< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 20 mei 2011 heeft het college aan [appellante sub 1] tijdelijke ontheffing verleend voor het, in afwijking van het bestemmingsplan, verwerken van eieren van derden aan de [locatie] te Weert (hierna: het perceel).

Uitspraak



201201090/1/A1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te Weert,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Weert,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2011 in zaken nrs. 11/841 en 11/822 in het geding tussen:

[wederpartij A] en anderen,

[wederpartij B]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2011 heeft het college aan [appellante sub 1] tijdelijke ontheffing verleend voor het, in afwijking van het bestemmingsplan, verwerken van eieren van derden aan de [locatie] te Weert (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 16 december 2011 heeft de rechtbank de door [wederpartij A] en anderen en [wederpartij B] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 20 mei 2011 vernietigd, dit besluit herroepen, de aanvraag om een tijdelijke ontheffing op grond van artikel 3.22 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) afgewezen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en het college hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellante sub 1] en het college een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2012, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. G.A.J. Heutink, advocaat te Amsterdam, [gemachtigde], H.J.M. Salemans en M.J.M. Jacobs, het college, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts en mr. A.C. de Winter, beiden advocaat te Den Haag, en W.D.W. van Aken, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [wederpartij A] en anderen en [wederpartij B] en [belanghebbende], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, als belanghebbenden gehoord.

Overwegingen

1.    [appellante sub 1] exploiteert een legkippenhouderij op het perceel, waar eieren worden verwerkt die zowel afkomstig zijn van het eigen bedrijf, als van andere bedrijven.

2.    Het college betoogt dat de rechtbank is getreden buiten de omvang van het geschil, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre in strijd is met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daartoe betoogt het college dat in beroep niet is aangevoerd dat [appellante sub 1] de illegale activiteiten binnen de looptijd van de ontheffing niet zal kunnen beëindigen, zodat de rechtbank hierover ten onrechte een oordeel heeft gegeven.

2.1.    Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank uitspraak op grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Uit de beroepschriften van [wederpartij A] en anderen en [wederpartij B] en uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank blijkt dat in geschil is of de verplaatsing van het bedrijf van [appellante sub 1] naar Ospel, in de gemeente Nederweert, voor afloop van de vijfjarentermijn op 21 maart 2013 kan worden gerealiseerd. Door te beoordelen of verplaatsing voor die datum aannemelijk is, is de rechtbank niet in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de omvang van het geschil getreden.

Het betoog faalt.

3.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bestemmingsplan art. 30 WRO buitengebied 1998" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch bouwblok".

Ingevolge artikel 7.1.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de als "Agrarisch bouwblok" op kaart 1: bestemmingen aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden. Voor zover de agrarische bouwblokken zijn voorzien van een aanduiding dat een niet-agrarische nevenactiviteit is toegestaan, mag de vermelde nevenactiviteit op het betreffende agrarische bouwblok worden uitgeoefend.

Voor het agrarische bouwblok op het perceel ontbreekt een dergelijke aanduiding.

Ingevolge artikel 7.2, onder a, zijn op de tot "Agrarisch bouwblok" bestemde gronden uitsluitend toegestaan bouwwerken ten behoeve van de in 7.1.1 omschreven doeleinden.

Ingevolge artikel 7.3. 1 is het verboden de in artikel 7 bedoelde gronden en opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming.

Ingevolge artikel 7.3. 2 wordt onder gebruik in strijd met de bestemming in elk geval begrepen gebruik van de grond en opstallen:

a. (…)

b. voor handels- en bedrijfsdoeleinden behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden en opstallen;

c. (…)

Ingevolge artikel 1, onder 6, wordt onder "Agrarisch bedrijf" verstaan een bedrijf dat is gericht op:

- het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder mede begrepen de houtteelt, en/of

- het voortbrengen van dieren en dierlijke producten.

4.    In de periode van 29 februari 2008 tot en met 21 maart 2008 heeft het college onderzoek verricht naar de activiteiten van [appellante sub 1], waarbij is geconstateerd dat het bedrijf gemiddeld 8,4 miljoen eieren per week verwerkt, die niet op het bedrijf zelf zijn geproduceerd, maar die worden geleverd door derden. Het aantal op het bedrijf zelf geproduceerde eieren bedraagt ongeveer een miljoen per week.

Zoals de Afdeling heeft geoordeeld bij uitspraak van heden, in zaak nr. 201201091/1/A1 kan de verwerking van door derden geleverde eieren in de genoemde omvang niet worden aangemerkt als een agrarische activiteit, zodat [appellante sub 1] handelt in strijd met artikel 7.1.1 van het bestemmingsplan.

5.    Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van de Wro , zoals dit luidde ten tijde van belang, kan het college met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn ontheffing verlenen van een bestemmingsplan. De termijn kan ten hoogste vijf jaar belopen. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.

6.    Het college heeft op grond van artikel 3.22 van de Wro aan [appellante sub 1] ontheffing verleend van artikel 7.1.1 van het bestemmingsplan. De ontheffing is beperkt tot de toestemming voor [appellante sub 1] om op het perceel binnen de bedrijfsbebouwing die op het perceel aanwezig is ten tijde van het besluit, eieren te verwerken van pluimvee dat niet op het perceel wordt gehouden. De ontheffing is verleend voor de periode van 21 maart 2008 tot uiterlijk 21 maart 2013.

7.    Het college en [appellante sub 1] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat de overtreding van het bestemmingsplan reeds voor 21 maart 2008 een aanvang had genomen en dat de aanvangsdatum van de ontheffing daarom onjuist is. Het college en [appellante sub 1] betogen in dit verband dat voorheen weliswaar twijfel bestond of de activiteiten van [appellante sub 1] in overeenstemming waren met het bestemmingsplan, maar dat pas op grond van het in de periode van 29 februari 2008 tot en met 21 maart 2008 uitgevoerde onderzoek naar de omvang van de activiteiten van [appellante sub 1] is geconcludeerd dat werd gehandeld in strijd met het bestemmingsplan. Volgens het college heeft de rechtbank niet onderkend dat terecht is gekozen voor de aanvangsdatum van 21 maart 2008, nu op die datum voor het eerst op basis van objectieve gegevens kon worden aangetoond dat [appellante sub 1] handelde in strijd met het bestemmingsplan.

7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 22 juni 2011, in zaak nr. 201011362/1/H1) vangt de in artikel 17 van de WRO (thans: artikel 3.22 van de Wro) bedoelde vijfjarentermijn aan op de datum waarop de met het bestemmingsplan strijdige bouw of het daarmee strijdige gebruik een aanvang neemt.

De rechtbank heeft niet onderkend dat het college onder de gegeven omstandigheden 21 maart 2008 als aanvangsdatum van de overtreding heeft kunnen aanhouden, nu op dat moment het onderzoek van het college naar de daadwerkelijke omvang van de verwerking van eieren van derden door [appellante sub 1] was afgerond en voor het eerst op grond van concrete, objectieve gegevens kon worden vastgesteld dat [appellante sub 1] het bestemmingsplan overtrad. Dat niet valt uit te sluiten dat het bestemmingsplan reeds voor de genoemde datum werd overtreden, leidt niet tot een ander oordeel. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is niet op grond van concrete, objectieve gegevens, ook niet bij benadering, vast te stellen op welk moment voor 21 maart 2008 de overtreding zou zijn aangevangen.

Dit betoog van het college en [appellante sub 1] is terecht voorgedragen, maar leidt gelet op het navolgende niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

8.    Het college en [appellante sub 1] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voldoende concrete en objectieve gegevens bestaan om aannemelijk te achten dat de verplaatsing van de illegale activiteiten van [appellante sub 1] naar de gemeente Nederweert voor 21 maart 2013 zal zijn afgerond. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met gewijzigde omstandigheden, die als gevolg hebben dat de verplaatsing sneller kan worden uitgevoerd dan in het door Exitus opgestelde stappenplan is vermeld. Volgens [appellante sub 1] is de fusie met het bedrijf Egg Products Ospel (hierna: EPO) tot stand gekomen en is de gemeente Nederweert voornemens om planologische medewerking te verlenen aan de verplaatsing. Dit blijkt volgens [appellante sub 1] onder meer uit de omstandigheden dat de gemeente een aanvullende structuurvisie heeft vastgesteld, waaruit volgt dat het bedrijventerrein kan worden uitgebreid, dat de gemeente heeft aangegeven dat de publicatie en terinzagelegging van een planherziening zal plaatsvinden in maart 2012 en dat het vaststellingsbesluit voor de raadsvergadering van 29 augustus 2012 is geagendeerd. Voorts is bij besluit van 5 april 2011 de benodigde omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting verleend.

8.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 maart 2010 in zaak nr. 200907936/1/H1), is voor toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro vereist dat aannemelijk is dat na het verstrijken van de vergunde termijn geen behoefte meer aan de tijdelijke voorziening zal bestaan.

8.2.     Het college heeft aan het besluit van 20 mei 2011 de verwachting ten grondslag gelegd dat [appellante sub 1] de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten binnen de looptijd van de ontheffing zal verplaatsen naar Ospel, in de gemeente Nederweert. Het college gaat er hierbij vanuit dat de gemeente Nederweert planologische medewerking zal verlenen aan de vestiging van het bedrijf. Daartoe wijst het college op twee door de gemeente Nederweert genomen principebesluiten. Verder heeft de Kwaliteitscommissie Limburg positief beslist over een aanvraag voor de benodigde uitbreiding van het bedrijventerrein, waar [appellante sub 1] zich zal vestigen. Het college heeft overwogen dat de raad van de gemeente Nederweert in mei 2011 de vereiste structuurvisie zal vaststellen, waarna op korte termijn kan worden gestart met een bestemmingsplanherziening en een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwwerkzaamheden kan worden ingediend. Voorts heeft het college aangegeven dat ten tijde van het ontheffingsbesluit aan [appellante sub 1] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) was verleend.

8.3.    De rechtbank is bij de beoordeling of aannemelijk is dat aan het einde van de termijn waarvoor de tijdelijke ontheffing is verleend geen behoefte meer bestaat aan het gebruik van het perceel in strijd met het bestemmingsplan, terecht uitgegaan van een termijn tot 21 maart 2013.

Anders dan [appellante sub 1] betoogt, is het stappenplan van Exitus en het al dan niet daarin verdisconteerd zijn van gewijzigde omstandigheden, niet bepalend voor het antwoord op de vraag of ten tijde van het besluit van 20 mei 2011 aannemelijk was dat bij het verstrijken van de termijn van de ontheffing geen behoefte meer zal bestaan aan het gebruiken van het perceel in strijd met het bestemmingsplan. Niet is gebleken dat ten tijde van het besluit van 20 mei 2011 stappen waren gezet voor het tot stand brengen van een fusie met het bedrijf EPO. Verder was nog niet gestart met de bedrijfsverplaatsing van de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten naar de desbetreffende locatie in de gemeente Nederweert. Evenmin was een aanvang gemaakt met de ontwikkeling van de benodigde nieuwe loods op deze locatie. Voorts staat vast dat ten tijde van de verlening van de ontheffing op 20 mei 2011 de nieuwe structuurvisie, waarvan het college de vaststelling noodzakelijk acht voor de verplaatsing, nog niet door de raad van de gemeente Nederweert was vastgesteld. Daarnaast was ten tijde van het ontheffingsbesluit de gemeente Nederweert nog niet gestart met de bestemmingsplanherziening, die volgens het college nodig is om de verplaatsing mogelijk te maken. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat toen de ontheffing werd verleend het voorontwerp van de planherziening nog niet in de raadscommissie was besproken en dat de benodigde onderzoeken nog niet waren afgerond. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat ten tijde van het besluit van 20 mei 2011 niet aannemelijk was dat bij het verstrijken van de termijn van de ontheffing op 21 maart 2013 geen behoefte meer zou bestaan aan het gebruik van het perceel door [appellante sub 1] in strijd met het bestemmingsplan, zodat het college geen ontheffing op grond van artikel 3.22 van de Wro had mogen verlenen.

De rechtbank heeft het besluit van 20 mei 2011 terecht op die grond vernietigd. Zij heeft evenwel ten onrechte met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf voorziend het besluit van het college van 20 mei 2011 herroepen en de aanvraag van [appellante sub 1] om een tijdelijke ontheffing als bedoeld in artikel 3.22 van de Wro afgewezen. Niet uitgesloten was dat de verplaatsing van het bedrijf van [appellante sub 1] voor het einde van de looptijd van de ontheffing alsnog aannemelijk had kunnen worden gemaakt. Derhalve was niet evident dat de aanvraag van [appellante sub 1] diende te worden afgewezen.

8.4.    De Afdeling ziet gelet op het navolgende aanleiding om de rechtgevolgen van het besluit van 20 mei 2011 in stand te laten.

Ter zitting van de Afdeling heeft het college toegelicht dat op 6 juli 2012 een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, dat voorziet in de vestiging van het bedrijf van [appellante sub 1] in de gemeente Nederweert. Tevens heeft het college gemotiveerd uiteengezet dat de fusie met het bedrijf EPO tot stand is gekomen en dat reeds een aanvang is gemaakt met de feitelijke verplaatsing van het bedrijf van [appellante sub 1] naar de voorziene locatie in Ospel. Voorts is van belang dat aan [appellante sub 1] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo is verleend, die inmiddels onherroepelijk is, en dat het college ter zitting heeft gesteld dat de vereiste omgevingsvergunning voor het bouwen uiterlijk in het najaar van 2012 zal worden verleend. Op grond van deze omstandigheden kan thans aannemelijk worden geacht dat de verplaatsing van het bedrijf van [appellante sub 1] naar de gemeente Nederweert voor het verstrijken van de ontheffingstermijn op 21 maart 2013 zal zijn afgerond en dat dan geen behoefte meer bestaat aan het gebruik van het perceel door [appellante sub 1] in strijd met het bestemmingsplan.

9.    De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit van 20 mei 2011 heeft herroepen en de aanvraag om een tijdelijke ontheffing op grond van artikel 3.22 van de Wro heeft afgewezen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van het college van 20 mei 2011 geheel in stand blijven.

10.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2011 in zaken nrs. 11/841 en 11/822, voor zover de rechtbank het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Weert van 20 mei 2011, kenmerk 1MBZ/040162, heeft herroepen en de aanvraag van [appellante sub 1] om een tijdelijke ontheffing op grond van artikel 3.22 van de Wro heeft afgewezen;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder II genoemde besluit geheel in stand blijven;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Weert tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Weert aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van Dorst

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2012

374-651.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature