< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Gebruikmaking door Staalbankiers van haar contractuele opzeggingsbevoegd en opeising ineens van de lening is naar maarstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Uitspraak



Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 234364 / KG ZA 12-500

Vonnis in kort geding van 25 oktober 2012

in de zaak van

de naamloze vennootschap

STAALBANKIERS N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaten mrs. J. Bedaux en P.G.M. Brouwer te Amsterdam,

tegen

[gedaagden]

echtelieden, wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J.C.T. Papeveld te Waalwijk.

Partijen zullen hierna respectievelijk Staalbankiers, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de wijziging van eis

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Staalbankiers

- de pleitnota van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn woonachtig op landgoed [het landgoed] aan de

[adres] te [postcode] [woonplaats] (hierna het landgoed). Het landgoed is eigendom van Landgoed [het landgoed] B.V. [gedaagde sub 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap.

2.2. Op 2 september 2004 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met Staalbankiers een kredietovereenkomst afgesloten, door ondertekening van de brief met offerte

van 17 augustus 2004 van Staalbankiers aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. In die brief staat onder meer vermeld:

‘Voor het nakomen van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen is een ieder van de debiteuren hoofdelijk aansprakelijk. (…)

Hoofdsom & looptijd

Een bedrag aan te houden in Zwitserse Franken als equivalent van het bedrag van € 2.000.000,00 (…) tegen de dagkoers op het moment van verstrekking.

Tijdens de looptijd van de financiering kunt u kiezen uit rentevastperioden (…).

De Financiering dient in ieder geval na maximaal 30 jaar geheel afgelost te zijn.

De kredietfaciliteit dient uiterlijk op 17 oktober 2004 in zijn geheel te zijn opgenomen.

Rente & betalingswijze

Afhankelijk van uw keuze zal de rente op basis van drie, zes of twaalf maands LIBOR (London Interbank Offered Rate voor Zwitserland) worden vastgesteld. Deze rente wordt verhoogd met een opslag van 1,30%. (…)

Aflossing

Aflossingsvrij. (…)

Zekerheden

Tot zekerheid voor de terugbetaling van al hetgeen u ons op enig moment schuldig bent of zal zijn, verstrekt u ons de volgende zekerheden:

• Verpanding van de aandelen van het landgoed [het landgoed] B.V. met hierin het landgoed gelegen aan de [adres] te [woonplaats]

Wij houden ons het recht voor om additionele zekerheden te verlangen indien onze vordering niet meer voldoende is verzekerd. (…)

Algemene voorwaarden

Voor zover in deze offerte hiervan niet is afgeweken, zijn de bijgaande Algemene Voorwaarden van de Nederlandse Vereniging van Banken en de Algemene Bepalingen van Geldlening, welke zijn gepasseerd bij akte op 18 december 2001, op deze overeenkomst mede van toepassing.

Door ondertekening van de kopie van deze offerte verklaart u beide exemplaren te hebben ontvangen, met de inhoud daarvan bekend te zijn en daarmee akkoord te gaan.’

2.3. In de Algemene Voorwaarden van de Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: de Algemene Bankvoorwaarden) is onder meer opgenomen:

‘Artikel 2 Zorgplicht bank en cli ënt

1. De bank neemt bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht en houdt daarbij naar beste vermogen rekening met de belangen van de cliënt. Geen van de bepalingen van deze algemene bankvoorwaarden of van de door de bank gebruikte bijzondere voorwaarden kan aan dit beginsel afbreuk doen.

2. De cliënt neemt jegens de bank de nodige zorgvuldigheid in acht en houdt daarbij naar beste vermogen rekening met de belangen van de bank. (…)

Artikel 26 Zekerheden

1. Door het van toepassing worden van deze algemene bankvoorwaarden heeft de cliënt zich jegens de bank verbonden om voor alle bestaande en toekomstige vorderingen van de bank op de cliënt, uit welken hoofde ook, op eerste verzoek van de bank, ten genoegen van de bank, (aanvullende) zekerheid te stellen. (…)

Artikel 27 Onmiddellijke opeisbaarheid

Als de cliënt in verzuim is met de nakoming van enige verplichting jegens de bank, mag de bank haar vorderingen op de cliënt door opzegging onmiddellijk opeisbaar maken, tenzij dit gelet op de geringe betekenis van het verzuim niet gerechtvaardigd is. Een dergelijke opzegging geschiedt schriftelijk met vermelding van de reden.

Artikel 28 Bijzondere kosten

1. (…)

2. Alle overige bijzondere kosten van de bank voortvloeiend uit de relatie met de cliënt komen voor rekening van de cliënt voor zover dit redelijk is.’

2.4. In de Algemene Bepalingen Geldleningen Staalbankiers (hierna: de Algemene Bepalingen Geldleningen) is onder meer bepaald:

‘5. Vervroegde opeisbaarheid

In afwijking van het bepaalde in artikel 3 is het door de Debiteur aan de bank uit hoofde van de Overeenkomst verschuldigde alsmede al het overige verschuldigde te allen tijde terstond en in zijn geheel opeisbaar zonder enige sommatie of ingebrekestelling in geval:

a. Van verzuim van de Debiteur in de nakoming van enigerlei van zijn verplichtingen ingevolge de Overeenkomst of ingevolge enigerlei andere daarmee verhoudende overeenkomst, zoals bijvoorbeeld ter zake van door de Debiteur of derden aan de Bank verleende zekerheden, zoals pand en hypotheek of uit garantie (…)

h. Een naar het oordeel van de Bank belangrijk deel van het vermogen van de Debiteur zonder voorafgaande toestemming van de Bank wordt vervreemd, is teniet gegaan, beschadigd, onteigend of geconfisqueerd of anderszins bezwaard; (…)

7. Kosten

Alle kosten voortvloeiende uit of op enigerlei wijze verbandhoudende met de Overeenkomst, daaronder mede begrepen door de Bank gemaakte kosten ter uitoefening of bescherming van haar rechten en eventuele belastingen die aan de Bank worden opgelegd, komen voor rekening van de Debiteur. (…)

9. Informatieverschaffing

9.1 De Debiteur verplicht zich jegens de Bank om deze zowel op haar eerste verzoek als ongevraagd inzage te verschaffen in zijn boeken en bescheiden en de Bank alle informatie (waaronder begrepen kopieën van aangiften vennootschaps-, inkomsten- en/of vermogensbelasting) te verschaffen die de Bank redelijkerwijze van de Debiteur verlangt teneinde de Bank in staat te stellen een goed inzicht te krijgen in de vermogenspositie van de Debiteur en ontwikkelingen in diens bedrijfsvoering die op die vermogenspositie een belangrijke invloed kunnen hebben. Voor zover hiertoe de medewerking van derden vereist is, is de Debiteur verplicht al het nodige te verrichten om die derden die medewerking te laten verlenen. (…)

12. Hoofdelijkheid

12.1 Indien zich bij de Overeenkomst meer Debiteuren jegens de Bank hebben verbonden of indien zich een of meer (rechts)personen als Borg jegens de Bank hebben verbonden tot meerdere zekerheid voor de stipte nakoming door de Debiteur van diens verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst, zijn de Debiteuren respectievelijk die Borg(en) steeds hoofdelijk en ieder voor het geheel aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst.’

2.5. In de Algemene Bankvoorwaarden 2009 van de Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: de Algemene Bankvoorwaarden) is onder meer bepaald:

‘Artikel 26 Zekerheden

1. Door het van toepassing worden van deze algemene bankvoorwaarden heeft de cliënt

zich jegens de bank verbonden om voor alle bestaande en alle toekomstige vorderingen

van de bank op de cliënt, uit welken hoofde ook, op eerste verzoek van de bank, ten

genoegen van de bank, (aanvullende) zekerheid te stellen. (…)

Artikel 28 Bijzondere kosten

(…)

2. Alle overige bijzondere kosten van de bank voortvloeiend uit de relatie met de cliënt

komen voor rekening van de cliënt voor zover dit redelijk is.’

2.6. Bij akte van 2 september 2004 heeft [gedaagde sub 1] de aandelen in Landgoed [het landgoed] B.V. verpand aan Staalbankiers. In de pandakte is onder meer opgenomen:

‘Artikel 1.

Tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling voor de pandgever en/of mevrouw J.E.M. [gedaagde sub 2], hierna genoemd, aan de Bank van al hetgeen de Bank nu of te eniger tijd te vorderen heeft of mocht hebben van de Pandgever en of mevrouw J.E.M. [gedaagde sub 2], zo van hen tezamen als van ieder van hen afzonderlijk, uit welken hoofde dan ook, zowel in als buiten rekening-courant, al of niet in het gewone bankverkeer en al of niet onder voorwaarde of tijdsbepaling vestigt de Pandgever ten behoeve van de Bank een eerste recht van pand op de Aandelen, welk recht van pand de Bank hierbij aanvaardt. (…)

Artikel 4.

(…)

De Pandgever zal zich onthouden van enige handeling die leidt of kan leiden tot een waardevermindering van de Aandelen of die de afdwingbaarheid van de pandrechten van de Bank krachtens deze akte kan bemoeilijken.’

2.7. Ten tijde van de verpanding van de aandelen in Landgoed [het landgoed] B.V. aan Staalbankiers luidde artikel 2 van de statuten van Landgoed [het landgoed] B.V.:

‘Het doel van de vennootschap is het verkrijgen, beheren, instandhouden en exploiteren van een of meer landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet (…), alles in de ruimste zin van het woord.’

2.8. Bij akte van 8 februari 2012 is artikel 2 van de statuten van Landgoed [het landgoed] B.V. gewijzigd en luidt sindsdien:

‘het doel van de vennootschap is het verkrijgen, beheren, instandhouden en exploiteren van een of meer landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet (…), alsmede het ter leen opnemen en ter leen verstrekken van gelden en het stellen van zekerheid ook ten behoeve van derden, alles in de ruimste zin van het woord.’

2.9. Bij akte van 10 februari 2012 is ten behoeve van [X Group] B.V. te Arnhem (hierna: [X Group]) ten laste van [gedaagde sub 1] recht van hypotheek gevestigd op het landgoed. In die akte staat onder meer vermeld:

‘Artikel 2

Schuldenaar heeft op eenendertig januari tweeduizend twaalf ter leen ontvangen een som van (…) (EUR 2.500.000,00) welke vordering op acht februari tweeduizend twaalf door de Schuldeiser is verkregen en waarvan Schuldenaar heden mededeling heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3:94 van het Burgerlijk Wetboek .

De schuld bedraagt derhalve per heden het in de vorige zin vermelde bedrag. De Schuldenaar en de Schuldeiser wensen in deze akte de overeengekomen voorwaarden schriftelijk vast te leggen als gevolg waarvan uitsluitend de in deze akte opgenomen bepalingen tussen de Schuldenaar en Schuldeisers zullen gelden.’

2.10. Bij brief van 22 augustus 2012 heeft [X Group] aan Staalbankiers onder andere bericht:

‘Bij deze benader ik u over een financiering die de heer H.D. [betrokkene] te [woonplaats] in mei 2010 verstrekt heeft aan de heer H.J. [gedaagde sub 1], [adres], [postcode] te [woonplaats].

De omvang van de lening is € 2,5 mio. en dient op korte termijn afgelost te worden. Hoewel het doel van de lening beperkt was tot het beleggen in aandelen genoteerd op Euronext Amsterdam en volledig verpand waren aan de heer [betrokkene], blijkt de heer [gedaagde sub 1] in 2010 de gelden als dekking voor een lening in Zwitserse franken bij Staal Bankiers te hebben ondergebracht.

Het komt op ons over alsof hier sprake zou kunnen zijn van een “dubbele verpanding”. Wellicht dat u of een van uw medewerkers bereid is ons hier nader over te informeren.’

2.11. De raadsman van Staalbankiers heeft bij brief van 21 september 2012 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onder meer geschreven:

‘Cliënte Staalbankiers (…) heeft op 2 september 2004 een kredietovereenkomst met u beiden gesloten. Uit hoofde van die kredietovereenkomst heeft Staalbankiers een bedrag in Zwiterse Franken aan u verstrekt. Uit hoofde van die lening bent u thans een bedrag van EUR € 2.546.732,84 verschuldigd. De openstaande rente bedraagt per heden EUR 1.841,93. Op de kredietovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Geldleningen van toepassing.

Tot zekerheid voor de terugbetaling van de schuld uit de kredietovereenkomst aan Staalbankiers, heeft de heer [gedaagde sub 1] een pandrecht gevestigd op aandelen die hij houdt in Landgoed [het landgoed] B.V. (“[het landgoed]”). Het vermogen van [het landgoed] bestaat (vrijwel) geheel uit het landgoed aan de [adres] te [woonplaats]. Daarom is de waarde van de aan Staalbankiers verpande aandelen (vrijwel) gelijk aan de (verkoop)waarde van het landgoed. Overigens kon Staalbankiers ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst geen recht van hypotheek vestigen op het landgoed, omdat de statuten van [het landgoed] daar toentertijd niet in voorzagen.

In art. 4 van de pandakte tussen Staalbankiers, de heer [gedaagde sub 1] en [het landgoed] is bepaald dat de heer [gedaagde sub 1] zich dient te onthouden van handelingen die leiden of kunnen leiden tot een waardevermindering van de aandelen die de heer [gedaagde sub 1] houdt in de Zomp. Die verplichting heeft de heer [gedaagde sub 1] geschonden. De heer [gedaagde sub 1] heeft namelijk een recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van [X Group] B.V. (“[X Group]”) op het landgoed tot zekerheid van een lening die hij verschuldigd is aan [X Group]. Daardoor is de waarde van de aandelen gereduceerd tot (vrijwel) nihil.

Vestiging van een recht van hypotheek ten behoeve van [X Group] was mogelijk omdat de heer [gedaagde sub 1] de statuten van [het landgoed] – plotseling en ogenschijnlijk uitsluitend ten behoeve van de vestiging van een recht van hypotheek voor [X Group] – wijzigde. Voor die statutenwijziging heeft Staalbankiers geen toestemming gegeven. U hebt bovendien nagelaten Staalbankiers te informeren omtrent de statutenwijziging. Ook hebt u nagelaten toestemming te vragen voor de vestiging van het recht van hypotheek en nagelaten Staalbankiers daaromtrent te informeren.

Die omstandigheden – en het feit dat de verpande aandelen thans (vrijwel) geen waarde meer vertegenwoordigen – leiden ertoe dat u het vertrouwen van Staalbankiers ernstig heeft geschonden.

In een gesprek op 3 september jl. en bij brief van 5 september jl. verzocht Staalbankiers u voorstellen te doen met betrekking tot nieuw te stellen zekerheden, omdat de waarde van de aandelen van de verpande aandelen thans (vrijwel) nihil is. Die voorstellen zijn echter door Staalbankiers tot op heden niet ontvangen.

Door (i) in strijd te handelen met art. 4 van de pandakte, (ii) geen aanvullende zekerheid te verstrekken, (iii) de verpanden aandelen (indirect) te bezwaren en (iv) het vertrouwen van Staalbankiers ernstig te schaden, is uw schuld aan Staalbankiers terstond en geheel opeisbaar blijkens art. 5 Algemene Bepalingen van Geldleningen.

Gezien uw weigering mee te werken aan een oplossing buiten rechte, heb ik opdracht een procedure tegen u aanhangig te maken. (…) Om een procedure af te wenden sommeer ik u namens Staalbankiers uiterlijk woensdag 26 september 2012 om 12.00 uur (i) uw schuld aan Staalbankiers (…) te vermeerderen met de contractuele rente (…) te voldoen dan wel voldoende (vervangende of aanvullende) zekerheden te verschaffen, (ii) inzicht te verschaffen in alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen en (iii) de kosten (…) te vergoeden die Staalbankiers maakt om haar vordering buiten rechte voldaan te krijgen.’

2.12. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben niet voldaan aan de sommaties van de raadsman van Staalbankiers.

2.13. Tot zekerheid van haar hiervoor gestelde vordering op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft Staalbankiers conservatoir derdenbeslag gelegd onder ING Bank N.V., ABN AMRO Bank N.V., Van Lanschot Bankiers N.V. en Coöperatieve Rabobank Rijk van Nijmegen U.A. Voorts heeft Staalbankiers hiervoor roerende zaken op het landgoed in conservatoir beslag genomen.

3. Het geschil

3.1. Staalbankiers vordert na wijziging van eis,

primair

1. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen aan Staalbankiers te voldoen een bedrag van € 2.546.732,84 te vermeerderen met de overeengekomen rente van driemaands LIBOR, verhoogd met een opslag van 1,30% vanaf 1 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen aan Staalbankiers te voldoen de buitengerechtelijke kosten ad € 15.326,50 uit hoofde van art. 7 Algemene Bepalingen Geldleningen en art. 28 lid 2 Algemene Bankvoorwaarden, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerden met de wettelijke ex art. 6:119 BW rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

subsidiair

3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen aan Staalbankiers te voldoen de buitengerechtelijke kosten ad € 6.422,00 uit hoofde van art. 6:96 lid 2 sub c BW, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke ex art. 6:119 BW rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

zowel primair als subsidiair

4. indien en voor zover [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet binnen acht dagen na vonnis vrijwillig voldoen aan hetgeen waartoe zij zijn veroordeeld, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (hoofdelijk) te veroordelen inzicht te verschaffen in alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], door middel van het doen van opgave van een opsomming van alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, bijvoorbeeld, maar daartoe niet beperkt, (i) opgave van alle door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangehouden rekeningen inclusief tenaamstelling en nummer, in welke vorm dan ook, bij banken zowel in Nederland als daarbuiten, (ii) opgave van debiteuren (met naam, adres, grondslag en hoogte van de vordering), (iii) opgave van alle

(al dan niet deels) op naam van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geregistreerde goederen enzovoorts, nu en in de toekomst, dit alles op straffe van een dwangsom van

€ 25.000,00 per dag voor iedere dag waarop zij niet aan het genoemde bevel voldoen, met een maximum van € 2.500.000,00 althans een dwangsom en maximum door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze dwangsommen vanaf de dag dat zij verschuldigd worden tot aan de dag der algehele voldoening;

5. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijke te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris van de raadsman van Staalbankiers en de beslagkosten, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke ex art. 6:119 BW rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede in de nakosten.

3.2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. Daarop wordt hierna in rov. 4.6. ingegaan.

4.2. Niet in geschil is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] uit hoofde van de krediet-overeenkomst van 2 september 2004 een bedrag groot € 2.546.732,84 ter leen hebben ontvangen van Staalbankiers. Volgens Staalbankiers kan zij deze lening opzeggen en is deze ook terstond en volledig opeisbaar, (onder meer) omdat art. 4 pandakte is geschonden en

art. 26 Algemene Bankvoorwaarden. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter het navolgende.

4.3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben niet weersproken dat de heer H.D. [betrokkene] in mei 2010 aan [gedaagde sub 1] een lening heeft verstrekt van € 2.500.000,00. Vaststaat verder dat de heer [betrokkene] voornoemd op enig moment zijn uit hoofde van die lening voortvloeiende vordering op [gedaagde sub 1] heeft gecedeerd aan [X Group], (indirect) een vennootschap van hem, en dat ten behoeve van [X Group], tot zekerheid van deze vordering hypotheek is gevestigd op het landgoed nadat daarvoor de statuten van Landgoed [het landgoed] B.V. waren aangepast. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben voorts niet betwist dat zij Staalbankiers hiervan nimmer in kennis hebben gesteld en dat Staalbankiers pas naar aanleiding van de brief van [X Group] van 22 augustus 2012 met één en ander bekend is geworden.

4.4. Daarmee hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in strijd gehandeld met art. 4 pandakte. Niet in geschil is namelijk dat de waarde van de aandelen in Landgoed [het landgoed] B.V. vooral bepaald wordt door de waarde van het landgoed zelf. Dat brengt mee dat ook een pandrecht op de aandelen in Landgoed [het landgoed] B.V. zijn waarde vooral ontleent aan de waarde van het landgoed. Nu een hypotheek op het landgoed een waardeverminderend effect heeft op het landgoed, leidt dat tevens tot waardeverlies van de aandelen en dus ook tot beperking van de zekerheid middels het pandrecht op de aandelen in Landgoed [het landgoed] B.V. Naar eigen zeggen van [gedaagde sub 1] en Van der Poel heeft het landgoed als gevolg van de hypotheek van Melfund nog overwaarde ten bedrage van € 1.500.000,00. Gelet op het vorenstaande is dat in beginsel waar Staalbankiers zich met behulp van haar pandrecht op kan verhalen, terwijl de vordering tot zekerheid waarvan het pandrecht dient, in hoofdsom al € 2.546.732,84 bedraagt. Als gevolg van de hypotheek op het landgoed ten behoeve van Melfund biedt het pandrecht van Staalbankiers op de aandelen in Landgoed [het landgoed] B.V. dus voor een substantieel deel van de vordering van Staalbankiers niet langer zekerheid tot terugbetaling. Voorts hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in strijd gehandeld met

art. 26 Algemene Bankvoorwaarden door – niet weersproken – geen aanvullende of vervangende zekerheid te verstrekken nadat Staalbankiers daar om gevraagd had in gesprekken die gevolgd zijn op de brief van 22 augustus 2012 van [X Group] aan Staalbankiers. Daarbij is niet in geschil dat de door Staalbankiers gelegde conservatoire beslagen geen, althans ruim onvoldoende, verhaal bieden. Met hun handelwijze hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dan ook zelf de zorgplicht van art. 2 Algemene bankvoorwaarden geschonden.

4.5. Het gevolg van één en ander is dat Staalbankiers in beginsel de lening kan opzeggen ex art. 27 Algemene Bankvoorwaarden en ook dat de lening op grond van

art. 5 Algemene Bepalingen Geldleningen terstond en geheel opeisbaar is. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is opzegging en opeising van de lening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid echter onaanvaardbaar. Zij hebben daarvoor aangevoerd dat er geen kwade opzet in het spel was, dat zij geen achterstand hebben in de rentebetaling en dat zij bereid zouden zijn geweest als Staalbankiers daar om had gevraagd reeds ten tijde van de krediet-verstrekking door Staalbankiers de statuten van Landgoed [het landgoed] B.V. te wijzigen om ten behoeve van Staalbankiers hypotheek te kunnen vestigen. Wat hiervan verder ook zij, die omstandigheden zijn onvoldoende voor de slechts met terughoudendheid te trekken conclusie dat het onaanvaardbaar is dat Staalbankiers gebruikmaakt van haar contractuele bevoegdheid de lening op te zeggen en op te eisen. Die omstandigheden laten onverlet dat het voorzienbare gevolg van de ten behoeve van [X Group] gevestigde hypotheek is dat het pandrecht onvoldoende zekerheid biedt terwijl [gedaagde sub 1] en Van de Ploeg hebben verklaard dat hun financiële positie niet rooskleurig is. Ook al zullen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] naar eigen zeggen de rente kunnen blijven betalen, Staalbankiers heeft, gelet op het vorenstaande, niet de zekerheid dat uiteindelijk de lening zal worden terugbetaald.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben nog aangevoerd dat zij een tegenvordering op Staalbankiers hebben ten titel van schadevergoeding omdat Staalbankiers haar zorgplicht heeft geschonden door hen een lening te adviseren voor beleggingsdoeleinden en zij als gevolg daarvan zijn blootgesteld aan een aanzienlijk risico op verlies dat zich ook heeft verwezenlijkt. Zij hebben dat echter niet gesubstantieerd, zodat die gestelde vordering als omstandigheid in dit kader onvoldoende gewicht in de schaal legt.

4.6. Gebruikmaking door Staalbankiers van haar contractuele opzeggingsbevoegd en opeising ineens van de lening is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dus niet onaanvaardbaar. Dit brengt mee dat de primaire vordering sub 1 zal worden toegewezen, inclusief de gevorderde rente nu daartegen op zichzelf geen verweer is gevoerd.

Het spoedeisend belang bij toewijzing van deze vordering ligt daarin dat de lening van Staalbankiers thans voor een aanzienlijk deel niet gedekt wordt door haar pandrecht terwijl, zoals hiervoor is overwogen, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] er financieel niet goed voor staan en zij voorts ook ter zitting geen alternatieve zekerheid hebben aangeboden. Daarbij komt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op geen enkele manier het verweer hebben onderbouwd of gestaafd dat de lening van [X Group] niet is opgeëist zoals door Staalbankiers op grond van de brief van 22 augustus 2012 (rov. 2.10) is gesteld. Staalbankiers heeft de brief van 22 augustus 2012 dan ook zo mogen opvatten dat [X Group] de lening heeft opgeëist of dat op korte termijn gaat doen en dat zij dus te vrezen heeft voor executoriale verkoop van het landgoed en de geschetste negatieve gevolgen daarvan voor haar. Anders dan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aangevoerd, reikt de zorgplicht van Staalbankiers niet zo ver dat van haar verlangd had mogen worden om zelf één en ander nader te onderzoeken bij [X Group]. Het had op de weg gelegen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om de brief van 22 augustus 2012 te ontzenuwen. Onvoldoende is gebleken dat zij dat hebben gedaan in de gesprekken die Staalbankiers naar aanleiding van die brief met hen, althans [gedaagde sub 1], heeft gevoerd.

Dat toewijzing van de vordering – ten slotte – een restitutierisico oplevert voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is gesteld noch gebleken.

4.7. Het vorenstaande brengt verder mee dat Staalbankiers een spoedeisend belang heeft bij inzage in – kort gezegd – de administratie van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

ex art. 9.1 Algemene Bepalingen Geldleningen. Dat Staalbankiers – onweersproken – bekend is met belastingaangiften van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], maakt dat niet anders.

Die hebben immers betrekking op het verleden en dat hoeft niet gelijk te zijn aan de huidige situatie. Om die reden worden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook niet gevolgd in hun standpunt dat de genoemde conservatoire beslagen onnodig zijn gelegd. Dit leidt er niet alleen toe dat de primaire vordering sub 4 toegewezen zal worden toegewezen, waarbij de dwangsom zal worden beperkt, maar dat ook, op grond van art. 706 Rv, de vordering tot vergoeding van de beslagkosten toegewezen zal worden, één en ander zoals hierna vermeld. De beslagkosten worden daarbij begroot op € 995,56 voor verschotten en € 816,00 voor salaris advocaat, derhalve in totaal op een bedrag van € 1.811,56.

4.8. De gevorderde buitengerechtelijke kosten – primair en subsidiair – zullen worden afgewezen. Staalbankiers heeft die vorderingen onvoldoende gespecificeerd.

4.9. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Staalbankiers worden begroot op:

- dagvaarding € 90,64

- griffierecht 3.621,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 4.527,64

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, aan Staalbankiers te voldoen een bedrag van € 2.546.732,84 te vermeerderen met de overeengekomen rente van driemaands LIBOR, verhoogd met een opslag van 1,30% vanaf 1 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], voor zover zij niet binnen acht dagen na betekening van dit vonnis voldoen aan de veroordeling sub 5.1., hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één aan het hierna volgende voldoet, ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, inzicht te verschaffen in voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen van hen door het doen van opgave van (i) alle door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangehouden rekeningen inclusief tenaamstelling en nummer, in welke vorm dan ook, bij banken zowel in Nederland als daarbuiten, (ii) debiteuren van ieder van hen, zulks met naam, adres, grondslag en hoogte van de vordering, (iii) al dan niet deels op naam van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geregistreerde goederen;

5.3. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, € 5.000,00 te betalen aan Staalbankiers voor elke dag waarop niet voldaan wordt aan de veroordeling sub 5.2. met een maximum van

€ 2.500.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de dwangsom vanaf de dag dat zij verschuldigd wordt tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, in de beslagkosten, tot op heden begroot op

€ 1.811,56, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.5. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Staalbankiers tot op heden begroot op € 4.527,64, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.6. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis wordt voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken

op 25 oktober 2012.

Coll: MJD


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature