< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is belanghebbende voor het vaststellen van de inhouding van loonheffing woonachtig in Nederland?

2. Heeft belanghebbende er op mogen vertrouwen dat geen inhouding van loonheffing zou plaatsvinden?

3. Staat het Seafarers’ pensions convention, 1946, nummer 71, (hierna: de Conventie) zoals deze is vastgesteld door de International Labour Organisation aan de inhouding van loonheffing in de weg?

4. Heeft de Rechtbank de verletkosten juist vastgesteld?

Uitspraak



GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 11/00225

uitspraakdatum: 8 november 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X (hierna: belanghebbende) te Z

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 juni 2011, nummer AWB 10/1764, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Van belanghebbende is over de maanden april en mei 2010 door zijn werkgever loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffing) op het loon ingehouden. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze inhoudingen. De bezwaren tegen de inhouding van loonheffing heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.2 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft, naar het Hof begrijpt, het beroep bij uitspraak van 30 juni 2011 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de inhouding van loonheffing in stand gelaten, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en hem gelast het griffierecht aan belanghebbende te betalen.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2012 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. A namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. B.

1.6 De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is geboren op 17 mei 1959 en bezit de Nederlandse nationaliteit. Belanghebbende is op 27 november 2007 gehuwd met C (hierna: de echtgenote). De echtgenote bezit een woning aan de a-straat 19 te Z. Zij is aldaar werkzaam als huisarts. Belanghebbende staat de woning te Z ook ter beschikking.

2.2 Op 27 mei 2009 heeft belanghebbende zich uitgeschreven bij de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (hierna: GBA). Tot die datum stond hij ingeschreven op het adres a-straat 19 te Z. In de GBA is geregistreerd dat belanghebbende is vertrokken naar Ierland. Belanghebbende staat in Ierland als inwoner ingeschreven te L. Hij bezit daar een woning. In Ierland woont de minderjarige zoon van belanghebbende bij diens moeder.

2.3 Op 22 februari 2010 heeft belanghebbende met D bv gevestigd te L een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van 12 maanden als scheepswerktuigkundige.

2.4 Belanghebbende heeft volgens het vaarrooster dat is opgesteld door E bv in de periode van 23 februari 2010 tot en met 20 juli 2010 in de volgende landen gevaren:

Van Tot Vaargebied Vlagland zeeschip

23-02-2010 27-02-2010 Nederland en Duitsland Nederland

01-03-2010 16-03-2010 Nederland en Duitsland Nederland

16-03-2010 18-03-2010 Nederland Nederland

18-03-2010 31-03-2010 Nederland en Duitsland Nederland

29-04-2010 28-05-2010 Verenigd Koninkrijk Nederland

22-06-2010 20-07-2010 Nederland en Duitsland Nederland

2.5 De salarisspecificaties van belanghebbende heeft F te L verzonden naar het adres a-straat 19 te Z. Het salaris van belanghebbende heeft D bv overgemaakt op de bankrekening van belanghebbende bij de ING -bank Nederland.

2.6 Op de door F verstrekte salarisstroken staat vermeld dat belanghebbende in de maanden april en mei 2010 voltijds heeft gewerkt.

2.7 Belanghebbende bezit twee auto's en zes motorfietsen met Nederlandse kentekens. Bij de Rijksdienst voor het wegverkeer is belanghebbende als houder geregistreerd op het adres a-straat 19 te Z. De auto's en motorfietsen zijn verzekerd bij een Nederlandse verzekeringsmaatschappij.

2.8 Belanghebbende heeft het adres a-straat 19 te Z gebruikt als postadres voor zijn bankafrekeningen, salarisstroken en zijn correspondentie met de Belastingdienst.

2.9 Met als dagtekening 1 juni 2009 heeft belanghebbende een brief aan de Inspecteur verstuurd, waarin hij onder andere het volgende heeft geschreven:

“In verband met mijn Verhuizing naar Ierland, waar bij mijn postadres als Zeevarende in Nederland blijft i.v.m. tijdige betaling van b.v. wegenbelasting. Ik ga aan het Werk in Vietnam via G (…). Verzoek ik om belastingvrijheid in Nederland i.v.m. voorkoming dubbele belasting.”

2.10 In de brief van 14 januari 2010 heeft de Inspecteur onder verwijzing naar de brief van 1 juni 2009 belanghebbende geantwoord, dat hij van mening is dat belanghebbende inwoner is van Nederland en dat hij daarom niet tegemoetkomt aan het verzoek om vrijstelling van in te houden loonheffing.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is belanghebbende voor het vaststellen van de inhouding van loonheffing woonachtig in Nederland?

2. Heeft belanghebbende er op mogen vertrouwen dat geen inhouding van loonheffing zou plaatsvinden?

3. Staat het Seafarers’ pensions convention, 1946, nummer 71, (hierna: de Conventie) zoals deze is vastgesteld door de International Labour Organisation aan de inhouding van loonheffing in de weg?

4. Heeft de Rechtbank de verletkosten juist vastgesteld?

3.2 Belanghebbende beantwoordt de vragen 1 en 4 ontkennend en de vragen 2 en 3 bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.3 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

3.4 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en, naar het Hof begrijpt, teruggaaf van de ingehouden loonheffing.

3.5 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afdracht op aangifte van de loonheffing die op zijn loon is ingehouden. Belanghebbende dient bezwaar te maken bij de inspecteur die is aangewezen voor de inhoudingsplichtige: belanghebbendes werkgever. Dit is de inspecteur van de Belastingdienst/Zuid-West/kantoor Breda. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft de behandeling van het bezwaar niet aan de inspecteur van de Belastingdienst/Zuid-West/kantoor Breda overgedragen. Evenmin heeft hij een machtiging aan de inspecteur van de Belastingdienst/Zuid-West/kantoor Breda gevraagd voor de verdere behandeling van het bezwaar. Nu vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en terugwijzing naar de inspecteur voor de hernieuwde behandeling van het bezwaar tot een verdere vertraging van de behandeling zal leiden en belanghebbende geen bezwaren heeft geuit tegen de behandeling van het bezwaarschrift door de Inspecteur, zal het Hof om proceseconomische redenen geen gevolgen aan het voorgaande verbinden.

4.2 Belanghebbende is van mening dat ten onrechte loonheffing op zijn loon is ingehouden, omdat hij niet in Nederland maar in Ierland woonachtig is. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen naar de omstandigheden beoordeeld. Met het criterium “beoordeeld naar de omstandigheden” heeft de wetgever gebruik gemaakt van een open norm. Het hanteren van deze open norm brengt een objectivering mee. Dit houdt in dat de innerlijke wil van de belastingplichtige, oftewel de niet naar buiten blijkende bedoeling, niet van belang is bij de beoordeling van de woon- of vestigingsplaats van een belastingplichtige. De wil van een belastingplichtige is slechts van belang indien en voor zover deze door zijn gedragingen kenbaar wordt gemaakt en tot uitdrukking komt in de feitelijke omstandigheden. Het komt erop aan of het geheel van omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen belanghebbende en Nederland. Die duurzame band behoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.

4.3 Nu belanghebbende gemotiveerd betwist dat hij in Nederland woonachtig is, is het aan de Inspecteur aannemelijk te maken dat hiervan wel sprake is.

4.4 De Inspecteur draagt hiervoor het volgende aan. De echtgenote van belanghebbende is in Nederland woonachtig. Belanghebbende verblijft met zijn echtgenote in de echtelijke woning te Z, die eigendom is van zijn echtgenote. Op dit adres is belanghebbende bekend bij de Belastingdienst voor de inkomstenbelasting en de motorrijtuigenbelasting. Dit adres is voorts vermeld op belanghebbendes bankafschriften en salarisstroken. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft diverse motorrijtuigen op zijn naam staan die in Nederland staan ingeschreven in het kentekenregister en bij een Nederlandse maatschappij zijn verzekerd ingevolge de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Belanghebbende is werkzaam bij een in Nederland gevestigde werkgever, van wie hij zijn loon ontvangt op een bankrekening die hij aanhoudt bij een in Nederland gevestigde bank. Met hetgeen de Inspecteur heeft aangedragen, maakt hij naar het oordeel van het Hof aannemelijk dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen belanghebbende en Nederland.

4.5 Belanghebbende woont dan ook voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964 in Nederland.

4.6 Belanghebbende stelt, naar het Hof begrijpt, dat hij in Ierland woont en verwijst daarvoor naar zijn woning aldaar en zijn sociale banden. Voor zover belanghebbende zich hiermee erop beroept dat het Verdrag tussen Nederland en Ierland tot het vermijden van dubbele belasting (hierna: het Verdrag) de heffing over het loon aan Ierland toewijst, overweegt het Hof het volgende.

4.7 Ingevolge artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van het Verdrag omvat de uitdrukking “inwoner van Nederland” onder andere de natuurlijke persoon die voor de toepassing van de Nederlandse belasting in Nederland woont en die voor de toepassing van de Ierse belasting niet in Ierland woont. Als inwoner van Ierland wordt in het Verdrag onder andere aangemerkt de natuurlijke persoon, die voor de toepassing van de Ierse belasting in Ierland woont en die voor de toepassing van de Nederlandse belasting niet in Nederland woont.

4.8 In artikel 14, eerste lid van het Verdrag is onder andere bepaald, dat lonen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar zijn, tenzij de dienstbetrekking in de andere Staat wordt uitgeoefend. In het derde lid van artikel 14 van het Verdrag is bepaald, dat niettegenstaande de voorgaande bepalingen van artikel 14 de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, slechts in die Staat belastbaar is.

4.9 De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld, hetgeen door belanghebbende niet dan wel onvoldoende is weersproken, dat belanghebbende voor de toepassing van de Ierse belasting niet in Ierland woonachtig is. Op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel f, in verbinding met artikel 14, eerste en derde lid van het Verdrag en hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen, is de heffing van loonbelasting over het van D bv ontvangen loon aan Nederland toegewezen.

4.10 De werkgever van belanghebbende heeft derhalve terecht loonbelasting ingehouden op het loon van belanghebbende.

4.11 Voor zover belanghebbende stelt dat hij in Ierland verzekerd is voor de premie volksverzekeringen, overweegt het Hof het volgende.

4.12 In de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 (hierna: de Verordening 1408/71) is in artikel 2 de personele werkingssfeer van die verordening geregeld.

4.13 In artikel 13 van de Verordening 1408 /71 is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

“2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:

(…)

c. is op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Lid-Staat vaart, de wetgeving van die Staat van toepassing;

(…)”

4.14 De Verordening 1408/71 is met ingang van 1 mei 2010 vervangen door Verordening (EG) nr. 883/2004 van 29 april 2004 (hierna: Verordening 883/2004).

4.15 In de Verordening 883/2004 is in artikel 2 de personele werkingssfeer van die verordening geregeld.

4.16 In artikel 11 van de Verordening 883 /2004 is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

“1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld. (…)

4. Voor de toepassing van deze titel worden al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden die normaliter plaatsvinden aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, beschouwd als werkzaamheden die worden verricht in die lidstaat. Niettemin geldt voor degene die werkzaamheden in loondienst verricht aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart en voor die werkzaamheden wordt betaald door een onderneming of een persoon die zijn zetel of domicilie in een andere lidstaat heeft, de wetgeving van laatstgenoemde lidstaat, indien hij zijn woonplaats in die lidstaat heeft. De onderneming of de persoon die het loon betaalt, wordt voor de toepassing van genoemde wetgeving als werkgever aangemerkt.”

4.17 Op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene ouderdomswet (hierna: AOW) is verzekerd, overeenkomstig de bepalingen van die wet, de ingezetene die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt. Op grond van het derde lid van dat artikel kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.

4.18 Op grond van artikel 12 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen, de persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.

4.19 Nu belanghebbende ingezetene van Nederland is en vanwege zijn werkzaamheden in andere lidstaten de wetgeving van andere lidstaten van toepassing is geweest, valt hij onder de personele werkingssfeer van de Verordeningen. De Inspecteur heeft met de overlegging van het onder 2.4 genoemde vaarrooster aannemelijk gemaakt, dat belanghebbende zijn werkzaamheden heeft verricht aan boord van een zeeschip dat onder Nederlandse vlag vaart.

4.20 Nu belanghebbende heeft gevaren op een zeeschip dat onder de vlag van Nederland vaart is op grond van de aanwijsregels in artikel 13, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Verordening 1408 /71 en artikel 11, vierde lid, van de Verordening 883 /2004 voor de loonheffing over de maand april 2010 respectievelijk de maand mei 2010 de wetgeving van Nederland op hem van toepassing. Aangezien belanghebbende het loon voor zijn werkzaamheden ontvangt van een werkgever die in Nederland zijn zetel heeft, is de uitzondering van artikel 11, vierde lid, van de Verordening 883 /2004 niet van toepassing.

4.21 De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat belanghebbende verzekerd is voor de volksverzekeringen, hetgeen door belanghebbende niet dan wel onvoldoende is weersproken. Nu op grond van de Verordening belanghebbende aan de Nederlandse wetgeving onderworpen is en het Hof ook anderszins niet is gebleken dat belanghebbende voor de volksverzekeringen niet in Nederland verzekerd is, heeft de werkgever van belanghebbende terecht premies volksverzekeringen op het loon ingehouden.

4.22 Belanghebbende stelt, naar het Hof begrijpt, dat met zijn onder 2.9 genoemde brief van 1 juni 2009 en het uitblijven van een reactie daarop van de Inspecteur het vertrouwen is gewekt dat inhouding van loonheffing achterwege kan blijven. Hiertoe overweegt het Hof het volgende. Anders dan belanghebbende stelt, heeft de Inspecteur wel gereageerd op deze brief. In zijn onder 2.10 genoemde brief van 14 januari 2010 heeft de Inspecteur het verzoek om toestemming tot het achterwege laten van inhouding van loonheffing afgewezen. Nu een verdere onderbouwing van het beroep op het vertrouwensbeginsel ontbreekt, wijst het Hof dit beroep af.

4.23 Belanghebbende doet voorts nog een beroep op de Conventie. Voor zover belanghebbende hiermee heeft willen stellen dat deze Conventie de inhouding van loonheffing verhindert, faalt dit beroep, omdat de Conventie geen bepalingen bevat die hierop zien.

4.24 Belanghebbende heeft in hoger beroep voorts aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte de verletkosten heeft vastgesteld op € 200, zijnde het netto dagloon van belanghebbende. Belanghebbende verzoekt om een verletkostenvergoeding ter hoogte van zijn netto dagloon over tien werkdagen, omdat hij zo lang verlof heeft moeten nemen om de zitting bij te kunnen wonen. Voor de berekening van de verletkosten komen enkel die uren in aanmerking die belanghebbende heeft besteed aan het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis. Anders dan belanghebbende bepleit, komen de uren die belanghebbende langer verlof heeft moeten opnemen om de zitting bij te kunnen wonen niet voor de vergoeding in aanmerking. De Rechtbank heeft de verletkosten naar het oordeel van het Hof juist vastgesteld.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 8 november 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 november 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature