< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 14 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijeholtpade" vastgesteld.

Uitspraak



201201375/1/T1/R1.

Datum uitspraak: 7 november 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats], gemeente Weststellingwerf,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Weststellingwerf,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijeholtpade" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2012, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. J. de Vet, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van Weperen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij] als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.    Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor het dorp Nijeholtpade en is voornamelijk conserverend van aard.

3.    Het beroep van [appellant A] en [appellant B] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Woongebied" voor de gronden gelegen ten zuiden van de percelen [locatie 1]. [appellant A] en [appellant B] wonen op het perceel [locatie 2].

3.1.    [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat aan de gronden ten zuiden van de percelen [locatie 1] in het vorige bestemmingsplan "Nijeholtpade" de bestemming "Bossingel" was toegekend en dat geen aanleiding bestaat om aan deze gronden in het plan de bestemming "Woongebied" toe te kennen. De raad had de bestemming "Bossingel" moeten handhaven, aldus [appellant A] en [appellant B].

Subsidiair voeren zij aan dat, indien de raad gevolgd wordt in zijn standpunt dat de bestemming "Bossingel" niet gerealiseerd kan worden op de gronden ten zuiden van de percelen [locatie 1], de bestemming "Woongebied" niet de meest geschikte bestemming is voor deze gronden. Bestemmingen als "Agrarisch", "Groen" of "Bos" liggen meer voor de hand, aldus [appellant A] en [appellant B].

3.2.    Volgens de raad worden de gronden ten zuiden van de percelen [locatie 1] reeds vanaf de vaststelling van het vorige bestemmingsplan "Nijeholtpade" in 1995 niet gebruikt overeenkomstig de bestemming "Bossingel". De bestemming "Woongebied", zonder bouwvlak, sluit aan bij het vanaf 2005 bestaande feitelijke gebruik als tuin bij de woning op het perceel [locatie 3]. De bestemming "Agrarisch" is alleen voorbehouden aan gronden bij een agrarisch bedrijf, daarvan is hier geen sprake en de bestemming "Groen" impliceert dat de gronden openbaar zijn, hetgeen hier niet het geval is, aldus de raad.

3.3.    Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn de voor "Woongebied" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor:

1. een aan huis verbonden beroep;

2. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten voor zover bestaand;

b. aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen;

met daaraan ondergeschikt:

c. tuinen, erven en binnenterreinen;

d. woonstraten, voet- en fietspaden en op- en inritten;

e. groenvoorzieningen;

f. parkeervoorzieningen;

g. speelvoorzieningen;

h. waterlopen;

i. waterhuishoudkundige voorzieningen;

j. gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.4.    In het voorheen geldende bestemmingsplan "Nijeholtpade" was aan de gronden ten zuiden van de percelen [locatie 1] de bestemming "Bossingel" toegekend.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de voorschriften waren deze gronden bestemd voor bos, ander opstaand houtgewas, bermen en paden en tevens voor het behoud en herstel van de daaraan inherente landschappelijke en natuurlijke waarden.

Ingevolge het tweede lid mochten op de gronden met de bestemming "Bossingel" geen gebouwen worden opgericht. De hoogte van andere bouwwerken mocht niet meer bedragen dan 5 m, met uitzondering van erfafscheidingen, die maximaal 2 m hoog mochten zijn.

3.5.    De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

De begroeiing op de gronden ten zuiden van de percelen [locatie 1] bestaat hoofdzakelijk uit gras en jonge fruitbomen. Daargelaten of de fruitbomen moeten worden aangemerkt als opstaand houtgewas in de zin van artikel 11 van het plan, het staat vast dat de desbetreffende gronden worden gebruikt als tuin bij de woning op het perceel [locatie 3] en dat dit gebruik niet in overeenstemming is met de bestemming "Bossingel".

3.6.    De raad acht handhavend optreden tegen het huidige gebruik van de gronden vanuit beleidsmatig oogpunt niet wenselijk. Voorts hebben de eigenaren van de gronden niet de intentie om de bestemming "Bossingel" te verwezenlijken. De gemeente is niet voornemens om door onteigening van de gronden de bestemming te realiseren. Gelet hierop is het standpunt van de raad dat aansluiting is gezocht bij het vanaf 2005 bestaande feitelijke gebruik als tuin bij de woning op het perceel [locatie 3] niet onredelijk. De raad heeft zich daarbij in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemmingen "Agrarisch", "Bos" en "Groen" niet aansluiten bij het feitelijke gebruik van de gronden.

3.7.    Volgens de raad sluit de aan de gronden toegekende bestemming "Woongebied" zonder bouwvlak aan bij het feitelijke gebruik als tuin met gras en fruitbomen. Dit standpunt volgt de Afdeling niet. Immers, zoals blijkt uit artikel 12, lid 12.1, van de planregels, biedt de bestemming "Woongebied" ruime gebruiksmogelijkheden. Naast het door de raad beoogde gebruik als tuin, laat de gekozen bestemming tevens toe het gebruik voor onder meer woonstraten, voet- en fietspaden en op- en inritten, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen en waterlopen. Dat de raad het toekennen van voornoemde gebruiksmogelijkheden ook heeft beoogd, zoals ter zitting geopperd valt niet af te leiden uit het bestreden besluit.

Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd en derhalve in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vastgesteld.

4.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 3.7 nader te motiveren waarom een planregeling voor de gronden ten zuiden van de percelen [locatie 1], die verder strekt dan het enkel als zodanig bestemmen van het bestaande gebruik als tuin met gras en fruitbomen, gelet ook op de belangen van [appellant A] en [appellant B], ruimtelijk aanvaardbaar is, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een passende planregeling, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

Indien de raad ervoor kiest om een nieuwe planregeling vast te stellen wijst de Afdeling erop dat de raad binnen de bestemming "Woongebied" gebruik kan maken van een functieaanduiding.

5.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Weststellingwerf op om binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van overweging 3.7 het daar omschreven gebrek te herstellen en

2.  de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2012

91-739.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature