< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

ontheffing zondag, nieuw primair besluit in bezwaar, college onbevoegd, toepassing artikel 6:15 Awb

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/917 en AWB 11/1136 6 september 2012

12500 Winkeltijdenwet

Uitspraak in de zaken van:

1. Dekamarkt B.V., te Velsen-Noord, appellante (hierna: Dekamarkt),

2. Vomar Voordeelmarkt B.V., te Alkmaar, appellante (hierna: Vomar),

gemachtigde: mr. R.A.M. Schram, advocaat te Haarlem,

tegen

burgemeester en wethouders van Heemstede, verweerders,

gemachtigde: mr. A.E. Hopman, werkzaam bij de gemeente Heemstede,

waaraan voorts als partij deelneemt:

Albert Heijn B.V., te Zaandam (hierna: Albert Heijn),

gemachtigde: mr. J.A. Martens, werkzaam bij Albert Heijn.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2010 hebben verweerders ter uitvoering van de uitspraak van het College van 8 januari 2010 (LJN: BL3125) opnieuw beslist op de aanvragen van Albert Heijn en Dekamarkt om ontheffing voor zondagopenstelling van hun supermarkt op grond van artikel 7 van de Verordening winkeltijden Heemstede (hierna: de Verordening), en daarbij deze ontheffing wederom verleend aan Dekamarkt voor de duur van drie jaar, ingaande op 7 juli 2009. Bij hetzelfde besluit van 9 februari 2010 hebben verweerders de aanvraag van Albert Heijn afgewezen.

Bij besluit van 27 september 2011 hebben verweerders, onder gelijktijdige intrekking van hun eerdere besluit van 5 juli 2011, beslist op het hiertegen door Albert Heijn ingediende bezwaar. Het besluit houdt in dat Dekamarkt de huidige ontheffing behoudt. Daarnaast hebben verweerders besloten dat voor de komende drie jaar, vanaf juli 2012, ontheffing voor zondagopenstelling wordt verleend aan Albert Heijn, A.

Tegen dit besluit heeft Dekamarkt bij brief van 1 november 2011, bij het College ingekomen op die datum, beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft Albert Heijn het College bericht als partij aan het geding te willen deelnemen.

Vomar heeft bij brief van 28 november 2011 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 september 2011. Dit bezwaarschrift is door verweerders met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ter behandeling als beroepschrift doorgezonden aan het College. Het beroepschrift werd op 13 december 2011 ontvangen.

Bij brief van 6 december 2011 hebben verweerders met betrekking tot het beroep van Dekamarkt een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Bij brief van 2 februari 2012 heeft Vomar haar beroepschrift aangevuld.

Bij brief van 7 maart 2012 hebben verweerders met betrekking tot het beroep van Vomar een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Op 15 augustus 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden, hun standpunt hebben toegelicht.

2. De bevoegdheid van het College

2.1 Appellanten kunnen zich niet verenigen met het onderdeel van het besluit van verweerders van 27 september 2011 waarbij ontheffing is verleend aan Albert Heijn vanaf juli 2012. De beslissing om de aan Dekamarkt voor de periode van 7 juli 2009 tot 1 juli 2012 verleende ontheffing in stand te laten is geen onderwerp van geschil. Hetzelfde geldt voor het besluit van verweerders van 5 juli 2011, welk besluit is genomen naar aanleiding van de aanvankelijk veronderstelde overeenstemming tussen Dekamarkt en Albert Heijn.

2.2 De ontheffingverlening aan Albert Heijn staat los van de beslissing op bezwaar waarbij de ontheffing van Dekamarkt voor de periode tot 1 juli 2012 in stand is gelaten. Die bezwaarprocedure betrof immers de vraag of aan Dekamarkt vanaf 7 juli 2009 terecht ontheffing was verleend.

Het verlenen van ontheffing aan Albert Heijn voor de periode vanaf 1 juli 2012 is een (nieuw) primair besluit waartegen eerst bezwaar dient te worden gemaakt voordat beroep kan worden ingesteld. De rechtsmiddelenclausule waarin wordt verwezen naar de beroepsmogelijkheid bij het College maakt dit niet anders.

2.3 Gezien het voorgaande moeten het beroepschrift van Dekamarkt van 1 november 2011 en het geschrift van Vomar van 28 november 2011 worden aangemerkt als bezwaarschriften. Het College is niet bevoegd om hierop te beslissen. De bezwaarschriften zullen met toepassing van artikel 6:15 Awb ter behandeling worden doorgezonden aan verweerder.

2.4 Het bezwaar van Vomar is niet ingediend binnen de wettelijke termijn van zes weken. Hoewel de beslissing over de ontvankelijkheid van het bezwaar aan verweerders is, hecht het College eraan op te merken dat hij het bij wijze van verweer ingenomen standpunt van verweerders, inhoudende dat geen sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding, vooralsnog niet deelt. Aannemelijk is dat Vomar, nadat zij op de hoogte raakte van de ontheffingverlening aan Albert Heijn, vrijwel direct bezwaar heeft gemaakt.

2.5 Verweerders zullen in het kader van de heroverweging van hun besluit om de ontheffing voor de komende drie jaar aan Albert Heijn te verlenen, onder meer moeten bezien of sprake is geweest van een procedure waarin alle geïnteresseerde ondernemers op gelijke wijze naar de beschikbare ontheffing hebben kunnen meedingen.

2.6 Omdat appellanten ten onrechte naar de beroepsprocedure zijn verwezen acht het College termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874,- (1 punt voor de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in samenhangende zaken; wegingsfactor 1, bedrag per punt € 437,-). Om dezelfde reden bepaalt het College dat verweerders het door appellanten betaalde griffierecht moeten vergoeden.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen;

- bepaalt dat de griffier de procesdossiers zal doorzenden aan verweerders ter behandeling als bezwaarschrift;

- veroordeelt verweerders in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 874,- (zegge

achthonderdvierenzeventig euro);

- bepaalt dat verweerders de betaalde griffierechten van € 302,- (zegge driehonderdentwee euro) aan ieder van

appellanten vergoeden.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. J. van Santvoort als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 september 2012.

w.g. C.M. Wolters w.g. J. van Santvoort


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature