< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Someren-Heide" vastgesteld.

Uitspraak



201113444/1/R3.

Datum uitspraak: 24 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Someren-Heide, gemeente Someren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Someren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Someren-Heide" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 september 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door M.J.E. Driessen, en de raad, vertegenwoordigd door H.J. Breman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" heeft toegekend aan de gronden tegenover zijn perceel aan de [locatie] in Someren-Heide.

Daartoe voert hij aan dat de bestaande illegale vrachtwagenparkeerplaats ten onrechte als zodanig wordt bestemd. Nu voor de vrachtwagenparkeerplaats slechts voor een periode van vijf jaar een vrijstelling was verleend in afwachting van de aanleg ervan op een andere plaats binnen de gemeente, stelt [appellant] dat hij er op mocht vertrouwen dat de vrachtwagenparkeerplaats na die vijf jaar zou worden verplaatst.

[appellant] voert verder aan dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Hij stelt dat de vrachtwagenparkeerplaats op een afstand van circa 30 m tot zijn woning een aantasting van de landschappelijke openheid, zijn woongenot en uitzicht met zich brengt. Dit terwijl de aanvraag om op zijn perceel een tweede woning te bouwen is afgewezen, omdat dit afbreuk zou doen aan de landschappelijke openheid en de kwaliteit van het gebied.

Volgens [appellant] is er voorts ten onrechte geen afstand van 50 m van de vrachtwagenparkeerplaats tot zijn woning aangehouden, zoals volgt uit de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNG-brochure). Voor zover de raad de vrachtwagenparkeerplaats vergelijkt met een categorie-2 bedrijf klopt dat volgens hem niet, nu geen beperkingen gelden voor het aantal vrachtwagens, het aantal verkeersbewegingen, het aan- en afrijden tijdens de avond- en nachtperiode en de aard van de lading van de vrachtwagens. Bovendien liggen er twee gastransportleidingen. Voorts is verzuimd de aanleg van de vrachtwagenparkeerplaats te toetsten aan de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) en een akoestisch onderzoek uit te voeren. Verder is van belang dat de vrachtwagenparkeerplaats is aangelegd met verontreinigd materiaal.

1.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aanvankelijk twee geschikte locaties voorhanden waren voor de vrachtwagenparkeerplaats; een perceel aan de Kraaiendijk en het perceel aan de Groeneweg. In 2003 is voor het perceel aan de Groeneweg een vrijstelling verleend voor een periode van vijf jaar. De alternatieve locatie is inmiddels vervallen, zodat het volgens de raad in de rede lag om het bestaande gebruik van de vrachtwagenparkeerplaats als zodanig te bestemmen. Daarnaast is er geen betere locatie beschikbaar.

Voorts stelt de raad dat als er al een relatie gelegd zou moeten worden met de in de VNG-brochure opgenomen zonering, de vrachtwagenparkeerplaats vergelijkbaar zou kunnen zijn met een categorie-2 bedrijf en een afstand van 30 m tot de dichtstbijzijnde woning zou moeten worden aangehouden. Volgens de raad worden de belangen van [appellant] niet onaanvaardbaar aangetast, omdat de afstand van de vrachtwagenparkeerplaats tot zijn woning groot genoeg is en de woning schuin tegenover de parkeerplaats ligt, zodat aantasting van het uitzicht beperkt is. Voorts blijkt uit het alsnog verrichte akoestisch onderzoek dat het als zodanig bestemmen van de vrachtwagenparkeerplaats geen reconstructie is in de zin van de Wgh en dat met de geconstateerde geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

De raad stelt verder dat het belang van de aanwezigheid van de vrachtwagenparkeerplaats nabij de dorpskern zwaarder weegt dan de aantasting van de landschappelijke waarden. Volgens de raad zijn er landschappelijke en beleidsmatige verschillen tussen het perceel van [appellant], dat in het buitengebied ligt, en de vrachtwagenparkeerplaats die grenst aan gronden met een bedrijfsbestemming en in de gemeentelijke woonvisie is aangemerkt als afweegbaar gebied voor verstedelijking. Wat betreft de omstandigheid dat de vrachtwagenparkeerplaats boven een gastransportleiding ligt, stelt de raad dat de Gasunie weliswaar heeft gereageerd op het plan, maar ten aanzien van de gastransportleiding ter plaatse geen opmerkingen had. Ten slotte voert de raad, onder verwijzing naar de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, aan dat het, gelet op de voorwaarden in deze wet, niet is toegestaan om vrachtwagens met gevaarlijke stoffen te parkeren op de vrachtwagenparkeerplaats.

1.2. In 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders een vrijstelling op grond van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend voor de duur van maximaal vijf jaar voor het gebruik van het perceel tegenover [locatie] als vrachtwagenparkeerplaats. Als uitgangspunt bij een verleende vrijstelling op grond van artikel 17 van de WRO geldt dat na het verstrijken van de termijn de met het bestemmingsplan strijdige situatie hetzij in de vorige toestand wordt hersteld, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming wordt gebracht. In de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2009, nr. 200800347/1 is overwogen:

"dat de WRO noch enig ander wettelijk voorschrift zich ertegen verzet dat een eenmaal door toepassing van artikel 17 van de WRO mogelijk gemaakte bebouwing of gebruik, ook na verloop van de in dat artikel beschreven termijnen, alsnog in een bestemmingsplan wordt opgenomen. Bepalend is of een definitieve inpassing zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening en ook anderszins niet in strijd komt met het recht."

De op het bestreden besluit van toepassing zijnde Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) staat evenmin in de weg aan opname van gebruik en bebouwing in een bestemmingsplan waarvoor een tijdelijke vrijstelling is verleend, mits de definitieve inpassing zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening en ook anderszins niet in strijd komt met het recht.

1.3. Vast staat dat de vrachtwagenparkeerplaats aan de Groeneweg ligt, aan de rand van de dorpskern Someren-Heide, tegen gronden met een bedrijfsbestemming aan. De oppervlakte van de vrachtwagenparkeerplaats is 500 m² en biedt ruimte voor ongeveer 6 vrachtwagens. Schuin tegenover de vrachtwagenparkeerplaats, buiten het plangebied, ligt het perceel van [appellant]. De afstand van de vrachtwagenparkeerplaats tot de gronden met de woonbestemming bedraagt ongeveer 20 m en tot de woning ongeveer 30 m. Gelet op de situering en de afstand van de vrachtwagenparkeerplaats ten opzichte van de woning heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het uitzicht beperkt is en aanvaardbaar. De raad heeft het belang van de vrachtwagenparkeerplaats nabij de dorpskern in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van de aantasting van de landschappelijke openheid. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat tussen het perceel van [appellant] en de vrachtwagenparkeerplaats landschappelijke en beleidsmatige verschillen zijn.

Het betoog faalt in zoverre.

1.4. Voor de vrees van [appellant] dat de aardgasleidingen die onder de vrachtwagenparkeerplaats lopen onvoldoende worden beschermd, bestaat geen aanleiding. De gronden met de aardgasleidingen zijn in het plan mede bestemd als "Leiding-Gas". Ingevolge artikel 13, lid 13.1, 13.3 en 13.4, van de planregels zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van ondergrondse gasleidingen en is voor het bouwen ten behoeve van overige bestemmingen, het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist. Deze kan ingevolge artikel 13, lid 13. 3 en 13.4.3 slechts worden verleend indien het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de gasvoorziening zijn gewaarborgd. Daarmee voldoet het plan aan de eisen die in artikel 14, derde lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen worden gesteld aan bestemmingsplannen die het oprichten van bouwwerken binnen de belemmeringenstrook van leidingen toestaan. Voorts is het betoog van [appellant] dat de vrachtwagenparkeerplaats is aangelegd met verontreinigd materiaal en dat daarmee onvoldoende rekening is gehouden, door de raad ter zitting onder verwijzing naar een onderzoek, waaruit volgt dat het aangelegde verhardingsmateriaal milieutechnisch aanvaardbaar is, voldoende weersproken.

De betogen falen in zoverre.

1.5. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. In de toelichting van het vrijstellingsbesluit van 2003 van het college van burgemeester en wethouders staat dat er twee mogelijke locaties voor de aanleg van een vrachtwagenparkeerplaats zijn; een vestiging aan de Kraaiendijk en de locatie aan de Groeneweg. De locatie aan de Kraaiendijk heeft de voorkeur, omdat dit gecombineerd kan worden met een eventuele vestiging van de accommodatie voor Jong Nederland en de parkeervoorzieningen van het daar aanwezige sportpark. Zolang over voornoemde accommodatie onzekerheid bestaat, is de locatie aan de Groeneweg een alternatief waarvoor een tijdelijke vrijstelling kan worden verleend en die een permanente oplossing op de andere locatie niet in de weg staat. In de zienswijzennota staat dat de locatie aan de Kraaiendijk inmiddels geen reële mogelijkheid meer is. Uit de plantoelichting volgt voorts dat de locatie aan de Kraaiendijk is vervallen. Ter zitting heeft de raad echter toegelicht dat ten tijde van de vaststelling van het plan alleen is beoordeeld of er nog behoefte was aan de vrachtwagenparkeerplaats aan de Groeneweg, maar dat niet meer is gekeken of de locatie aan de Kraaiendijk nog een mogelijkheid was.

Nu ten tijde van de vaststelling van het plan niet meer is beoordeeld of een vrachtwagenparkeerplaats aan de Kraaiendijk mogelijk was, is dit alternatief onvoldoende in de afweging betrokken. Het plan steunt in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt in zoverre.

1.6. De VNG-brochure kent geen richtafstanden voor vrachtwagenparkeerplaatsen als deze. De categorieën in de VNG-brochure waar [appellant] en de raad naar verwijzen kunnen daarmee niet op één lijn worden gesteld. Voorts bevat de Wgh geen verplichting om onderzoek te verrichten naar de geluidbelasting op de woning van [appellant] ten gevolge van de vrachtwagenparkeerplaats als zodanig. Dit laat onverlet dat het gebruik van de vrachtwagenparkeerplaats een negatieve invloed kan hebben op het woon- en leefklimaat van [appellant].

Wat betreft de door [appellant] gestelde risico's in verband met geparkeerde vrachtwagens met gevaarlijke lading overweegt de Afdeling dat voldaan moet worden aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen zodat ten aanzien van deze aspecten geen beperkingen in de planregels hoefde te worden opgenomen.

De raad heeft echter niet onderzocht, zo is ter zitting erkend, wat de geluidseffecten zijn van in werking zijnde koelaggregaten die zich op geparkeerde vrachtwagens kunnen bevinden op de woning van [appellant]. In verband met een wijziging van de Groeneweg door de uitrit van de vrachtwagenparkeerplaats is door de raad verder een akoestisch onderzoek overgelegd van bureau SRE Milieudienst van 9 maart 2012 om te bepalen of sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh. De conclusie van het onderzoek is dat op de gevel van de woning op het perceel [locatie] de geluidbelasting niet met 2 dB of meer toeneemt, zodat de wijziging van dit weggedeelte van de Groeneweg geen reconstructie is in de zin van de Wgh en er geen maatregelen getroffen hoeven worden. In het onderzoek is echter ten onrechte als uitgangspunt genomen dat er in de bestaande situatie reeds gebruik kan worden gemaakt van de vrachtwagenparkeerplaats, aangezien die illegaal is. Van belang is wat de geluidbelasting is voor en na de reconstructie met een vrachtwagenparkeerplaats. Het akoestisch onderzoek heeft voorts als uitgangspunt dat vrachtwagens alleen in de nachtperiode vertrekken, terwijl, zo is ter zitting door de raad erkend, het planologisch ook mogelijk is dat vrachtwagens terugkeren in de nachtperiode. Niet is uitgesloten dat daardoor het gebruik van de vrachtwagenparkeerplaats in de nachtperiode intensiever is dan in het akoestisch onderzoek is aangenomen. Verder kan uit de conclusie in het akoestisch onderzoek dat er geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh, wat daarvan ook zij, niet zonder meer worden afgeleid dat ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt in zoverre.

1.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" aan de gronden tegenover het perceel [locatie], niet berust op een deugdelijke motivering en niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, zodat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht .

1.8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellante B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Someren van 28 september 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Someren-Heide", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" voor de gronden tegenover het perceel [locatie];

III. veroordeelt de raad van de gemeente Someren tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep opgenomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthondervierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Someren aan [appellant A] en [appellante B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2012

429-662.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature