< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Verlening ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: JE RK 12-1989

Zaaknummer : 423002

Datum beschikking: 16 oktober 2012

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op de op 9 juli 2012 ingekomen verzoekschriften van:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Den Haag Centrum/Scheveningen (verder: Bureau Jeugdzorg),

met betrekking tot de minderjarigen:

1. [minderjarige sub 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

2. [minderjarige sub 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

3. [minderjarige sub 3], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

kinderen van:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

en erkend door

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

In de onderhavige procedure zijn tevens als belanghebbenden aangemerkt:

De heer [pleegvader] en mevrouw [pleegmoeder], de pleegouders van de minderjarige sub 3 (verder: de pleegouders), wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

De minderjarigen sub 1 en 2 verblijven bij de moeder.

De minderjarige sub 3 verblijft feitelijk bij de pleegouders.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:

- de verzoekschriften, met bijlagen;

- (t.a.v. de minderjarige sub 3) het indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg d.d. 6 juli 2012

met de daarbij behorende aanvraag;

- de stelbrief van mr. H.H. Keereweer, waarbij deze zich stelt als advocaat van de vader, met

bijlagen, ingekomen ter griffie op 16 augustus 2012;

- de stelbrief van mr. J.H. Weermeijer, waarbij deze zich stelt als advocaat van de moeder,

ingekomen ter griffie op 20 augustus 2012;

- het telefaxbericht van mr. J.H. Weermeijer, ingekomen ter griffie op 21 augustus 2012;

- de brief van mr. H.H. Keereweer, ingekomen ter griffie op 23 augustus 2012, met bijlagen;

- het telefaxbericht van mr. H.H. Keereweer, ingekomen ter griffie op 24 augustus 2012;

- het telefaxbericht van mr. J.H. Weermeijer, met als bijlagen een aantal producties,

ingekomen ter griffie op 24 augustus 2012;

- het e-mailbericht van C. Padt-Olde, d.d. 24 augustus 2012, met bijlagen;

- de rapporten betreffende het Forensisch Psychologisch Onderzoek van alle minderjarigen,

opgesteld door het Haags Ambulatorium, gedateerd 25 juli 2012;

- het schrijven d.d. 21 september 2012 van mr. J.H. Weermeijer, met als bijlagen een aantal

producties;

- het verweerschrift ingediend namens de moeder d.d. 26 september 2012.

Op 2 oktober 2012 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen:

- mevrouw C. Padt en mevrouw L. Much namens Bureau Jeugdzorg;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.H. Weermeijer;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. H.H. Keereweer;

- de pleegouders.

Feiten

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 27 augustus 2012 de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd van 9 september 2012 tot 17 oktober 2012 alsook de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige sub 3 verlengd van

9 september 2012 tot 17 oktober 2012 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot de terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van heden.

Verzoek en verweer

De verzoeken strekken tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de periode van één jaar alsmede tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige sub 3 voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De vader heeft ingestemd met het verzochte, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet. Hij heeft voorts aangegeven mee te zullen werken aan alle vormen van begeleiding die noodzakelijk zijn.

Mr. Weermeijer heeft namens de moeder verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen sub 1 en 2 en tegen het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige sub 3, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. Mr. Weermeijer heeft zich namens de moeder ten aanzien van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige sub 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

Van de zijde van Bureau Jeugdzorg zijn de verzoeken gehandhaafd. Meegedeeld is dat Bureau Jeugdzorg zich aansluit bij de conclusies uit de rapporten van het Haags Ambulatorium. De in de rapporten genoemde contra-indicaties sluiten aan bij de door Bureau Jeugdzorg gedane verzoeken.

Aangegeven is voorts dat het wettelijke uitgangspunt primair is dat de minderjarige bij de gezaghebbende ouder(s) wordt teruggeplaatst, mits de veiligheid van de minderjarige niet in het geding is.

Door Bureau Jeugdzorg is aangegeven dat de ambulante werkers van Jeugdformaat niet hebben gezegd dat de hulpverlening aan de minderjarigen sub 1 en 2 positief is afgerond, maar dat de hulp die zij kunnen bieden onvoldoende is en dat de minderjarigen sub 1 en 2 andere hulpverlening nodig hebben. Bureau Jeugdzorg wil aan de hand van de conclusies uit de rapporten van het Haags Ambulatorium met de moeder in gesprek om te bepalen welke hulpverlening de juiste is voor de minderjarigen sub 1 en 2. De nieuwe gezinsvoogd die voor de minderjarigen sub 1 en 2 is aangesteld, zal dit overleg opstarten.

Mr. Keereweer heeft namens de vader gesteld dat hij alle verzoeken van Bureau Jeugdzorg ondersteunt, nu de conclusies van het Haags Ambulatorium het meest actueel en duidelijk zijn. Mr. Keereweer benadrukt dat er geen risico's mogen worden genomen met de terugplaatsing van de minderjarige sub 3. In een niet-veilige omgeving is terugplaatsing dan ook niet aan de orde. De vader zal vooralsnog afzien van omgang met de minderjarigen sub 1 en 2, nu volgens voornoemde rapportage het voorlopig opschorten van de omgangsregeling geïndiceerd is. Te zijner tijd zou hij wel graag weer een omgangsregeling met de minderjarigen willen opbouwen.

Mr. Weermeijer heeft namens de moeder het woord gevoerd en - in aanvulling op het reeds ingediende verweerschrift - aangegeven dat de moeder al vier jaar vecht om de minderjarige sub 3 weer thuis te krijgen. Uit de rapporten van het Haags Ambulatorium blijkt ook, aldus gesteld, dat de minderjarige goed gehecht is aan de moeder en dat de situatie bij de moeder thuis stabiel is, ondanks de problemen van de minderjarigen sub 1 en 2. Met extra begeleiding voor de minderjarigen sub 1 en 2 is de minderjarige sub 3 beter af bij de moeder thuis. De moeder werkt goed mee met de hulpverlening en heeft inmiddels zelf via de huisarts een verwijzing gevraagd voor systeemtherapie. Zodra deze extra hulpverlening voor de minderjarigen sub 1 en 2 is gerealiseerd, kan de minderjarige sub 3 weer thuis worden geplaatst en kan vervolgens het contact van de minderjarigen sub 1 en 2 met de vader weer worden opgebouwd. De veiligheid van de minderjarigen sub 1 en 2 is ook niet in het geding, nu de minderjarigen zich bij de moeder thuis voelen en zich goed ontwikkelen.

Concluderend dient het verzoek tot verlenging van ondertoezichtstelling van de minderjarigen sub 1 en 2 te worden afgewezen, nu de moeder zelf actief de juiste hulpverlening voor de minderjarigen sub 1 en 2 zoekt en verplichte hulpverlening dus niet nodig is. Ook dient het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige sub 3 te worden afgewezen. Om de terugplaatsing van de minderjarige sub 3 te realiseren refereert de moeder zich ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige sub 3 aan het oordeel van de rechtbank.

De pleegmoeder van de minderjarige sub 3 heeft ter terechtzitting benadrukt dat de minderjarige gebaat is bij duidelijkheid over de plek waar zij verder zal opgroeien.

Blijkens het rapport van het Haags Ambulatorium betreffende de minderjarigen sub 1 en 2 is

de minderjarige sub 1 in cognitief opzicht zeer begaafd (IQ 141) met een hoog ambitieniveau. In sociaal-emotioneel opzicht is hij kwetsbaar en loopt hij wat achter. Ook kan hij dominant zijn, is zijn empatisch vermogen niet groot en heeft hij moeite met kritiek. Bovendien vertoont hij angst op diverse gebieden en heeft hij last van stemmings-wisselingen.

De minderjarige sub 2 zit in cognitief opzicht net op bovengemiddeld niveau (IQ 111), heeft vermoedelijk dyslexie en is in emotioneel opzicht een zeer onzekere kwetsbare jongen met laag zelfbeeld. Ook ervaart de minderjarige sub 2 lijdensdruk door het overheersende gedrag van zijn broer en maakt hij een depressieve, neerslachtige indruk.

Uit beide interactieobservaties blijkt dat de vaardigheden van de moeder, als het gaat om structureren en begrenzen van de minderjarigen sub 1 en 2 in conflictsituaties, onvoldoende toereikend zijn. Beide minderjarigen accepteren het gezag van de moeder niet.

De beide minderjarigen hebben een sterke weerstand tegen contact met de vader.

Nu moeders houding tegenover contact tussen vader en de minderjarigen als ambivalent kan worden omschreven, valt niet te verwachten dat zij de kinderen eenduidig positief kan ondersteunen in hun contacten met de vader. Op dit moment is het voorlopig opschorten van omgangsregeling tussen jongens en de vader dan ook geïndiceerd.

Systeemtherapie is dringend geïndiceerd teneinde de gezinsverhoudingen te verbeteren en de gezagsrelatie tussen de moeder en de minderjarigen te herstellen. Voorts is individuele cognitieve therapie voor de minderjarigen noodzakelijk om negatieve gevoelens voor de vader te kanaliseren. Daarnaast lijkt het wenselijk dat de minderjarige sub 1 therapie volgt om zijn emotiereguleringsmechanismen te verbeteren en zijn sociaal-emotionele veerkracht te vergroten. De minderjarige sub 2 zou gebaat zijn bij het volgen van therapie om zijn sociale vaardigheden, sociaal-emotionele weerbaarheid en zelfvertrouwen te vergroten alsmede om zijn stemming te verbeteren.

Uit voornoemde rapporten van het Haags Ambulatorium blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, onverminderd dat verdere hulpverlening voor de minderjarigen sub 1 en 2 dringend noodzakelijk is. Hoewel de moeder bereidheid toont hulpverlening in een vrijwillig kader te aanvaarden, acht de rechtbank het van belang dat er zicht is welke hulp wordt geboden aan moeder en de minderjarigen en dat met regelmaat wordt geëvalueerd of de ingezette hulp voldoende resultaat heeft. Met het oog hierop, maar ook in verband met de negatieve beeldvorming van vader door de beide minderjarigen en de wenselijkheid deze beeldvorming te doorbreken, acht de rechtbank hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk. Er is nog steeds sprake van een dusdanige problematiek bij de minderjarigen dat er sprake is van een bedreigde ontwikkeling van de minderjarigen sub 1 en 2, die verlenging van de ondertoezichtstelling rechtvaardigt, zodat aldus zal worden beslist.

Het rapport van het Haags Ambulatorium betreffende de minderjarige sub 3 geeft - in essentie - weer dat de minderjarige cognitief op gemiddeld niveau functioneert en verbaal bovengemiddeld. Voorts is het een kwetsbaar meisje, waarbij niet tot nauwelijks sprake is van gedragsproblemen. De minderjarige is gebaat bij een veilige leefomgeving met volwassenen, die op een voorspelbare, consequente en veilige manier grenzen aangeven en regels aanleren. Het is van groot belang dat de minderjarige zekerheid krijgt omtrent haar toekomstige woonplek. Moeder, pleegmoeder en leerkracht geven aan dat de minderjarige in twee werelden leeft en daardoor steeds moet schakelen. Dit loyaliteitsconflict is heel verwarrend voor de minderjarige en op termijn ook schadelijk.

Uit de interactieobservaties blijkt dat de minderjarige een sterke betrokkenheid heeft naar de moeder, een positieve betrokkenheid naar de vader alsook naar de minderjarige sub 2, maar dat haar indirecte betrokkenheid naar de minderjarige sub 1 groot is, maar geheel negatief. Ook de indirecte betrokkenheid van de minderjarige naar het pleeggezin is beperkt, hoewel er wel met alle gezinsleden van het pleeggezin een hechtingsrelatie is.

De moeder lijkt in relatie tot de minderjarige over een aantal positieve affectieve en pedagogische vaardigheden te beschikken. Haar opvoedingsideeën doen redelijk adequaat maar wel vrij algemeen en sociaal wenselijk aan.

Uit interactieobservatie tussen de moeder en de minderjarigen sub 1 en 2 is naar voren gekomen dat de moeder onvoldoende overwicht heeft, niet alleen wat betreft het hanteren van hun hoog oplopende conflicten, maar ook in het corrigeren van hun uiterst respectloze houding naar haar toe.

De moeder is daarbij niet in staat om de minderjarige sub 3 goed te beschermen.

Een vast hoofdverblijf is wenselijk en een bij het toekomstperspectief passende bezoekregeling bij de niet verzorgende ouder.

Gezien het positieve verloop van de bezoeken is het van belang het contact tussen de vader en de minderjarige sub 3 te behouden.

Mede in het licht van het onderzoek van de minderjarigen sub 1 en 2 vormen de contra-indicaties een zwaarwegend argument om de minderjarige niet thuis te plaatsen. Dit heeft weinig te maken met de opvoedkundige capaciteiten van moeder en/of vader, maar meer met de toch instabiele gezinssituatie die een negatief effect op de minderjarige sub 3 zal hebben.

Nu partijen het eens zijn over de toewijzing van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige sub 3 en dit verzoek ook wordt ondersteund door de inhoud van het rapport van het Haags Ambulatorium, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de minderjarige sub 3 de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht.

De rechtbank is voorts van oordeel dat voortzetting van het verblijf in het pleeggezin in het belang is van de minderjarige en overweegt hiertoe als volgt.

De minderjarige sub 3, die thans zes jaar is, verblijft circa vier jaar in het pleeggezin.

Zij heeft zich aldaar leeftijdsadequaat ontwikkeld en is goed gehecht aan het pleeggezin.

Zij functioneert in cognitief opzicht op gemiddeld niveau en ook sociaal ontwikkelt zij zich positief. Van gedragsproblematiek is geen sprake.

Gedurende de afgelopen jaren hebben de diverse hulpverleningstrajecten in de thuissituatie bij de moeder niet tot het gewenste resultaat geleid. De ernstige problematiek van de minderjarigen sub 1 en 2 is onverminderd aanwezig en vormt volgens het Haags Ambulatorium een zwaarwegend argument tegen de thuisplaatsing van de minderjarige

sub 3. Immers, aangegeven is dat de veiligheid van de minderjarige sub 3 bij de moeder thuis niet kan worden gewaarborgd en dat de moeder de opvoeding en verzorging van de minderjarige sub 3 vanwege de problematiek van de minderjarigen sub 1 en 2 niet op een juiste manier gestalte kan geven.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het niet in het belang van de minderjarige sub 3 om een stabiele thuissituatie, waarin zij zich goed heeft kunnen ontwikkelen, te verliezen voor een instabiele, zelfs onveilige, thuissituatie. Hierbij komt dat de kans dat de minderjarige een onbelemmerde relatie met de vader kan opbouwen groter wordt geacht als zij in het pleeggezin verblijft. De rechtbank overweegt dat verschillende deskundigen hebben aangegeven dat het in het belang is van de minderjarige sub 3 om duidelijkheid te verkrijgen over haar toekomstperspectief. De rechtbank zou zich in het licht van deze omstandigheden kunnen voorstellen dat Bureau Jeugdzorg binnen afzienbare termijn een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel entameert bij de Raad voor de Kinderbescherming.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn, zodat als volgt zal worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen van 17 oktober 2012 tot 9 september 2013, met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg ;

en

verlengt de aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden verleende machtiging de minderjarige sub 3 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 17 oktober 2012 tot

9 september 2013, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 6 juli 2012;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Haan, voorzitter, mrs. H.M.D. de Jong en

M. Dam, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2012,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte als griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature