< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering WAO-uitkering. Geen sprake van toename van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO . Beperkingen niet onderschat. De door appellant in hoger beroep ingebrachte medische stukken, voor zover deze relevant zijn voor de periode in geding, bevestigen juist de medische grondslag van het bestreden besluit. Nu geen sprake is van een toename van de medische beperkingen, wordt niet meer toegekomen aan de vraag of die toename voortkomt uit dezelfde oorzaak als waaruit de arbeidsongeschiktheid voort komt ter zake waarvan een uitkering werd genoten.

Uitspraak



11/1087 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 januari 2011, 10/1798 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 oktober 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Zowel mr. Van de Laar als het Uwv hebben nog nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Laar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in september 2002 uitgevallen voor zijn werk als interieurbouwer in verband met rugklachten. Na medisch onderzoek, naar aanleiding waarvan de beperkingen van appellant zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 maart 2004, gevolgd door arbeidskundig onderzoek, heeft het Uwv bij besluit van 30 maart 2004 geweigerd appellant met ingang van 1 mei 2004 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is op 13 juli 2004 ongegrond verklaard. Appellant heeft geen beroep ingesteld.

1.2. Bij brief van 11 april 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn verzoek om een herkeuring wordt afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het besluit van 30 maart 2004 onjuist zou zijn.

1.3. Nadat appellant zich per 7 april 2005 met rugklachten ziek had gemeld, heeft het Uwv bij besluit van 17 mei 2005 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 13 mei 2005 geen recht meer had op ziekengeld op grond van de Ziektewet omdat hij niet (meer) ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid. Het Uwv heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar op 1 juli 2005 ongegrond verklaard. Appellant heeft wederom geen beroep ingesteld.

2.1. Appellant heeft zich bij brief van 2 maart 2009 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld als bedoeld in artikel 43a van de WAO .

2.2. Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het Uwv, met verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts, geweigerd appellant een WAO-uitkering toe te kennen omdat er geen periode is aan te wijzen met toegenomen klachten zodat de wachttijd niet is aangevangen en appellant onveranderd minder dan 15% arbeidsongeschikt bleef. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 6 mei 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv appellant terecht en op goede gronden niet in aanmerking heeft gebracht voor een WAO-uitkering en hiertoe onder meer het volgende overwogen.

3.1. De verzekeringsarts, die in een rapport van 8 juni 2009 vaststelde dat appellante toegenomen rugklachten claimde vanaf halverwege 2005, heeft geconcludeerd dat er geen periode van toegenomen rugklachten is geweest die de huidige claim kan onderbouwen. Zo is er geen opname, operatie of intensief behandelingstraject geweest. Appellant is in 2006 wel door een orthopeed onderzocht, maar een operatie is niet verricht. De eerder aangegeven mogelijkheden van appellant, vastgelegd in de FML van 1 maart 2004, zijn onveranderd van kracht gebleven.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 4 mei 2010 geconcludeerd dat het onderzoek van de primaire verzekeringsarts volledig en inzichtelijk is geweest en aansluit bij de medische informatie van de specialist. Er is geen periode van objectiveerbare toename van beperkingen aanwijsbaar, met name niet minimaal vier weken voortdurend, voortvloeiend uit dezelfde oorzaak als waarvoor indertijd de WAO-beoordeling heeft plaatsgevonden. Ook uit het medisch journaal van de justitiële inrichting Vught van 6 augustus 2008 komen volgens deze arts geen objectiveerbare gegevens naar voren die een dergelijke toename en duur van klachten, laat staan van beperkingen, kunnen objectiveren.

3.3. Samenvattend heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om de door de (bezwaar)verzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden en geoordeeld dat het Uwv op gedegen wijze onderzoek heeft verricht naar de door appellant gestelde toename van zijn medische beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de door appellant in bezwaar overgelegde medische informatie kenbaar in zijn onderzoek betrokken. Appellant heeft in beroep geen medische informatie ingebracht anders dan die welke al bekend was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant zijn stelling dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat niet met objectieve medische stukken onderbouwd.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten ter ondersteuning van zijn stelling dat hij sinds halverwege 2005 toegenomen arbeidsongeschikt was, in essentie herhaald.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake was van toename van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO . Net als de rechtbank ziet de Raad in de medische stukken, waaronder de brief van orthopedisch chirurg J.L.A. Fabry van 31 maart 2006 en het medisch journaal van de justitiële inrichting Vught van 6 augustus 2008, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant, zoals neergelegd in de FML van 1 maart 2004, sinds halverwege 2005 zijn toegenomen. De Raad onderschrijft wat de rechtbank daartoe heeft overwogen.

5.2. Ook in hoger beroep is appellant er niet in geslaagd zijn stelling, dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat, te onderbouwen. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 23 juli 2012 terecht heeft opgemerkt, bevestigen de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische stukken, voor zover deze relevant zijn voor de datum (lees: periode) in geding, juist de medische grondslag van het bestreden besluit. Zo blijkt uit de door appellant ingebrachte brief van 16 maart 2011 van orthopedisch chirurg E. Bos dat (röntgen)onderzoek van de lumbale wervelkolom geen (duidelijke) afwijkingen heeft opgeleverd, dat er sprake is van chronische aspecifieke lage rugklachten en dat er geen orthopedische behandelopties voor handen zijn. Ook de brief van 27 september 2011 van neuroloog D. Hemminga geeft geen aanknopingspunten om appellant meer beperkt te achten. In tegendeel, volgens deze arts is appellant bij een controle op 12 september 2011 juist niet beperkt.

5.3. Nu geen sprake is van een toename van de medische beperkingen, wordt niet meer toegekomen aan de vraag of die toename voortkomt uit dezelfde oorzaak als waaruit de arbeidsongeschiktheid voort komt ter zake waarvan een uitkering werd genoten.

5.4. De overwegingen 5.1 tot en met 5.3 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C. Bruning en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) J.R. Baas


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature