< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

oplegging TBS met verpleging van overheidswege voor zware mishandeling en bedreiging tegen het leven gericht.

Uitspraak



Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001082-11

Uitspraak d.d.: 12 oktober 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 11 maart 2011 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-512751-09 en 05-510022-09, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1965],

thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Doetinchem.

1. Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

2. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 23 september 2011 en 28 september 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 519 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorarrest doorgebracht en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G.A. Verstijnen, naar voren is gebracht.

3.Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

4. De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 05-512751-09:

1:

hij op of omstreeks 10 oktober 2009 te [plaats] aan een persoon genaamd [slachtoffer] (zijnde de broer van de verdachte), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een snij-/steekwond en/of een of meer doorgesneden zenuwen en/of pezen en/of een slagaderlijke bloeding in de (linker) onderarm), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een of meer malen met een mes in de (linker) onderarm te steken en/of te prikken en/of te snijden;

2:

hij op of omstreeks 10 oktober 2009 te [plaats] [slachtoffer] (zijnde de broer van de verdachte) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend voor die [slachtoffer] te gaan staan en/of (vervolgens) een mes, uit de (jas)zak te halen en/of (vervolgens) dat mes, op de keel van die [slachtoffer] te zetten/drukken en/of vervolgens met dat mes een snijbeweging te maken;

Zaak met parketnummer 05-510022-09 (gevoegd):

1:

hij op of omstreeks 4 juli 2009 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk het raam van de woonkamer van de woning gelegen aan de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt, door een blik bier door/tegen het voornoemde raam te gooien.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5.De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/512751-09, feit 1:

De hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zijn broer heeft gestoken. Verdachte ontkent dat daarvan sprake is geweest. Hiertoe overweegt het hof dat verdachte ten tijde van de inverzekeringstelling heeft verklaard dat hij zijn broer met het mes heeft gestoken. Bij zijn eerste verhoor heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij zwaaiende bewegingen met het mes heeft gemaakt en daarbij de arm van zijn broer heeft geraakt. Ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 23 april 2010 heeft verdachte verklaard dat hij heeft toegegeven dat hij zijn broer met het mes heeft gestoken. Door zwaaiende bewegingen met het mes te maken, werd het een steek.

Eerst ter terechtzitting bij de rechtbank op 25 februari 2011 is verdachte op deze verklaringen teruggekomen en heeft hij verklaard dat zijn broer in het mes is gelopen dat door verdachte losjes in de hand werd gehouden. Ter terechtzitting van het gerechtshof is verdachte bij deze laatste lezing gebleven.

Het hof hecht geloof aan de eerdere lezingen van de gebeurtenissen van verdachte. Dat verdachte met het mes gestoken heeft, vindt bevestiging in de verklaring van zijn broer en de geneeskundige gegevens. De moeder van verdachte, mevrouw [naam], heeft voorts verklaard dat verdachte haar telefonisch heeft gezegd dat hij [slachtoffer] had gestoken. Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is bewezen dat verdachte zijn broer in de pols heeft gestoken. Het hof acht niet aannemelijk dat zijn broer in het mes is gelopen, terwijl verdachte dat mes losjes in zijn hand hield. Overigens valt niet in te zien dat een wond met dermate ernstig bloedverlies en beschadigde pezen en zenuwen kon ontstaan terwijl verdachte het mes slechts losjes in zijn hand hield.

Het hof is van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Op grond van enerzijds de verklaring van aangever d.d. 12 april 2010 , en anderzijds het relaas van de technische recherche inhoudende de mededeling van het behandelend personeel in het ziekenhuis dat aangever een 3 cm grote scherprandige snijwond had waarbij een slagaderlijke bloeding was ontstaan , komt het hof tot het oordeel dat de verwondingen van aangever mede een slagaderlijke bloeding inhielden. Uit aangevers verklaring van 12 april 2010 volgt bovendien dat zijn hand een half jaar later nog steeds niet goed functioneert, dat mogelijk sprake is van blijvend letsel en dat hij aangepast werk zal moeten doen.

Het hof is van oordeel dat het opzet van verdachte gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Door met een mes te steken in de pols van de verdachte, een plaats waar zenuwen en (slag)aders vlak bij elkaar gelegen zijn, heeft verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat door het steken met het mes het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Ten aanzien van parketnummer 05/512751-09, feit 2:

Verdachte heeft erkend het mes op de keel van zijn broer te hebben gezet. Het hof is van oordeel dat verdachte door de bovenomschreven handelwijze zijn broer op een dusdanige manier heeft bedreigd dat bij zijn broer de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook gepleegd zou worden.

Onder parketnummer 05/510022-09:

Verdachte heeft bekend dat hij op 4 juli 2009 het raam van de woning aan de [adres] te [plaats] heeft vernield.

6. Bewezenverklaring

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

parketnummer 05/510022-09

1.

hij op 10 oktober 2009 te [plaats] aan een persoon genaamd [slachtoffer] (zijnde de broer van de verdachte), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een steekwond en een of meer doorgesneden zenuwen en pezen en een slagaderlijke bloeding in de linkeronderarm), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een maal met een mes in de (linker)onderarm te steken;

2.

hij op 10 oktober 2009 te [plaats] [slachtoffer] (zijnde de broer van de

verdachte) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk dreigend voor die [slachtoffer] te gaan staan en (vervolgens) een mes, uit de jaszak te halen en (vervolgens) dat mes, op de keel van die [slachtoffer] te zetten;

3.

hij op 4 juli 2009 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk het raam van de woonkamer van de woning gelegen aan de [adres], geheel toebehorende aan [bedrijf], heeft vernield, door een blik bier door het voornoemde raam te gooien.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 05-512751-09 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Het in de zaak met parketnummer 05-512751-09 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

het in de zaak met parketnummer 05-510022-09 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen.

8. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

9. De motivering van de sanctie(s)

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat verdachte onvoldoende bereid en gemotiveerd is om behandeld te worden in het kader van een bijzondere voorwaarde, dan wel door middel van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van 519 dagen alsmede de terbeschikkingstelling van verdachte met een bevel tot verpleging van overheidswege ge-eist.

De verdediging heeft aangevoerd dat, voor zover niet tot vrijspraak wordt gekomen, verdachte veroordeeld kan worden tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. De maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging is, aldus de verdediging, een stap te ver en buitenproportioneel.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een mes van zijn broer en aan zware mishandeling van diezelfde broer, waarbij zenuwen en pezen in diens onderarm zijn beschadigd en waarbij sprake is geweest van ernstig bloedverlies.

Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden is, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, gelet op de persoon van de verdachte, in het bijzonder diens verminderde toerekeningsvatbaarheid, waaromtrent hierna het nodige wordt overwogen, passend en geboden.

Over verdachte zijn verschillende rapporten en adviezen geschreven en hebben de deskundigen ter terechtzitting d.d. 25 februari 2011 bij de rechtbank hun bevindingen toegelicht. Op grond van de bevindingen van deze deskundigen is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat verdachte ter beschikking van de regering wordt gesteld met bevel tot verpleging. In het vonnis heeft de rechtbank deze conclusie als volgt gemotiveerd:

“Uit het psychiatrisch rapport van dr. L.H.W.M. Kaiser (van 14 april 2010, naar het hof begrijpt) blijkt, onder meer, als volgt:

“Betrokkene had ten tijde van het ten laste gelegde voldoende inzicht in de wederrechtelijkheid van de begane feiten. In relatie tot en ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde feiten was er bij betr. sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van ADHD met name hyperactief, alcoholafhankelijkheid, cannabismisbruik. (…) er is een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een lichte verstandelijke beperking bij een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en afhankelijke trekken, zodat hij zijn wil verminderd kon bepalen. (…)

Betr. heeft een klinische behandeling nodig waarbij rekening gehouden wordt met zijn verstandelijke beperking en verslaving. Onderzoeker verwacht dat hij binnen de reguliere LVG zorg niet geaccepteerd wordt vanwege zijn verslaving. In een verslavingskliniek zal hij zich niet kunnen handhaven vanwege zijn lichte verstandelijke beperking. (…)

De kans op herhaling van impulsieve agressie is groot als hij onder invloed van alcohol is. Hij zal vanuit zijn verslaving weer gaan drinken en drugs gebruiken met alle gevolgen van dien. Hij is vrijwillig niet in staat om een behandeling vol te houden. (…) Het verhoogt de kans dat hij in herhaling vervalt evenals de kans dat hij een klinische behandeling in de verslavingszorg onvoldoende vol kan houden als er niet een heel dwingend kader is. (…)

Gezien het recidiverende karakter van zijn agressie en dreigende agressieve gedrag in specifiek omstandigheden en de hoge kans op herhaling daarvan is een beschermend kader in de vorm van een tbs nodig.”

Uit het psychologisch rapport van prof. dr. J.J. Baneke (van 7 april 2010, naar het hof begrijpt) blijkt, onder meer, als volgt:

“Bij betrokkene is sprake van een complexe problematiek met diverse stoornissen, i.c. van zwakbegaafdheid tot lichte zwakbegaafdheid, een aandachtstekortstoornis, afhankelijkheid van alcohol en cannabis, misbruik van cocaïne en amfetamine, en van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. (…)

Betrokkene is door de (…) genoemde combinatie van stoornissen onvoldoende in staat zichzelf te reguleren en onder controle te houden. (…) Het kan zijn dat een vorm van epilepsie of andere hersenstoornis mede oorzaak is van de agressieve ontremmingen, maar hierover is geen objectieve informatie aanwezig. Ook zonder deze eventuele hersenaandoeningen zijn er voldoende indicaties om de eerder genoemde stoornissen als de belangrijkste oorzaken te beschouwen van de agressieve uitbarstingen. Op basis van dit onderzoek wordt geadviseerd betrokkene te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar in deze. (…)

De combinatie van (…) genoemde stoornissen, alsmede de voorgeschiedenis met relatief veel (bedreigingen met) geweld, verhogen de kans op recidive. (…)

Zoals in de Beschouwing is beschreven, zijn met betrokkene diverse behandelmogelijkheden besproken. Betrokkene wees feitelijk alle mogelijkheden af. Die afwijzing komt mede voort uit zijn stoornis: hij kan niet adequaat functioneren in groepen, zelfs in één op één contact kunnen er al teveel spanningen ontstaan. Maar het is juist van groot belang dat betrokkene beter leert om te gaan met dergelijke spanningen. Voorts is behandeling van de middelenproblematiek nodig, in samenhang met de overige problematiek. Dat vergt een intensieve, zeker aanvankelijk klinische behandeling, en na behandeling nog een langdurige nazorg, vermoedelijk vele jaren begeleiding. (…) Gezien het geringe succes van eerdere pogingen tot begeleiding en behandeling, alsmede betrokkenes reactie op de voorstellen van onderzoeker, wordt gedacht aan een behandeling met een stevig kader en voldoende sanctiemogelijkheden. Om niet de zwaarste maatregel te adviseren, en zo ruimte te geven aan de ontwikkeling van betrokkenes motivatie, wordt gedacht aan een TBS met voorwaarden.”

Uit het reclasseringsadvies van E. Lammers d.d. 26 januari 2011 blijkt, onder meer, als volgt:

“Middels het proces verbaal ter terechtzitting d.d. 23 april 2010 heeft de Rechtbank de Reclassering verzocht om uit te zoeken of klinische behandeling in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis of in het kader van bijzondere voorwaarde bij vonnis mogelijk is. Zowel plaatsing in de FPK te Assen als plaatsing in Hoeve Boschoord is onderzocht. Vanwege zowel de aanwijzing door het FPK te Assen alsmede de weigering van betrokkene om mee te werken aan een klinische opname acht rapporteur beide opties als niet haalbaar. Ten derde vroeg de Rechtbank om een TBS met voorwaarden te onderzoeken. Bij een TBS met voorwaarden is het noodzakelijk dat de [verdachte] zich kan vinden in de voorwaarden en hieraan wil meewerken. Dit is niet het geval. Betrokkene kan dit vanuit verzet en of vanuit een gebrek aan inzicht vanwege zijn stoornis niet. Hiermee is naar de mening van rapporteur geen basis om de TBS met voorwaarden vorm te geven.

Zowel uit de RISc, die door Reclassering Iriszorg is afgenomen, als ook de beide Pro Justitia rapporteurs geven aan dat het risico op recidive hoog is. Zelfs in een 1 op 1 contact kunnen de spanningen bij de [verdachte] al hoog oplopen. Wanneer betrokkene daarnaast ook nog onder invloed van alcohol is (en/of drugs), is de kans op herhaling van agressieve delicten groot. Zonder behandeling van zijn verslaving is het risico op terugval in middelengebruik groot en het daarmee samenhangende risico op agressieve delicten ook. Zijn persoonlijkheidsstoornis en zijn lage intelligentie worden door mevrouw Kaiser als complicerende factor in de behandeling beschouwd. De [verdachte] toont weinig tot geen inzicht in de mogelijkheid dat agressieve delicten zich kunnen herhalen. Hij kan dit vanuit verzet en/of vanuit een gebrek aan inzicht vanwege zijn stoornis niet. Voor behandeling van deze complexe problematiek is naar de mening van rapporteur een gespecialiseerde forensisch klinische behandeling noodzakelijk om herhaling van agressieve delicten te kunnen afwenden.

Rapporteur concludeert binnen haar onderzoek dat de juridische maatregelen qua zwaarte oplopen in een poging te onderzoeken of en hoe de [verdachte] in behandeling te krijgen is om recidive af te kunnen wenden. TBS met voorwaarden is niet uitvoerbaar, omdat betrokkene zich niet kan vinden in de voorwaarden met betrekking tot forensisch klinische behandeling en hieraan ook geen medewerking wil verlenen. Gezien bovenstaande onthoudt rapporteur zich van een verder strafadvies.”

Ter terechtzitting d.d. 25 februari 2011 hebben de deskundigen Kaiser en Baneke bevestigd dat bij verdachte ten tijde van de onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten ziekelijke stoornissen en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestonden.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het delict. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, voor de bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest passend.

Voorts hebben de deskundigen Kaiser, Baneke en Lammers ter terechtzitting, gevraagd naar de actuele stand van zaken, geadviseerd aan verdachte de maatregel van terbeschik¬kingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de bij verdachte ten tijde van de onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten bestaande ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens alsmede het gevaar voor herhaling en de schade die dat mogelijk meebrengt, verdachte de best mogelijke behandeling moet ondergaan ten einde het recidivegevaar in te perken.

Hetgeen de deskundigen uiteen hebben gezet, heeft de rechtbank overtuigd dat een ambulante behandeling of klinische behandeling als bijzondere voorwaarde in het onderhavige geval ontoereikend dan wel niet haalbaar is. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de ernst van de onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eisen. Daarbij acht de rechtbank tevens een bevel tot verpleging van verdachte van overheidswege vereist. “

Bij de behandeling in hoger beroep is ter terechtzitting op 23 april 2011 verzocht om het opmaken van een contra-expertise. Het hof heeft hier in toegestemd. Verdachte is vervolgens onderzocht door het Pieter Baan Centrum (PBC). In het rapport van het PBC van 10 mei 2012 concluderen R.J.A. van Helvoirt, psycholoog, en G.B. van de Kraats, psychiater, het navolgende:

Betrokkene is een thans 47-jarige Nederlandse man bij wie sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Blijkens het in dit onderzoek bij betrokkene verrichte testpsychologisch onderzoek bestaat de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van betrokkene uit een zwakbegaafd intellectueel functioneren met een op de voorgrond staande trage cognitieve verwerkingssnelheid en een opvallende discrepantie tussen respectievelijk de verbale en performale capaciteiten van betrokkene.

Betrokkene scoort verbaal significant lager dan performaal, hetgeen naar alle waarschijnlijkheid gelegen is in een combinatie van een leerachterstand in combinatie met een (aangeboren) trage cognitieve verwerkingssnelheid.

Naast voornoemde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is er bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestaande uit al vanaf heel jonge leeftijd bestaande gedragsproblemen welke in classificerende zin kunnen worden omschreven als een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD). (…) Vanuit een gedragsdeskundig perspectief moet hier worden opgemerkt dat de bij betrokkene gediagnosticeerde gebrekkige ontwikkeling (de zwakbegaafdheid) en de bij hem bestaande ADHD, beide in epidemiologische zin geassocieerd zijn aan een verhoogde incidentie van middelenafhankelijkheid (waaronder alcoholafhankelijkheid). De bij betrokkene naast de alcoholafhankelijkheid gediagnosticeerde zwakbegaafdheid en ADHD hebben dus met een zekere waarschijnlijkheid een negatief bekrachtigende invloed op de alcoholafhankelijkheid van betrokkene. Dit maakt dat betrokkene, meer dan een ander persoon met een alcoholafhankelijkheid, in mindere mate de beschikking heeft over een vrije keuze aangaande zijn abstinentie. Op grond van bovenstaande overwegingen achten ondergetekenden betrokkene met betrekking tot de hem thans ten laste gelegde gedragingen, indien bewezen, verminderd toerekeningsvatbaar. (…)

Klinisch achten ondergetekenden de kans op een herhaling van een vergelijkbaar of overeenkomstig delict als het betrokkene thans ten laste gelegde (…) laag tot matig verhoogd.

Op grond van het geformuleerde lage tot matig verhoogde recidiverisico op een vergelijkbaar of overeenkomstig feit als het betrokkene thans tenlaste gelegde, indien bewezen, achten ondergetekenden het vanuit gedragskundig oogpunt niet noodzakelijk om te adviseren aan betrokkene een tbs-maatregel op te leggen.

Op grond van bovenstaande overwegingen adviseren ondergetekenden betrokkene een behandeling c.q. begeleiding op te leggen in het kader van een bijzondere

voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Inhoudelijk zouden de bijzondere voorwaarden er uit moeten bestaan dat betrokkene zich houdt aan afspraken aan gaande medicatiegebruik, controle en toezicht op zijn alcoholabstinentie, binnen een (langdurig) behandeltraject in de verslavingszorg, onder toezicht van de reclassering.

Op basis van deze conclusies van de deskundigen van het PBC heeft het hof de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 4 juni 2012 geschorst met de voorwaarde dat hij zich met ingang van die datum laat opnemen en voor zijn alcoholgebruik zal laten behandelen bij [kliniek] te [plaats] en dat hij zich houdt aan het dagprogramma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, alsook dat hij zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling zullen worden gegeven.

Op 2 augustus 2012 is geconstateerd dat verdachte op het terrein van [kliniek] drugs gebruikte en dat hij hierbij andere bewoners betrok. Verdachte is vervolgens ontslagen uit de kliniek. In de dagen daarna heeft verdachte zich bij de politie gemeld.

Het hof volgt de conclusie van de hiervoor genoemde deskundigen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en maakt deze tot de zijne.

Uit al de hiervoor aangehaalde rapportage komt het beeld naar voren dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat een behandeling van verdachte noodzakelijk is.

Het hof tekent hierbij nog het volgende aan. Uit het (strafrechtelijk) verleden van verdachte blijkt dat verdachte in het verleden voor verschillende geweldsdelicten en bedreigingen is veroordeeld. Volgens prof. Baneke is er bij verdachte een verhoogde kans op recidive. Dr. Kaiser geeft aan dat de kans op herhaling van de impulsieve agressie groot is als verdachte onder invloed van alcohol is. Het PBC komt tot de conclusie dat als verdachte toegeeft aan zijn alcoholgebruik, vanuit zijn gebruik tot een vergelijkbaar delict komt als tenlastegelegd. Klinisch inschattend komt het PBC tot de conclusie van een laag tot matig verhoogd recidiverisico. Door de reclassering wordt in het rapport 25 september 2012 het recediverisico als hoog ingeschat.

Vast staat dat de deskundigen bij een voortdurend alcohol- en drugsgebruik door de verdachte de kans op herhaling aanwezig achten. Alle deskundigen achten een behandeling al dan niet binnen een klinische setting noodzakelijk. Uit de hiervoor aangehaalde rapportage is echter geen pasklaar antwoord af te leiden welke vorm van behandeling aangewezen is.

Het hof komt tot de conclusie dat er thans geen andere mogelijkheid is dan oplegging van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

De bewezenverklaarde feiten van verdachte (het steken en dreigen met een mes) zijn geweldsmisdrijven die behoren tot de in artikel 37a, eerste lid aanhef en onder ten eerste, van het Wetboek van Strafrecht vermelde categorie. Het betreft delicten die een gevaar opleveren of veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar.

Op grond van de delicten en hetgeen is gebleken uit de rapportages van de deskundigen omtrent de persoon van verdachte is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. Er bestaat een aanmerkelijke kans op het plegen van geweldsdelicten door verdachte.

Het hof is voorts van oordeel verdachte van overheidswege dient te worden gepleegd, omdat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging eist. Dat blijkt in het bijzonder uit het volgende. Omtrent verdachte is door de reclassering op 25 september 2012 gerapporteerd. In dit rapport komt de reclassering tot de conclusie dat een toezicht niet uitvoerbaar is omdat verdachte heeft aangegeven dat hij wel met de reclassering wil praten en zich laten controleren op alcoholgebruik, maar aan andere voorwaarden niet wil meewerken. Ook op daartoe strekkende vragen ter terechtzitting bij het hof heeft verdachte meermalen aangegeven dat hij slechts bereid is om aan een ambulante behandeling ten aanzien van zijn alcoholgebruik deel te nemen, maar dat hij geen behandeling wenst te volgens waarin hij geen drugs mag gebruiken. Na een lange zoektocht bij diverse instellingen was uiteindelijk [kliniek] te [plaats] bereid om verdachte op te nemen en te behandelen. Door verdachtes eigen toedoen is deze opname mislukt.

Een behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde of een terbeschikkingstelling onder voorwaarden is daarmee klaarblijkelijk, gelet op de bij verdachte aanwezige combinatie van psychische problematiek met alcohol- en drugsverslaving, en de weigering van verdachte om zich klinisch te laten behandelen, niet aangewezen. Verdachte geeft te kennen dat hij zich slechts ambulant wil laten behandelen voor zijn alcoholgebruik, maar de hierboven geschetste feiten en omstandigheden geven aan dat dit verdachte op eigen gelegenheid niet lukt. Daar komt bij dat verdachte geen vaste en stabiele woonomgeving en niet wil stoppen met het gebruik van drugs.

Het hof merkt hierbij nog het volgende op. Het hof acht het niet uitgesloten dat de persoonlijkheid van verdachte slechts in zeer beperkte mate voor behandeling vatbaar is. Het van verdachte uitgaande gevaar leent zich mogelijk het beste voor beteugeling door verdachte op afzienbare termijn onder te brengen in een gestructureerd kader. Het hof stelt zich voor dat een behandeling van verdachte in het bijzonder op de vormgeving hiervan is gericht.

Het hof zal verdachte dan ook, evenals de rechtbank heeft gedaan, de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 27, 57, 285, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht .

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-512751-09 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 05-510022-09 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 05-512751-09 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 05-510022-09 onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 05-512751-09 onder 1 en 2

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gewezen door

mr H. Abbink, voorzitter,

mr J.A.W. Lensing en mr M.C.J. Groothuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr G.W. Jansink, griffier,

en op 12 oktober 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr M.C.J. Groothuizen is buiten staat dit arrest te onderteken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature