door de raadsman bedoelde werkzaamheden, naar hij zelf stelt, niet zijn opgegeven aan de belastingdienst en daarom niet zijn aan te merken als een legale bron van inkomsten. Van de gestelde erfenis en gokwinsten zijn geen stukken overgelegd op grond waarvan het bestaan van deze inkomsten kan worden aangenomen. De verdediging heeft haar stellingen ook anderszins niet van enige - verifieerbare - onderbouwing voorzien. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met een bedrag aan legale inkomsten anders dan hiervoor reeds weergegeven.

De raadsman heeft de rechtbank er voorts op gewezen dat van de bankrekening van [persoon 1] in 2005 een bedrag van ruim € 16.000,= contant is opgenomen, nadat in die periode een tweetal forse schadeuitkeringen waren ontvangen. De rechtbank acht het bij gebreke van concrete aanwijzingen voor het tegendeel onaannemelijk dat een deel van het geld dat in 2005 in contanten is opgenomen is aangewend voor betalingen in 2009 en 2010. Ten overvloede merkt de rechtbank in dit verband op dat [persoon 1] heeft verklaard dat zij niet met geld kan omgaan en dat als er geld is, zij dit opmaakt.

Uit het voorgaande volgt dat aan legale contante inkomsten een bedrag van € 7.105,55 dient te worden verrekend.

Onder veroordeelde is voorts bij zijn aanhouding en bij de doorzoeking van zijn woning in totaal een contant geldbedrag van € 1.655,= in beslag genomen.

Het contant uitgegeven (dan wel aanwezige) bedrag waartegenover geen (legale) contante inkomsten staan kan dan worden berekend op 7.105,55 -/- 79.484,73 -/- 1.655,00 =

€ 74.034,18. (negatief). De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door veroordeelde wordt geschat vast op (afgerond) €74.000,00

Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die de rechtbank er toe nopen het terug te betalen bedrag ambtshalve te matigen.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (oud).

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 74.000,00 (zegge: vierenzeventigduizend euro);

- legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 74.000,00 (zegge: vierenzeventigduizend euro) ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. W. Schoorlemmer en mr. B. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.W.A. Kap-Knippels, griffier,

en is uitgesproken op 24 oktober 2012.

Mr. Schoorlemmer en mr. Damen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van [persoon 7] en [persoon 8] van 27 juni 2011 (hierna: ontnemingsdossier): bijlage 5 (rapport mbt onderzoek naar de contante geldstromen) en de bij bijlage 5 behorende bijlage 1a (blad 2 en blad 6 van de verklaring van veroordeelde).

2 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 2a (blad 3 van de verklaring van [persoon 1]).

3 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 4 (bankafschriften).

4 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 4 (bankafschriften).

5 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 7 (uitdraai RDW).

6 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 7 (verklaring van [persoon 2] met daarbij gevoegd een inkoopverklaring).

7 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 7 (uitdraai RDW).

8 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 6 (factuur van [bedrijf 10] met nummer 0503262)

9 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 5 (factuur van autobedrijf [bedrijf 11] met nummer 782) en de bij bijlage 5 behorende bijlage 7 (uitdraai RDW).

10 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 5 (een verklaring van [bedrijf 11]).

11 Ontnemingsdossier de bij bijlage 5 behorende bijlage 2a (blad 4 van de verklaring van [persoon 1]).

12 Ontnemingsdossier de bij bijlage 5 behorende bijlage 2a (blad 4 van de verklaring van [persoon 1]) en de bij bijlage 5 behorende bijlage 5 (blad 2 van de verklaring van [bedrijf 11]).

13 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 6 (uitdraai RDW en blad 1 van de verklaring van [persoon 3]).

14 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 4 (afschriften met betrekking tot april en mei 2010).

15 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 8 (kassabonnummer 0227670 [88,95], factuurnummer 0362040 - aankoopbevestiging 513256 - lijst kasverantwoording blz. 4 [265+2800], aankoopbevestiging 513906 - chauffeurslijst 12-05-'10 [75+450], aankoopbevestiging 523278 - chauffeurslijst 26-05-'10 [199+1500]).

16 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 10 (proces-verbaal van [verbalisant], facturen op naam van [verdachte], documentatie rondom de zaak [verdachte] van mw. [persoon 5]).

17 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 17 (proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant], overzicht van de historische gegevens).

18 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 17 (verklaring van [getuige]).

19 Ontnemingsdossier: bijlage 8

20 Ontnemingsdossier: bijlage 10

21 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 11.

22 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 1c (blad 8 van de verklaring van veroordeelde).

23 Ontnemingsdossier: bijlage 5 onder punt 3.4.11 en de bij bijlage 5 behorende bijlage 1c (blad 8 van de verklaring van veroordeelde).

24 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 9 (factuur met nummer 2010.024).

25 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 9 (verklaring van [persoon 6]).

26 Ontnemingsdossier: de bij bijlage 5 behorende bijlage 15.

27 Ontnemingsdossier: bijlage 5 onder punt 3.4.16 en de bij bijlage 5 behorende bijlage 18.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature