< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Bewaring, asielzoeker, belangenafweging na ABRvS 22 augustus 2012

Het betreft een vreemdeling die tijdens de vreemdelingenbewaring heeft aangegeven een asielaanvraag te willen indienen. De rechtbank heeft de bewaring opgeheven onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2012, nu het dossier geen stukken bevat die uitdrukkelijk blijk geven van het overleg met de IND, noch van de verrichte belangenafweging die volgens paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vc 2000 vereist is. Naar het oordeel van de rechtbank is geen plaats meer voor een nadere belangenafweging met betrekking tot de vraag of de aan eiser opgelegde maatregel, ondanks de ernst van vorenbedoeld gebrek en de daardoor geschonden belangen, behoort voort te duren.

Uitspraak



RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 12/31311 VRONTN

Uitspraak in het geding tussen de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

[eiser]

geboren op [1973],

van Ethiopische nationaliteit,

verblijvende in het detentiecentrum te Rotterdam,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. M.J.C. van den Hoff, advocaat te Veldhoven,

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel

verweerder,

gemachtigde: mr. I.A.M. de Groot, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2012 is aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd.

Eiser heeft daartegen op 2 oktober 2012 beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 oktober 2012. Eiser is door middel van telehoren door de rechtbank gehoord op zijn detentielocatie, waar ook een tolk aanwezig was. De gemachtigde van eiser en verweerder waren ter zitting in Zutphen aanwezig.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 dient de rechtbank te beoordelen of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.2 De rechtbank stelt vast dat verweerder aan de aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft gelegd dat de openbare orde de maatregel vordert omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In het bestreden besluit heeft verweerder daartoe, gelet op de onderdelen in artikel 5.1b, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), vermeld dat eiser:

b. zich niet aan één of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;

c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

i. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

j. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2.2.1 In hetgeen eiser heeft aangevoerd, vindt de rechtbank geen grond voor het oordeel dat deze gronden de maatregel niet kunnen dragen. Dat eiser het niet eens was met de afwijzing van zijn eerdere asielaanvraag en een herhaalde aanvraag voorbereidde omdat hij er stellig van overtuigd is dat hij bij terugkeer voor vervolging of voor een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden strijdige behandeling vreest, kan niet afdoen aan de omstandigheid dat hij eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit zijn plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven. Ook de omstandigheid dat eiser niet bevoegd was zich in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens kan niet afdoen aan de vaststelling van verweerder dat eiser niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats. Ook heeft verweerder uit het dossier kunnen afleiden dat de Stichting Vluchtelingen in de Knel niet als zodanig kon worden aangemerkt. Nu voor de grond dat eiser beschikt over voldoende middelen van bestaan volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) is vereist dat hij over een zelfstandig inkomen dient te beschikken, en de niet regelmatige bijdrage van de Stichting Vluchtelingen in de Knel niet als zodanig kan worden aangemerkt, heeft verweerder ook deze grond aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen.

2.2.2 De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft bestreden dat verweerder aan deze gronden het risico kon ontlenen dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken of de voorbereiding van zijn vertrek of de uitzettingprocedure zal ontwijken of belemmeren.

2.3 De stelling van eiser dat de aan hem opgelegde maatregel voor onrechtmatig moet worden gehouden omdat hij niet op rechtmatige wijze is staandegehouden nu er geen enkele aanleiding bestond om hem naar zijn identiteitsbewijs te vragen, volgt de rechtbank niet, waartoe zij het volgende overweegt.

2.3.1 In het op 1 oktober 2012 op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is het volgende gerelateerd:

“op maandag, 01 oktober 2012, te 13:05 uur, hebben wij verbalisanten, op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf in Nederland, ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, staande gehouden een persoon die opgaf te zijn (eiser).

Het hiervoor genoemd redelijk vermoeden van illegaal verblijf, is ontstaan naar aanleiding van een melding van een onwelwording. Ter plaatse aangekomen bleek het om betrokkene (…) te gaan.

Er bleek niets aan de hand te zijn met betrokkene. Hierop heb ik, verbalisant (…) in het kader van de hulpverlening, gevraagd naar een identiteitsdocument van betrokkene. Hierop overhandigde hij mij een verlopen W-document.

(…)

[x] aanwijzingen verkregen bij een controle van persoonsgegevens die werd verricht in het kader van uitoefening van de politietaken, namelijk: de Noodhulpdienst in Almelo(.)”

2.3.2 Ingevolge artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

2.3.3 Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de betreffende verbalisanten hun bevoegdheden uitoefenden in het kader van de uitoefening van hun algemene politietaken, meer in het bijzonder het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Omdat hier sprake is van de aanwending van een niet vreemdelingrechtelijke bevoegdheid, behoort de vreemdelingrechter zich volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling te onthouden van een oordeel omtrent de aanwending van een dergelijke bevoegdheid, en in deze dus de wijze waarop eiser is staandegehouden. Nu eiser desgevraagd slechts een verlopen W-document kon tonen, hebben de betreffende verbalisanten aan de hand daarvan, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf van eiser kunnen aannemen, op grond waarvan zij hem staande hebben kunnen houden. Dat noodhulp volgens eiser niet noodzakelijk bleek, zodat het niet noodzakelijk was hem naar een identiteitsbewijs te vragen en dat het proces-verbaal niet de plaats vermeldt waar eiser is staandegehouden, nog daargelaten dat dit verder niet in geschil is, kan daarom niet tot het oordeel leiden dat de staandehouding en daarop volgende maatregel van vreemdelingenbewaring voor onrechtmatig moet worden gehouden.

2.4 De procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring zijn in overeenstemming met de wettelijke vereisten. In hetgeen overigens is aangevoerd, vindt de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de bewaring niet rechtmatig is.

2.5 Voor zover eiser heeft gesteld dat de maatregel vanaf 5 oktober 2012 voor onrechtmatig moet worden gehouden omdat hij op die dag te kennen heeft gegeven een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en niet gebleken is van een belangenafweging met betrekking tot het voortduren van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag. overweegt de rechtbank het volgende.

2.5.1 Volgens paragraaf A6/5.3.3.5. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) dient het toepassen van bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in willen dienen of ingediend hebben, zo beperkt mogelijk te geschieden. Het kan daarbij gaan om vreemdelingen die een dergelijke aanvraag indienen/ingediend hebben en waarvan bijvoorbeeld om redenen van manifest bedrog of andere gronden genoemd in A6/5.3.3.1. aangenomen kan worden dat zij zich aan de eventuele uitzetting zullen gaan onttrekken. Ook kan het voorkomen dat een vreemdeling eerst nadat hij in bewaring gesteld is een asielaanvraag indient. In beide gevallen zal aan de hand van de bekend geworden feiten en omstandigheden voor de aanvraag bijvoorbeeld het nader gehoor, een concrete afweging gemaakt moeten worden met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag. Zolang de aanvraag nog niet in eerste aanleg is afgewezen, mag de inbewaringstelling van asielzoekers uitsluitend plaatsvinden en voortduren na vooraf overleg met de IND. Van dat overleg dient verslag te worden gelegd in de vreemdelingenadministratie.

2.5.2 In haar uitspraak van 22 augustus 2012 (zaak nr. 201203503/1, JV 2012/414) heeft de Afdeling overwogen:

“Anders dan voorheen door de Afdeling in onder meer de uitspraak van 21 januari 2008 in zaak nr. 200707652/1 (www.raadvanstate.nl) is overwogen, is de Afdeling thans van oordeel dat in geval van inbewaringstelling van een asielzoeker het dossier zowel uit een oogpunt van kenbaarheid als uit een oogpunt van toetsbaarheid stukken dient te bevatten die uitdrukkelijk blijk geven van de verrichte belangenafweging die volgens paragraaf A6/5.3.3.5 van de

Vc 2000 is vereist.

Om de praktijk de gelegenheid te geven zich op dit vereiste voor te bereiden, zal de Afdeling dit eerst toepassen in zaken waarin de maatregel van bewaring krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is opgelegd op of na 1 oktober 2012. ”

2.5.3 Vaststaat dat het dossier geen stukken bevat die uitdrukkelijk blijk geven van het overleg met de IND, noch van de verrichte belangenafweging die volgens paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vc 2000 is vereist. Voorts heeft verweerder ter zitting desgevraagd meegedeeld dat tot aan de mondelinge behandeling van het beroep van eiser geen overleg met de IND heeft plaatsgevonden omtrent het voortduren van de inbewaringstelling van eiser in relatie tot zijn asielaanvraag. Gelet hierop heeft verweerder bij het voortduren van de maatregel na 5 oktober 2012 gehandeld in strijd met voormeld beleid en niet gemotiveerd waarom hij, nadat eiser zijn wens heeft geuit een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, de met het voortduren van de maatregel gediende belangen zwaarder heeft laten wegen dan het belang van eiser.

2.5.4 Gelet op voormelde uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2012, is er naar het oordeel van de rechtbank geen plaats meer voor een nadere belangenafweging met betrekking tot de vraag of de aan eiser opgelegde maatregel, ondanks de ernst van vorenbedoeld gebrek en de daardoor geschonden belangen, desondanks behoort voort te duren.

2.6 Gelet op het voorgaande is het voortduren van de bewaring na 5 oktober 2012 bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd te achten.

2.5 Het beroep dient derhalve gegrond verklaard te worden.

2.6 Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, aan de vreemdeling een schadevergoeding toekennen.

2.6.1 Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om eiser een schadevergoeding toe te kennen van € 80,-- voor de dagen dat de maatregel in een huis van bewaring ten uitvoer is gelegd. Dit betekent dat eiser een schadevergoeding van € 400,-- toekomt.

2.7 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden;

- kent aan eiser een schadevergoeding toe van € 400,--;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,--,

te betalen aan de griffier van de rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, door storting

op bankrekeningnummer [nummer] ten name van Ministerie van Justitie

Zutphen (547), onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde

registratienummer.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.G.J. Welbergen. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature