< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

schadevergoeding, middelen van waardevaststellingen door deskundigen

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/819 6 september 2012

11249 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Uitspraak in de zaak van:

A en B B.V., te C, appellanten,

gemachtigde: mr. H.A. Gooskens, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.G.B. Brons, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 15 april 2011 heeft verweerder appellanten, vanwege het doden van hun geiten op 18 januari 2010 en 23 februari 2010 en bokken op 28 april 2010, na hertaxatie op 28 oktober 2010, een tegemoetkoming in de schade op grond van artikel 86 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) toegekend.

Bij besluit van 1 september 2011 heeft verweerder het hiertegen gericht bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 10 oktober 2011, bij het College binnengekomen op 11 oktober 2011, beroep ingesteld. Bij brief van 8 november 2011 hebben appellanten de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 25 januari 2012 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 16 maart 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor appellanten is voorts verschenen ing . H.A.J. Dilven, werkzaam bij ABAB Consultants B.V. (hierna: Dilven). Verweerder is verschenen bij genoemde gemachtigde, vergezeld door ir. P.L.M. van Horne, werkzaam bij het Landbouw Economisch Instituut (hierna: LEI), A.F. Hilderink (hierna: Hilderink), werkzaam als taxateur bij DLV Advies Intensief B.V. en mr. M.W.G. Habets, werkzaam bij verweerder.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Gwd is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

" Artikel 1 5

(…)

2. Een besmettelijke dierziekte kan worden aangewezen, indien:

a. de ziekte zich snel kan uitbreiden, ernstige schade kan berokkenen aan de betrokken diersoort en niet of niet volledig kan worden voorkomen of bestreden met normale bedrijfsmiddelen;

(…)

c. de ziekte naar het oordeel van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een ernstig gevaar voor de volksgezondheid oplevert.

(…)

Artikel 2 1

1. Onze Minister besluit zo spoedig mogelijk tot het nemen van de door hem nodig geachte maatregelen tot bestrijding van een besmettelijke dierziekte.

(…)

Artikel 2 2

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(…)

f. het doden van zieke en verdachte dieren.

(…)

Artikel 8 6

1. Uit het Diergezondheidsfonds wordt aan de eigenaar een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:

a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood.

(…)

2. De tegemoetkoming in de schade bedraagt:

a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand,

(…)

Artikel 8 7

Alvorens dieren op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood (...), wordt de waarde daarvan vastgesteld.

Artikel 8 8

1. Dit artikel is van toepassing op de waardevaststelling van dieren, producten en voorwerpen ten aanzien waarvan geen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 87a, 87 b en 87c.

2. De in artikel 87 bedoelde waardevaststelling geschiedt door een be ëdigd deskundige, welke wordt aangewezen door Onze Minister.

3. Indien Onze Minister of de eigenaar of diens gemachtigde geen genoegen neemt met de waardevaststelling verzoekt Onze Minister de kantonrechter in het kanton waar de dieren, bedoeld in artikel 87, zijn gedood (…) drie beëdigde deskundigen te benoemen, waaronder de krachtens het tweede lid aangewezen deskundige.

4. Indien over de waardevaststelling geen overeenstemming wordt bereikt, geldt het bedrag dat het gemiddelde is van de verschillende waarderingen.

(…)"

2.2 Bij de beoordeling van het geschil gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden

- Gelet op de opgelegde maatregel tot doding van de geiten van appellanten heeft op 15 januari 2010 en 23 februari 2010 een waardebepaling van de geiten plaatsgevonden. Blijkens de taxatierapporten is de waarde van de geiten bepaald op respectievelijk € 226.395,- (incl. btw) en € 35.320,- (incl. btw).

- Gelet op de opgelegde maatregel tot doding van de bokken van appellanten heeft op 28 april 2010 een waardebepaling van de bokken plaatsgevonden. Blijkens het taxatierapport is de waarde van de bokken bepaald op € 4.215,- (incl. btw).

- Bij brief van 22 april 2010 heeft verweerder de kantonrechter verzocht om benoeming van drie deskundigen teneinde de door appellanten verzochte hertaxatie van de geiten te kunnen uitvoeren.

- Bij brief van 9 juni 2010 heeft verweerder de kantonrechter verzocht om benoeming van drie deskundigen teneinde de door appellanten verzochte hertaxatie van de bokken te kunnen uitvoeren.

- Bij beschikking van 10 augustus 2010 heeft de kantonrechter voor de hertaxatie van de gedode geiten, tot deskundigen benoemd G.J. Bronkhorst, A.M.M. Habets en Dilven voornoemd.

- Bij beschikking van 10 augustus 2010 heeft de kantonrechter voor de hertaxatie van de gedode bokken tot deskundigen benoemd A.E.M. Uijttewaal, A.M.M. Habets en Dilven voornoemd.

- Op 28 oktober 2010 heeft de hertaxatie plaatsgevonden. Blijkens het taxatieformulier hebben deskundigen Bronkhorst en Habets de waarde van de geiten bepaald op € 263.200,- (incl. btw) en hebben de deskundigen Uijttewaal en Habets de waarde van de bokken bepaald op € 4215,- (incl. btw). Deskundige Dilven heeft blijkens de taxatieformulieren de waarde van de geiten bepaald op € 288.844,97 (incl. btw) en de waarde van de bokken bepaald op € 8.865,- (incl. btw).

- Bij besluit van 15 april 2011 heeft verweerder, uitgaande van de waardebepaling door Bronkhorst en Habets, de waarde van de geiten bepaald op € 263.200,- (incl. BTW) en, uitgaande van de waardebepaling door Uijttewaal en Habets, de waarde van de bokken bepaald op € 4.215 (incl. BTW). Na aftrek van BTW is de tegemoetkoming in de schade vastgesteld op € 248.301,89 voor de geiten en € 3.976,42 voor de bokken.

- Hiertegen hebben appellanten bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 In dit geschil staat centraal de vraag of verweerder bij het besluit waarbij de tegemoetkoming in de schade voor de gedode geiten en bokken op grond van artikel 86 Gwd is vastgesteld, de waardevaststelling door deskundige Dilven in redelijkheid buiten beschouwing heeft kunnen laten. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

3.2 Volgens verweerder wordt met het begrip waarde zoals neergelegd in artikel 86 Gwd de marktwaarde bedoeld. Verweerder wijst in dit verband op de Verordening (EG) nr. 349/2005 van de Commissie tot vaststelling van voorschriften inzake de communautaire financiering van de in de beschikking 90/424/EEG van de Raad bedoelde urgente maatregelen ter bestrijding van bepaalde dierziekten. Hieruit volgt volgens verweerder dat de verkoopwaarde van de geiten bepalend is voor de tegemoetkoming. Dilven heeft volgens verweerder bij de hertaxatie omstandigheden betrokken die geen betrekking hebben op de verkoopwaarde, maar veeleer moeten worden aangemerkt als bedrijfsinterne omstandigheden dan wel als gevolgschade moet worden beschouwd. Met de melkproductie van de geruimde geiten is al rekening gehouden door de melkopbrengsttoeslag in de waardetabel. Dilven heeft voorts ten onrechte de afwaardering van de geiten in de waardetabel aangepast van een afwaardering per jaar naar een afwaardering per dag. Dilven stelt in dit verband ten onrechte dat de categorieën in de waardetabel zijn gebaseerd op het moment van lammeren. Verweerder wijst er op dat de waardetabel is opgesteld om voor alle dieren in een leeftijdscategorie een waarde weer te geven. Om die reden is er, zoals bij alle waardetabellen voor melkvee gebruikelijk is, uitgegaan van gemiddelde waarden. Dilven heeft eveneens ten onrechte het eiwitpercentage in de melk als factor betrokken bij de marktwaarde van de geiten. Bij de handel in geiten is in de eerste plaats de hoeveelheid kilogrammen melk bepalend voor de marktwaardebepaling. Tot slot heeft Dilven de marktwaarde van de geruimde geiten verhoogd met de kosten van kunstmatige inseminatie. De marktwaarde wordt echter niet bepaald door de wijze waarop de geiten verwekt zijn en de kosten die daarmee gemoeid zijn geweest. Aangezien Dilven niet volgens het marktwaardeprincipe heeft getaxeerd, is deze waardevaststelling in strijd met artikel 86 Gwd opgesteld. Volgens verweerder kan deze daarom in redelijkheid niet aan de tegemoetkoming in de schade ten grondslag worden gelegd.

3.3 Appellanten zijn van mening dat verweerder ten onrechte de waardevaststelling van Dilven buiten beschouwing heeft gelaten. Dilven heeft bij zijn waardevaststelling de waardetabel "Waardetabel 1, hoogdrachtige geiten en dekbokken marktconforme bedragen" van 17 december 2009 van het LEI (hierna: waardetabel) alsmede de richtlijn waardevaststelling (dek)bokken van 8 maart 2010 gehanteerd en is daar, op bepaalde punten, gemotiveerd van afgeweken.

3.4 Het College stelt vast dat de waardevaststellingen van de deskundigen van elkaar verschillen. Ingevolge artikel 88, vierde lid, Gwd dient verweerder in een dergelijk geval bij het besluit tot toekenning van de tegemoetkoming in de schade uit te gaan van het gemiddelde van de verschillende waarderingen. Met inachtneming van vaste jurisprudentie van het College - onder meer neergelegd in de uitspraak van 11 maart 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl LJN BC6530 - kan verweerder slechts in uitzonderlijke gevallen van de waardestelling door deskundigen afwijken. Dat zal het geval kunnen zijn, indien de vaststelling van de waarde hetzij uit hoofde van haar inhoud, hetzij uit hoofde van de wijze waarop zij tot stand is gekomen, zozeer indruist tegen hetgeen redelijk en billijk is dat verweerder in redelijkheid deze waardevaststelling niet aan verdere besluiten ten grondslag kan leggen. Voorts zal voor verweerder aanleiding kunnen bestaan van de waardevaststelling door de deskundigen af te wijken, indien deze waardevaststelling klaarblijkelijk in strijd met enig wettelijk voorschrift tot stand is gekomen, dan wel aan die vaststelling klaarblijkelijk een onjuiste voorstelling van de feiten ten grondslag heeft gelegen.

3.5 De waardetabel, die het LEI in opdracht van verweerder heeft opgesteld, vermeldt onder meer het volgende. Als basis is gehanteerd het bedrijf met een gemiddelde melkproductie per geit van 800 kg per jaar. Daarbij wordt uitgegaan van een marktwaarde van een hoogdrachtige geit met een jaarlijkse melkproductie van 800 kg. Bekend is dat de gemiddelde marktprijzen van een verhandeld geitenlam in de leeftijd van 7 maanden vlak voor het uitbreken van de crisis varieerden van € 275,- tot € 300,-. Opgemerkt wordt dat deze bedragen afkomstig zijn van een beperkt aantal transacties. Voorts is rekening gehouden met de kosten van het voeren tot aan het moment van aflammeren, alsook met het gegeven dat veelal dieren met een geringer productiepotentieel aangeboden worden. De marktwaarde voor een hoogdrachtige geit, jonger dan 1 jaar, op een bedrijf met een melkproductie per geit van 800 kg per jaar, is aldus vastgesteld op € 325,-. De waarde van een hoogdrachtige geit tussen de 1 en 2 jaar is eveneens herleid tot

€ 325,-, waarbij geldt dat de afschrijving op basis van leeftijd wordt gecompenseerd door het selectie-effect. Voor de overige leeftijdscategorieën wordt de marktwaarde telkens met € 50,- a € 60,- afgewaardeerd. Een hoogdrachtige geit tussen de 2 en 3 jaar heeft een marktwaarde van € 275,-. Een hoogdrachtige geit tussen de 3 en 4 jaar heeft een marktwaarde van € 215,-. De marktwaarde van een hoogdrachtige geit ouder dan 4 jaar is bepaald op € 155,-. Daarbij is rekening gehouden met de slachtwaarde van € 25,-, een verwacht saldo van de resterende melkproductie tot en met afvoer en de waarde van de ongeboren lammeren. Overige aspecten waarmee volgens de waardetabel rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de marktwaarde zijn: de melkproductie per bedrijf, de bedrijfsgezondheidstatus en het al of niet hebben van een biologische houderij.

Ter zitting van het College heeft P.L.M. van Horne, werkzaam bij het LEI (hierna: Van Horne) desgevraagd te kennen gegeven dat er een zeer beperkte markt bestaat voor geiten en bokken, in die zin dat er nauwelijks geiten en bokken worden verhandeld, zodat het LEI zich heeft moeten baseren op een beperkt aantal transacties, alsmede dat het LEI wat betreft de bepaling van de marktwaarde de bedragen aan de hoge kant, dat wil zeggen ten positieve voor de geitenhouder, heeft vastgesteld. Voorts hebben Van Horne en taxateur Hilderink ter zitting desgevraagd bevestigd dat de melkproductie van een geit bepalend is voor de marktwaarde.

Uit de richtlijn waardevaststelling (dek)bokken blijkt dat het voor het LEI vanwege het ontbreken van voldoende betrouwbare marktinformatie niet mogelijk was een waardetabel voor (dek)bokken samen te stellen, alsmede dat de richtlijn is gebaseerd op waardes die overeenkomen met in de praktijk bepaalde marktwaardes en dat deze bedragen afkomstig zijn van een beperkt aantal transacties. Dekbokken zijn te verdelen in twee categorieën. Enerzijds bokken die alleen zijn geselecteerd op exterieur – waarbinnen onderscheid wordt gemaakt tussen CAE-vrije en niet-CAE-vrije bedrijven – en anderzijds bokken met bekende productiegegevens.

3.6 Het College overweegt dat de (door de kantonrechter benoemde) deskundigen bij een waardevaststelling de waardetabel als uitgangspunt nemen, en dat zij gemotiveerd van de bedragen genoemd in de waardetabel kunnen afwijken. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat aan taxatiewerk in algemene zin het bestaan van een zeker verschil van inzicht tussen taxateurs inherent is, met name in het geval dat er geen of nauwelijks markttransacties plaatsvinden.

Uit het taxatierapport blijkt dat deskundige Dilven aanleiding heeft gezien om een van de waardetabel afwijkende – hogere – waarde per geit en bok te hanteren door – gemotiveerd – een aantal aanvullende factoren in de waardebepaling te betrekken. Naar het oordeel van het College is niet vast komen te staan dat het hier gaat om factoren die op grond van de Gwd of enig ander wettelijk voorschrift niet zouden mogen worden betrokken bij de bepaling van de waarde. Het College acht de waardevaststelling op basis van – mede – deze factoren evenmin zozeer indruisen tegen hetgeen redelijk en billijk is dat deze factoren in redelijkheid niet bij de waardevaststelling mogen worden betrokken. Daarbij neemt het College in aanmerking dat representatieve marktwaardegegevens in dit geval ontbreken en de waardetabellen van een summiere onderbouwing zijn voorzien.

3.7 Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. Het College zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, Awb zelf in de zaak voorzien en onder verwijzing naar artikel 88, vierde lid, Gwd, de waardevaststellingen middelen. Gelet hierop bedraagt deze waardevaststelling voor de geiten € 271.748,32 (incl. btw) ((€ 263.200,- + € 263.200,- + € 288.844,97) : 3 = € 271.748,32) en voor de bokken € 5.765,- (incl. btw) ((€ 4.215,- + € 4.215,- + € 8.865,-) : 3 = € 5.765,-). Na aftrek van BTW bedraagt de tegemoetkoming in de schade € 256.366,34 voor de geiten en € 5.438,67 voor de bokken, tezamen

€ 261.805,01.

3.8 Het College acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 874,-, te weten 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 (gemiddeld) en een waarde per punt van € 437,-.

4. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 15 april 2011 en stelt de aan appellanten uit te keren tegemoetkoming in de schade vast op

€ 261.805,01 (zegge: tweehonderdeenenzestigduizendachthonderdvijf euro en een eurocent);

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten welke worden vastgesteld op € 874,- (zegge:

achthonderdvierenzeventig euro);

- bepaalt dat verweerder het door appellanten betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,- (zegge: driehonderdtwee euro)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E. Dijt, mr. M. van Duuren en mr. G.P. Kleijn, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 september 2012.

w.g. E. Dijt w.g. P.M. Beishuizen


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature