< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Deelneming criminele organisatie, Medeplegen bewerken van hennep. Medeplegen van witwassen door wissen van drugsvaluta

Uitspraak



Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002497-10

Uitspraak d.d.: 18 september 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 2 juli 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1953],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van onderscheidenlijk 17 juni 2011, 19 oktober 2011, 13 januari 2012, 1 juni 2012, 22 juni 2012, 5 juli 2012 en 4 september 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsvrouw, mr A.W.T. Klappe, advocate te ‘s-Hertogenbosch, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1 primair:

zij in of omstreeks de periode van de maand januari 2009 tot en met 21 april 2009

te [plaats 1] en/of te [plaats 2] en/of te [plaats 3] en/of te [plaats 4] en/of te [plaats 5] en/of elders

in Nederland, althans in Nederland ,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen aan

de organisatie samen met [medeverdachte 1] (geboren [1979]) en/of [medeverdachte 3] en/of

[medeverdachte 2] (geboren [1964]) en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van het opzettelijk telen en/of bereiden

en/of het bewerken en/of verwerken en/of afleveren en/of vestrekken en/of verkopen

en/of vervoeren, althans het opzettelijk voorhanden hebben van grote hoeveelheden

hennep, althans het plegen van misdrijven in de zin van artikel 11 vijfde lid jo 3 van de

Opiumwet, in elk geval misdrijven als bedoeld in artikel 10 de rde, vierde, vijde lid,

0a eerste lid of 11, derde, vierde en vijfde lid Opiumwet, althans het plegen van (opiumwet)misdrijven;

1 subsidiair:

[medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 1] (geboren [1979]) en/of [medeverdachte 3] en/of

[medeverdachte 2] (geboren [1964]) en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of

[medeverdachte 6] tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in of omstreeks

de periode van de maand januari 2009 tot en met 21 april 2009 te [plaats 1] en/of te [plaats 2]

en/of te [plaats 3] en/of te [plaats 4] en/of te [plaats 5] en/of elders in Nederland, althans

in Nederland ,

opzettelijk hebben/heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot

oogmerk had het plegen van het opzettelijk bereiden en/of telen en/of bewerken

en/of verwerken en/of afleveren en/of verstrekken en/of verkopen en/of vervoeren,

althans het opzettelijk voorhanden hebben van grote hoeveelheden hennep, althans het

plegen van misdrijven in de zin van artikel 11 vijfde lid jo 3 van de Opiumwet , in elk

geval misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijde lid, 10 a eerste lid of

11, derde, vierde en vijfde lid Opiumwet, althans het plegen van (opiumwet) misdrijven

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van de maand januari 2009 tot en met 21 april 2009 te [plaats 1] en/of elders in Nederland, althans in

Nederland (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft

en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest door het meermalen, althans eenmaal

een locatie beschikbaar stellen ter verwerking van van geoogste hennep(toppen) en/of

het verzorgen van (een) maaltijd(en) ten behoeve van knippers en/of het zelf knippen

van geoogste hennep;

2 primair:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met

21 april 2009 te [plaats 1] en/of elders in Nederland, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of verkocht en/of vervoerd, grote hoeveelheden hennep,

althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval hoeveelheden/

een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel vermeld op de bij de opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a vijfde lid van die wet;

2 subsidiair:

[medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer anderen op een of

meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 21 april 2009

te [plaats 2] en/of te [plaats 8] en/of te [plaats 4] en/of te [plaats 1] en/of te [plaats 3] en/of te [plaats 5]

en/of elders in Nederland, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk hebben/heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt

en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk voorhanden

hebben/heeft gehad grote hoeveelheden hennep, althans een groot aantal hennepplanten

en/of delen daarvan, in elk geval hoeveelheden/een hoeveelheid van meer dan 30 gram

van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a vijfde lid van die

wet tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer

tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot en met 21 april 2009 te

[plaats 1], in elk geval in de gemeente [plaats 1] en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland,

(telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

(telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest door meermalen, althans eenmaal een locatie

te regelen voor de verwerking van geoogste (hennep)toppen en/of het regelen van

knippers ter verwerking van geoogste hennep(toppen)en/of het verzorgen van (een)

maaltijd(en) ten behoeve van knippers en/of het zelf knippen van geoogste hennep;

3.

zij op of omstreeks 11 maart 2008, te [plaats 9] en/of te [plaats 10] en/of te

[plaats 11] en/of te [plaats 12] en/of elders in Nederland, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een (aantal) voorwerp(en), te weten een totaal van ongeveer 20.000 Ierse Ponden, heeft

verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van

een (aantal) voorwerp(en), te weten een totaal van ongeveer 20.000 Ierse Ponden,

gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden

dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was

uit enig misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 is tenlastegelegd en verdachte zal veroordelen tot eenzelfde straf als aan verdachte in eerste aanleg is opgelegd.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs waaruit enige strafbare betrokkenheid van verdachte zou moeten blijken, voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Met betrekking tot feit 3 is de raadsvrouw van oordeel dat als een legale herkomst niet kan worden uitgesloten niet zonder meer mag worden aangenomen dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van misdrijf afkomstig is. De verdediging is van oordeel dat verdachte ook voor dit feit vrijgesproken dient te worden.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ten aanzien van feit 2:

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het navolgende, dat niet ter discussie heeft gestaan, deels in overeenstemming met de door de rechtbank gebezigde bewoordingen vastgesteld.

Op 8 april 2009 om ongeveer 15.40 uur controleert de politie een woning aan de [adres 1] te [plaats 3], gemeente [plaats 3]. Er worden in totaal 391 hennepplanten en 197 hennepstekken alsmede de daarbij gebruikelijke bedrijfsmiddelen in beslag genomen. Monsters van deze planten zijn getest en blijken een positieve reactie te vertonen voor hennep. De planten worden door de verbalisant ook herkend als hennepplanten. In de woning worden ook enkele peuken en bierflesjes aangetroffen,

veiliggesteld en bemonsterd.

Bij één van de veiliggestelde monsters van de peuken wordt het DNA-profiel van [medeverdachte 6] vastgesteld. De woning wordt van de gemeente [plaats 3] gehuurd door [bedrijf], gevestigd te [adres 2] [plaats 2], als tijdelijke woonruimte. [medeverdachte 5] is blijkens de huurovereenkomst enig bestuurder van deze vennootschap. De woning is vanaf 2 april 2008 voor onbepaalde tijd gehuurd en is bestemd voor tijdelijke woonruimte. Als telefoonnummer van [bedrijf] is vermeld: 06-[nummer]. De kosten van de illegaal afgenomen energie van Enexis, ten bedrage van € 3.750,70 zijn gefactureerd aan [medeverdachte 5].

Op 7 april 2009 voeren verbalisanten een stelselmatige observatie uit en zien daarbij het volgende:

- een Nissan Interstar met kenteken [kenteken] rijdt om 12.08 uur het perceel aan de [adres 1] te [plaats 3] op. [medeverdachte 3] en NN2-man stappen uit. Op het terrein staat eveneens een rode Volvo , type station met kenteken [kenteken] en een groene Volvo. Verbalisanten zien dat [medeverdachte 3], NN2, NN3 en NN4 uit de rode Volvo negen dozen pakken en deze in de Nissan zetten. Beide Volvo’s verlaten het terrein en maken een ritje naar het perceel aan [adres 2] te [plaats 2]. In één van de Volvo's zitten 4 personen. Om 13.28 uur wordt waargenomen dat de Volvo [kenteken] het perceel [adres 1] oprijdt, [medeverdachte 3], NN2 en NN3 stappen uit en lopen naar de woning.

- Later herkennen de verbalisanten de NN2man als [medeverdachte 2] (geboren op [1964]).

De Nissan Interstar met kenteken [kenteken] staat op naam van [medeverdachte 7]. De Volvo, type station, met kenteken [kenteken] staat op naam van [medeverdachte 5].

Onder de Nissan Interstar met kenteken [kenteken] is in de periode 27 februari 2009 tot en met 22 april 2009 plaatsbepalingapparatuur geplaatst. Uit de bakengegevens blijkt de Nissan Interstar op de volgende dagen op het adres [adres 1] te [plaats 3] stilgestaan te hebben op onderscheidenlijk dinsdag 17 maart 2009 van 07.48 uur tot 08.03 uur, maandag 23 maart 2009 van 22.12 uur tot 22.42 uur en dinsdag 7 april 2009 van 12.08 uur tot 13.31 uur. Op zaterdag 18 april 2009 is de Nissan Interstar op de Zuiderweg te [plaats 3] geweest. uur.

Tijdens het onderzoek is bij telefoongesprekken en opgenomen verklaringen veelal gebruik gemaakt van roep- of bijnamen.

- [medeverdachte 7] wordt genoemd: [medeverdachte 7] of [medeverdachte 7] of [medeverdachte 7] of [medeverdachte 7] of [medeverdachte 7];

- [medeverdachte 1] (geboren op [1979]) wordt genoemd: [medeverdachte 1] of [medeverdachte 1] of [medeverdachte 1];

- [medeverdachte 3] wordt genoemd: [medeverdachte 3] of [medeverdachte 3];

- [medeverdachte 8] wordt genoemd: [medeverdachte 8] of [medeverdachte 8] of [medeverdachte 8];

- [medeverdachte 2] (geboren op [1964]) wordt genoemd: [medeverdachte 2] of [medeverdachte 2] of [medeverdachte 2];

- [medeverdachte 5] wordt genoemd: [medeverdachte 5] of [medeverdachte 5].

Op 6 februari zijn diverse gesprekken afgeluisterd.

- Om 11.51 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 7]. [medeverdachte 3] zegt: “ik ben daar” en dan zegt [medeverdachte 7] even later “dan neem ze maar gewoon mee”. De telefoon van [medeverdachte 3] maakt dan gebruik van de zendmast aan de [adres 1] te [plaats 3].

- Om 12.03 uur ontvangt [medeverdachte 3] een sms-bericht van de telefoon 06-[nummer] in gebruik bij [medeverdachte 7] waarin [medeverdachte 7] vraagt: “ben je al bezig?” [medeverdachte 3] antwoordt om 12.04 uur met “ja”. Waarop [medeverdachte 7] een sms-bericht terug stuurt “ok ga ik die lip bele laat die [medeverdachte 5] het schoonmaken”. De telefoon van [medeverdachte 3] maakt dan nog steeds in gebruik van de zendmast aan de [adres 1].

- Om 12.11 uur stuurt [medeverdachte 7] een sms-bericht aan de telefoon 06-[nummer] in gebruik bij [medeverdachte 4] waarin hij vraagt “bel ff”. Vervolgens wordt [medeverdachte 7] gebeld door een onbekend nummer waarin [medeverdachte 7] zegt tegen [medeverdachte 4]: “dinge was er heen gegaan nou en die is ze er af aan het eh… takelen”. [medeverdachte 4] zegt hierop: “ja, waarom dan”. [medeverdachte 7] zegt: “Ja, die zal wel iets gezien hebben dat niet in orde was, als hun da zeg… eigenlijk was de planning een week later te doen.” [medeverdachte 4] zegt: “ja, ik ben er gisteren geweest man” en later in het gesprek zegt [medeverdachte 4]: “gisteren heb ik alles bekeken” [medeverdachte 7] zegt even later in het gesprek: “ja, eentje gewoon hij, hij is alleen bij die [medeverdachte 5] he. Dat andere was nog niet interessant zei hij dus, die was nog niet klaar”.

- Om 12.16 uur ontvangt [medeverdachte 3] een sms-bericht van de telefoon 06-[nummer] in gebruik bij [medeverdachte 7] met de tekst “Had die lip aan de lijn zei dat ie er gistere was geweest”. De telefoon van [medeverdachte 3] maakt dan nog steeds gebruik van de zendmast aan de [adres 1].

Op 7 februari 2009, om 01.02 uur stuurt [medeverdachte 7] een sms-bericht naar [medeverdachte 3] waarin hij vraagt “laat ff weten hoeveel het is”. [medeverdachte 3] antwoordt daarop om 01.41 uur “49200”.

Op 19 maart 2009 is in de schuur achter een woning gelegen aan het adres [adres 2] te [plaats 2] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 817 hennepplanten.

De woning was eigendom van [medeverdachte 5]. In april 2008 is met de opbouw begonnen van deze hennepkwekerij. In de periode van april 2008 tot 19 maart 2009 is er twee keer geoogst, te weten op 21 januari 2009 en op 16 februari 2009.

Gelet op de aangehaalde feiten met betrekking tot 6 en 16 februari 2009, is het hof van oordeel dat [medeverdachte 3] met anderen betrokken is bij de teelt van hennep en dat op 6 februari 2009 in [plaats 3] en op onderscheidenlijk 21 januari 2009 en 16 februari 2009 in [plaats 2] is geoogst.

Voorts is het hof op grond van het volgende van oordeel dat de hennepoogst van beide kwekerijen is geknipt in [bedrijf 1] Vof aan de [adres] is [plaats 1]. Het hof neemt daarbij in overweging:

- Verdachte is de moeder van mede-verdachte [medeverdachte 9]. Tevens heeft verdachte een bedrijf, genaamd “[bedrijf 1]”, gevestigd op de [adres] te [plaats 1]. Verdachte betwist niet dat het telefoonnummer 06-[nummer] haar mobiele nummer is.

- Uit het proces-verbaal van bevindingen van de doorzoeking van [bedrijf 1] aan de [adres] te [plaats 1] op 21 april 2009 blijkt dat tijdens de doorzoeking manden en scharen met hennepresten aangetroffen.

- Op maandag 19 januari 2009 belt [medeverdachte 9] met het telefoonnummer 06 [nummer] in gebruik bij verdachte c.q. bij [bedrijf 1] te [plaats 1]. [medeverdachte 9] vraagt of het woensdag kan. Verdachte vraagt daarop of het donderdag kan.

- Op woensdag 21 januari 2009 ontvangt [medeverdachte 7] om 11.29 uur een sms-bericht van [medeverdachte 9], inhoudende: “Nee schatje, ik kan echt niet weg met dat kleintje hoe graag ik ook wil x kook wel voor hun vandaag en dat breng in rond eten tijd daarheen”. Om 17.09 uur wordt [medeverdachte 9] gebeld door het telefoonnnummer 06 [nummer] in gebruik bij [bedrijf 1]. Verdachte vraagt aan [medeverdachte 9] of ze klaar is, [medeverdachte 9] zegt dat ze over een half uurtje komt. Uit de bakengegevens van de Mercedes S180 van [medeverdachte 9] blijkt dat zij op 21 januari 2009 omstreeks 17.48 uur vertrekt vanaf de [adres 3] in [plaats 1] en dat van 17.52 uur tot 18.37 uur de auto heeft stilgestaan op de [adres] te [plaats 1].

- Op 6 februari 2009 heeft [medeverdachte 3] veelvuldig sms-verkeer met het telefoonnummer 06-[nummer] in gebruik bij [bedrijf 1], [adres] in [plaats 1], waarin wordt gesms’t: “Oké”, “Ben er”, “Hoe laat ongeveer”, “uur”en ”Ben er”.

- Op 16 februari 2009 werd een statische observatie geplaatst op de [adres] te [plaats 1]. Zowel om 17.24 uur, 00.04 uur en 01.32 uur stond een witte Citroën Berlingo met het kenteken [kenteken] (na)bij de [adres].

- Op 16 februari is er tussen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] veelvuldig sms-verkeer. Deze berichten houden in: “En tis romel he”, “Ja, echt wel”, Kut werke is dat he”, Ja, echt wel”, Ja sorry schatje ik kan daar niks aan doen”, Ja maakt niet uit maar ze werke slecht de dames ha, ha”, Ja dus wordt een latertje voor jullie”, Denk ’t wel”, “Ja da denk ik ook wel schat maar ben je wel van de straat haha”, Ja”, Werk ze me knap blondje”.

- Op 17 februari 2009 heeft [medeverdachte 3] veelvuldig sms-verkeer met het telefoonnummer 06-[nummer] in gebruik bij [bedrijf 1], [adres] in [plaats 1], waarin wordt gesms’t: “Hoe laat word het”, “Uur anderhalf uur”, Als ik nu lang kom kan jullie [medeverdachte 9] dan straks nel weg brengen”, “Ja” en “Ben er”.

- Op 7 februari 2009 om 08.55 uur stuurt [medeverdachte 9] een sms-bericht naar de telefoon 06 [nummer] op naam van [betrokkene], [adres 4] te [plaats 1], waarin zij zegt “Dat ene wat ik je aanbood en je toen over twee weken weer moet hebben heb ik vandaag weer kun je t kwijt”. Om 09.28 antwoordt [betrokkene] met “Weet niet wat je bedoelt” en hierop antwoordt [medeverdachte 9] met “Afval”.

[betrokkene] is mede gehoord naar aanleiding van het sms-bericht van 7 februari 2009. Uit dat proces-verbaal blijkt dat [medeverdachte 9][betrokkene] vaker heeft gesmst omtrent “afval”. In één van de smsjes stelt [betrokkene]: “Ben daar mee gestopt, koste alleen maar geld”. [betrokkene] wilde/kon geen verklaring omtrent deze smsjes. Wel verklaarde hij regelmatig sms-berichtjes van [medeverdachte 9] te hebben ontvangen.

Met betrekking tot de Citroën Berlingo, kenteken [kenteken], staat vast dat deze auto op naam stond van [betrokkene 2] . Deze [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 7] of [medeverdachte 1] (1979) deze auto alleen op zijn naam heeft gezet en dat hij niet in de Berlingo mocht rijden. Deze “Caddy” is aangetroffen bij de kwekerijen in [plaats 2] en de kniplocatie aan de [adres]. Daarnaast is de Caddy op 16 februari 2009 waargenomen op de [adres]. Eveneens wordt in diverse tapgesprekken tussen verdachten onderling gesproken over zowel de Nissan (de bus) als de “Caddy” . Het is daarmee duidelijk dat de beide auto’s (Nissan en Berlingo) min of meer fungeerden als “bedrijfsauto”.

De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 9] en haar zus [zus ] heeft leren kennen via een vriendin en dat hij vaak bij de familie [familie] aan de [adres] binnenkwam. Deze getuige verklaarde dat hij wist dat de zusters [familie] hennep knipten en dat moeder [familie] (verdachte) hier ook aan meedeed. Hij verklaarde dat hij het nooit heeft gezien maar dat het hem wel opviel als ze binnenkwamen als hij er was. De dames wilden dan altijd meteen douchen omdat ze stonken naar de hennep.

Het hof kan niet uit andere bewijsmiddelen afleiden dat verdachte ook daadwerkelijk heeft geknipt. Nu verdachte meerdere malen [bedrijf 1] in [plaats 1] beschikbaar heeft gesteld voor het knippen van de hennepoogst van de organisatie rondom [medeverdachte 7], is het hof van oordeel dat verdachte in de tenlastegelegde periode medeplichtig is geweest aan het bewerken van hennep.

alsmede ten aanzien van feit 1, de criminele organisatie:

Om van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken is vereist dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk. Voor strafbare deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat er een organisatie bestaat en dat die organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Wetenschap van een of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd is niet vereist, als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Evenmin is vereist dat de betrokkene daadwerkelijk heeft deelgenomen aan (alle) gepleegde misdrijven, noch dat zij heeft samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie.

Op grond van na te noemen feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien wordt deze vraag bevestigend beantwoord. Naar het oordeel van het hof is er sprake van een georganiseerd verband tussen de verdachten [medeverdachte 7], [medeverdachte 2] (1964), [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 9]. Dit georganiseerd verband had tot oogmerk de teelt van en de handel in hennep. Verdachte is medeplichtig geweest bij het plegen van dit misdrijf.

Met betrekking tot de criminele organisatie overweegt het hof het navolgende:

Telefooncontacten

Bij de beantwoording van de vraag of in casu sprake is van een criminele organisatie is mede van belang dat vaststaat dat er intensieve contacten tussen de verdachten onderling hebben heeft plaatsgevonden. Tijdens observaties zijn diverse verdachten, alleen en/of samen gezien bij een of meer locaties van later ontmantelde hennepkwekerijen (dikwijls na telefonisch contact). Hiervan blijkt uit talloze telefoongesprekken en observaties.

In de ten laste gelegde periode is gebleken van veelvuldige telefooncontacten tussen verdachten onderling, waarvoor verwezen kan worden naar de bewijsvoering ter zake van de hennephokken [plaats 8], [plaats 2] en [plaats 3]. Het hof gaat ervan uit dat deze telefooncontacten onder andere betrekking hadden op afspraken over wie wanneer naar (één van) de kwekerijen ging, wanneer geoogst zou worden en het verwerken van de hennep. Deze interpretatie is gerechtvaardigd, nu vaststaat dat in genoemde telefooncontacten tussen verdachten onderling in versluierde taal werd gesproken. Zo werd er gesproken over “kleintjes” , “korte” , “gele” en “zakken” , hetgeen duidt op het leveren van hennepstekken en zakken grond. Verder wordt gesproken over “naar boven gaan” hetgeen duidt op het rijden naar de kwekerijen in [plaats 2] en [plaats 3]. Ten slotte wordt gesproken over “werken”, “kutwerk”, “beetje opruimen, rest is klaar” , hetgeen duidt op de verwerking van de hennep. De verdachten hebben geen, danwel geen geloofwaardige alternatieve verklaring gegeven voor dit taalgebruik.

Gelet op de hiervoor en hierna genoemde context duidt dit erop dat de verdachten onderling hun werkzaamheden op elkaar afstemden. Deze interpretatie wordt ondersteund door observaties, de ontmanteling van de diverse kwekerijen, verklaringen van de verdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] dat zij in samenwerking met andere verdachten hennepkwekerijen onderhielden in [plaats 2] en [plaats 3] . Aannemelijk is dat verdachten in de telefooncontacten willens en wetens in verhullende taal hebben gesproken om uit handen van politie en justitie te blijven en zo de criminele handel te kunnen voortzetten.

Verdachten wisselden ook regelmatig van telefoon en/of simkaart en maakten gebruik van verschillende telefoonnummers. Zo heeft [medeverdachte 6] verklaard dat hij van [medeverdachte 4] wel eens simkaarten of een telefoon kreeg om contact te houden. Hij kreeg de opdracht die simkaarten en telefoons periodiek weg te gooien en niet meer te gebruiken. Gebleken is verder dat onderling tevens afspraken werden gemaakt over het uitzetten van telefoons als er naar kwekerijen werd gereden en met welk telefoonnummer verdachten onderling contact zouden hebben.

Gebruik van auto’s

Vaststaat dat de Nissan Interstar, kenteken [kenteken], op naam stond van [medeverdachte 7] . Deze Nissan werd niet alleen door [medeverdachte 7] gebruikt, maar ook door [medeverdachte 3] en diverse anderen. Deze Nissan is voorts aangetroffen op de locaties van de kwekerijen in [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 1] .

Verder staat vast dat een Citroen Berlingo (verder: ‘Caddy’), kenteken [kenteken] op naam stond van [betrokkene 2] . Deze [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 7] of [medeverdachte 1] (1979) deze auto alleen op zijn naam heeft gezet en dat hij niet in de Berlingo mocht rijden. Dit is niet anders te duiden dan een zogenaamde “katvangersconstructie”, bedoeld om verdachten in voorkomende gevallen buiten beeld te houden. Deze “Caddy” is aangetroffen bij de kwekerijen in [plaats 2], [plaats 1] , de kniplocatie aan de [adres] (zie ook later), en bij een growshop in [plaats 12] en [plaats 13] . Eveneens wordt in diverse tapgesprekken tussen verdachten onderling gesproken over zowel de Nissan (de bus) als de “Caddy” . Het is daarmee duidelijk dat de beide auto’s (Nissan en Berlingo) min of meer fungeerden als “bedrijfsauto” en door alle “medewerkers” werden gebruikt voor de “bedrijfsactiviteiten”.

[medeverdachte 6] heeft voorts verklaard dat hij van [medeverdachte 3] een auto heeft gekregen, die ook op zijn naam werd gesteld. Met die auto kon [medeverdachte 6] naar de hennepkwekerij in [plaats 2] om daar de planten water te geven.

Afspraaklocatie

Door de verdachten, in het bijzonder de leden van de [familie 2]-familie, werden onderling veelvuldig telefonisch afspraken gemaakt om elkaar te treffen op het adres van de vader van o.a. [medeverdachte 7] aan de [adres 5] te [plaats 1], gelegen op het zogenaamde [adres 5] (ook wel: “[adres 5]” genaamd). Op diverse data worden op uiteenlopende tijden - zelfs midden in de nacht - op dit adres diverse voertuigen waargenomen. Verdachten onderling waarschuwden elkaar bovendien meermaals om niet naar het [adres 5] te komen. Uit deze bevindingen kan worden afgeleid dat verdachten dit adres gebruikten voor afspraken .

Kniplocatie/verwerken hennep

Op het adres [adres] te [plaats 1] bevindt zich naast de woning van verdachte ook de opslag van haar [bedrijf 1]. Op diverse momenten worden de door verdachten gebruikte auto’s op dit adres gesignaleerd. In tapgesprekken wordt voorts meermaals gesproken over (afrekenen met) de moeder van [medeverdachte 9], zijnde verdachte. Ook leggen leden van de organisatie meermalen telefonisch contact met de [adres]. Op 21 april 2009 worden in de betreffende opslag plantenresten met de geur van hennep aangetroffen, alsmede schaartjes en een afzuiginstallatie. Eveneens bevinden zich diverse taps in het dossier welke duiden op het regelen van knipsters door [medeverdachte 9]. Getuige [getuige] verklaart ten slotte dat zij bij [verdachte]en [medeverdachte 9] een hennepgeur heeft geroken en plantenresten in de kleding heeft gezien. Gelet op deze omstandigheden werd op genoemd adres de geoogste hennep aangevoerd en op die locatie werd geknipt/verwerkt.

Leden van het georganiseerd verband

Uit het voorgaande in onderlinge samenhang bezien kan worden afgeleid dat sprake is van een georganiseerd verband tussen [medeverdachte 7], [medeverdachte 2] (1964), [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6], [medeverdachte 9] en [verdachte].

[medeverdachte 7] vervulde binnen deze organisatie een beslissende, leidinggevende rol. [medeverdachte 4] regelde de panden en onderhield de directe contacten met de verzorgers van de diverse hennepkwekerijen. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] (1964) zorgde voor de opbouw en de verzorging van de diverse kwekerijen. De daadwerkelijke verzorging van de kwekerijen werd gedaan door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]. De verwerking van de hennep werd ten slotte verzorgd door onder meer [medeverdachte 9] en haar moeder [verdachte].

Duurzaamheid

Het georganiseerd verband was tevens duurzaam nu - in ieder geval - gedurende de tenlastegelegde periode diverse hennepkwekerijen werden onderhouden.

In april 2008 werd het pand [adres 2] te [plaats 2] verhuurd door [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 4]. Op 19 maart 2009 werd in de schuur achter dit pand een hennepkwekerij aangetroffen bestaande uit 817 hennepplanten. Het pand [adres 1] te [plaats 3] wordt vanaf 2 april 2008, in opdracht van [medeverdachte 3], door [medeverdachte 5] gehuurd. In dit pand wordt op 8 april 2009 een hennepkwekerij met 588 hennepplanten aangetroffen. Het pand [adres 6] in [plaats 8] is op 1 september 2008 door [medeverdachte 5], in opdracht van [medeverdachte 4], gehuurd. Op 10 november 2008 is in dit pand een hennepkwekerij ontmanteld met 1.130 hennepplanten.

Nu sprake was van een georganiseerd verband over een langere periode waarbij tussen verdachten onderling veelvuldig op professionele wijze gebruik werd gemaakt van telefoons, auto’s die - onder meer met gebruik van een katvanger - werden ingezet, een vaste afspraaklocatie en een vaste locatie voor het verwerken van de hennep is het hof van oordeel dat sprake is van een structurele en duurzame samenwerking tussen voornoemde personen gericht op - kort gezegd - de hennephandel en dat deze samenwerking professioneel van aard was.

Rol van verdachte

Het hof verwerpt, evenals de rechtbank, het standpunt van de verdediging dat slechts sprake is van speculaties omtrent de betrokkenheid van verdachte en dat om die reden verdachte dient te worden vrijgesproken. Gelet op het voorgaande staat vast dat in de opslag van [bedrijf 1] aan de [adres] hennep werd verwerkt en dat die opslagplaats - mede - toebehoorde aan verdachte. [medeverdachte 3] laat voorts meermalen, ook in de avond en nacht, aan de gebruiker van het telefoonnummer van de [adres] weten dat hij er is en belt dit ook door aan [medeverdachte 7]. Het hof acht het mede daardoor ongeloofwaardig dat verdachte niets wist van de (nachtelijke) activiteiten die bij de opslag, gelegen kort achter haar woning, plaatsvonden. Evenmin acht het hof het geloofwaardig dat verdachte niet degene is geweest die de telefonische contacten heeft onderhouden met leden van de organisatie en overweegt daartoe dat verdachte bij de politie aanvankelijk heeft verklaard dat zij de enige is die gebruik maakte van het mobiele toestel van de [adres] en dat zij deze verklaring eerst bij de rechter-commissaris bijstelt. Wie de litigieuze gesprekken dan wel heeft gevoerd, heeft verdachte niet verteld. Bovendien wordt in diverse telefonische contacten tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] (verdachtes dochter) concreet gesproken over verdachte. Zo zou verdachte niet kunnen werken, zou zij woensdag ook niet kunnen en gaat [medeverdachte 7] afrekenen met verdachte .

Zoals reeds eerder gesteld is er sprake van een criminele organisatie en uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte binnen deze organisatie het pand van [bedrijf 1] ter beschikking stelde voor de verwerking van hennepplanten, waarbij zij zelf ook de verwerking van de hennep heeft deelgenomen.

De rol van verdachte is binnen de organisatie echter slechts dusdanig ondersteunend van aard dat sprake is van medeplichtigheid aan de organisatie.

Ten aanzien van feit 3:

Onder dit feit is aan verdachte ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 11 maart 2009 te [plaats 10], [plaats 9], [plaats 11] en [plaats 12] tezamen en in vereniging in totaal 20.000 Ierse Ponden heeft omgewisseld en omgezet, terwijl zij wist dat die ponden van misdrijf afkomstig waren.

Algemeen

De rechtbank heeft in haar vonnis de hierna weer te geven bewijsmiddelen opgenomen. Het hof verwijst hierna naar deze bewijsmiddelen en maakt de opsomming ervan tot de zijne en neemt, voor zover in de opsomming van de bewijsmiddelen door de rechtbank conclusies zijn vermeld, die conclusies over als zijnde gegrond op de aan die conclusies ten grondslag liggende inhoud van de door het hof gecontroleerde bewijsmiddelen. Voor zover het hof de vaststelling van de feiten en de daaruit getrokken conclusies van de rechtbank niet overneemt, zal dit expliciet worden overwogen.

De overwegingen van de rechtbank:

De rechtbank heeft ten aanzien van het bewijs van dit feit het volgende overwogen (waarbij de voetnoten door het hof op een andere wijze worden weergegeven dan door de rechtbank is gedaan en waarbij het hof zonodig aanvullende voetnoten heeft toegevoegd):

“(…) Op 11 maart 2009 zijn volgens een transactiebon om 11.36 uur 5.000 Ierse ponden gewisseld in het Grenswisselkantoor te [plaats 11] tegen € 5.015. Om 11.43 uur stuurt [medeverdachte 9] een sms-bericht naar [medeverdachte 7] met de inhoud: “Een is er al klaar schat”. Uit positiegegevens van de tap blijkt dat haar telefoon omstreeks 11.35 uur in de nabijheid van het Stationsplein te [plaats 11] is. Om 11.49 uur stuurt [medeverdachte 9] een sms-bericht naar [medeverdachte 7], inhoudende: “Ja heb me moeder mee laten rijden die zit achter me”.

Op camerabeelden is te zien dat op 11 maart 2009 om 15.01 uur [verdachte] het Grenswisselkantoor te [plaats 10] binnenkomt en om 15.13 uur weer verlaat. Een transactiebewijs van het grenswisselkantoor vermeldt dat die dag om 15.05 uur een bedrag aan 5.000 Ierse ponden is gewisseld. Om 15.05 uur stuurt [medeverdachte 9] een sms-bericht naar [medeverdachte 7]. Haar locatie daarbij is het Stationsplein te [plaats 10]. Uit het eerder die dag, om 11.49 uur, verzonden sms-bericht kan worden afgeleid dat verdachte die dag met haar dochter [medeverdachte 9] op stap was.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat dit geld afkomstig was uit de verkoop van tweedehands meubels aan Ierse handelaren ergens vóór 2002. Zij heeft betwist dat zij daarbij handelde in opdracht van [medeverdachte 7] en zij heeft betwist dat het daarbij zou handelen om zwart geld. De rechtbank verwerpt dit verweer. Bij het onderzoek ter zitting heeft verdachte enkele bescheiden overgelegd, onder meer een kopie van een pagina uit het kasboek (het jaar is niet vermeld), waarin is opgenomen "6-11: partij meubelen ierland per chec 2.975." en "31-7 ierland per chec 3.190" alsmede een factuur d.d. 3 september 2004 betreffende een partij "second hand furniture" verkocht aan [bedrijf 2] in Ireland. De rechtbank wil best aannemen dat verdachte regelmatig meubels heeft verkocht aan Ierse afnemers, maar dat betekent nog niet per se dat het gewisselde geld daarvan afkomstig is. Daarbij wijst de rechtbank op het afgeluisterde gesprek in de woning [adres 7] te [plaats 1], tussen verdachte en haar dochter [medeverdachte 9] op 12 maart 2009, waarbij het klaarblijkelijk gaat over de geldwissel-transacties die zij en haar dochter in deze periode verrichten. Verdachte zegt in dat verband: “Je moet het niet iedere dag doen, anders vatten ze je. Af en toe moet je dat doen. … Ik wil dat best doen, maar niet iedere dag. Want vandaag of morgen vatten ze jou. Want er hangen overal camera's. en … in [plaats 11] keken ze het wel na. Eentje voelde schijnbaar iets aan. … Een paar weken tussen laten zitten”. Hieruit komt duidelijk een beeld naar boven dat verdachte en haar dochter beducht zijn om te worden opgemerkt of betrapt bij de wisseltransacties, hetgeen duidt op een heimelijke actie, iets dat het daglicht eigenlijk niet kan verdragen (…)”

Nadere overwegingen van het hof

Op grond van de inhoud van de hiervoor door de rechtbank aangehaalde bewijsmiddelen acht het hof, anders dan de rechtbank, bewezen dat verdachte in totaal 10.000 Ierse Ponden (5.000 in [plaats 11] en 5.000 in [plaats 10]) heeft omgewisseld samen met haar dochter [medeverdachte 9].

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord naar de herkomst van die Ierse Ponden en, indien moet worden aangenomen dat die herkomst van criminele aard is, wat de wetenschap bij verdachte daarvan is geweest.

Verdachte heeft aangevoerd dat de omgewisselde Ierse Ponden afkomstig waren uit reguliere transacties met Ierse klanten van de mede door verdachte geëxploiteer[bedrijf 1].

Het hof acht deze voorstelling van zaken volstrekt onaannemelijk en overweegt daartoe het volgende.

Op 10 maart 2009 worden er sms-berichten uitgewisseld, waarin [medeverdachte 7] er op aandringt bij haar, dat [medeverdachte 9] een vergoeding krijgt voor haar werkzaamheden:

- “Je kan zo lekker wat verdienen schatje tis wekelijks” (sms-bericht van [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 9] om 15.29 uur);

- “Ik doe normaal x jij helpt mij wel eens x en zo help ik jou” (sms-bericht van [medeverdachte 9] aan [medeverdachte 7] om 15.32 uur);

- “Nee want een ander moet ik ook betalen en doe dit voor jou dus niet zeuren en werken haha zei toch dat we same zouden gaan werken” (sms-bericht van [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 9] om 15.33 uur);

- “ha ha x ja had je beloofd maar daar bedoelde je dit niet mee” (sms-bericht van [medeverdachte 9] aan [medeverdachte 7] om 15.36 uur);

- “Dit hoor daar ook by schatje x en is nog maar het begin x” (sms-bericht van [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 9] om 15.36 uur).

Diezelfde dag kan het volgende worden vastgesteld.

Tijdens een observatie op 10 maart 2009 wordt gezien dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] elkaar om 14.09 uur ontmoeten op de parkeerplaats van de Gamma in [plaats 1], waarbij [medeverdachte 7] papieren in de hand heeft . Vervolgens wordt gezien dat [medeverdachte 9] naar [plaats 11] rijdt en daar op het Stationsplein parkeert. Zij gaat het Grenswisselkantoor binnen en gezien wordt om 14.52 uur dat zij vier pakken geld aan een medewerkster overhandigt en gehoord wordt dat zij zegt: "ik wil storten". Om 15.02 uur verlaat zij het gebouw. Een transactiebon van het Grenswisselkantoor te [plaats 11] vermeldt dat om 14.58 uur 6.000 Ierse ponden zijn gewisseld tegen € 6.075). Om 15.07 uur smst [medeverdachte 7] naar [medeverdachte 9]: “Ok neem tien mee als je naar [plaats 10] ga anders blyf je aan het ryen kan meteen door naar arnhem scheelt weer een rit schatje”.

Vervolgens wordt gezien dat [medeverdachte 9], na eerst in de [adres 7] te [plaats 1] te zijn geweest, om 16.02 uur het Grenswisselkantoor aan het Stationsplein te [plaats 10] binnen gaat. Enkele minuten later wordt gezien dat zij vijf stapels geld uit de tas haalt en deze, met een legitimatiebewijs, aan een medewerker overhandigt. Om 16.19 uur verlaat zij het gebouw. Een transactiebon van het Grenswisselkantoor [plaats 10] vermeldt dat die dag om 16.14 uur 5.000 Ierse ponden zijn gewisseld tegen € 5.075. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dat de die dag omgewisselde Ierse ponden afkomstig waren van [medeverdachte 7]. Voor een goed begrip wijst het hof er op dat bij voormelde wisseltransactie verdachte niet was betrokken. De passage wordt echter weergegeven om vast te stellen dat het aannemelijk is dat ook het op 11 maart 2009 door onder meer verdachte omgewisselde geld van [medeverdachte 7] afkomstig was.

De volgende dag, 11 maart 2009, gaan [medeverdachte 9] en verdachte samen op pad en worden er, zoals blijkt uit de door de rechtbank aangehaalde en hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, op meerdere locaties Ierse Ponden in euro’s omgewisseld. Het hof wijst in dit verband op de communicatie die die dag heeft plaats gevonden tussen onder meer [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] en verdachte. De inhoud van die communicatie, in relatie tot hetgeen eerder op 10 maart 2009 op het punt van het omwisselen van Ierse Ponden is geschied, leidt naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat ook de op 11 maart 2009 mede door verdachte omgewisselde Ierse Ponden van [medeverdachte 7] afkomstig waren. Daarbij betrekt het hof ook dat het naar zijn oordeel bij gebreke van enige redelijke verklaring niet aannemelijk is dat verdachte pas in maart 2009 uit meubeltransacties in 2004 verkregen Ierse Ponden gaat omwisselen. Verder betrekt het hof bij dit oordeel de inhoud van de op 12 maart 2009 tussen verdachte en [medeverdachte 9] gevoerde telefoongesprekken (waarover hierna meer). Die inhoud verdraagt zich niet met de stelling van verdachte dat het bij het omwisselen zou zijn gegaan om legaal met meubelhandel verkregen geld.

Nu vast staat dat de mede door verdachte omgewisselde Ierse Ponden afkomstig waren van [medeverdachte 7] is vervolgens de vraag of dat geld van misdrijf afkomstig was en of verdachte van die criminele herkomst wist. Het hof beantwoordt die vragen bevestigend. Hierbij is van belang dat het hof wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard dat verdachte medeplichtig is geweest aan het bewerken en verwerken van hennep en dat zij medeplichtig is geweest aan deelname aan een criminele organisatie, waarvan onder meer [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] deel uitmaakten, die zich bezig hield met grootschalige teelt van en handel in hennep. Met deze teelt en handel wordt, hetgeen een feit van algemene bekendheid is, veel geld verdiend en bij gebreke van een legale herkomst van de Ierse Ponden moet worden aangenomen dat die van de hennepteelt/-handel, maar in elk geval van enig misdrijf, afkomstig zijn. Dat het geld geen legale herkomst had en dat [medeverdachte 9] en [verdachte], die zich voor [medeverdachte 7] met het omwisselen van de Ierse Ponden bezig hielden, dat ook wisten, blijkt ook uit de inhoud van de tussen [medeverdachte 9] en [verdachte] op 12 maart 2009 om 07.40 en 08.46 uur gevoerde telefoongesprek , waarin, zakelijk weergegeven, dat het –naar het hof begrijpt: omwisselen- niet iedere dag moet, omdat ze anders worden “gevat” en “hangen” en dat men niet te vaak ergens kan omwisselen maar er een paar weken tussen moet laten zitten.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte deze uit misdrijf verkregen Ierse Ponden voorhanden gehad en omgezet en heeft zij zich daarmee schuldig gemaakt aan het witwassen van die Ierse Ponden.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

Vrijspraak

Gelet op het vorenoverwogene heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 subsidiair:

[medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] en

[medeverdachte 2] (geboren [1964]) en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en

[medeverdachte 6] tezamen en in vereniging met anderen, in

de periode van de maand januari 2009 tot en met 21 april 2009 te [plaats 1] en te [plaats 2]

en te [plaats 3],

opzettelijk hebben deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot

oogmerk had het plegen van het opzettelijk telen en/of bewerken

en/of verwerken van grote hoeveelheden hennep, bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van de maand januari 2009 tot en met 21 april 2009 te [plaats 1] telkens opzettelijk gelegenheid heeft verschaft

en opzettelijk behulpzaam is geweest door meermalen

een locatie beschikbaar stellen ter verwerking van geoogste hennep(toppen);

2 subsidiair:

[medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of anderen op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 21 april 2009

te [plaats 2] en/of te [plaats 3],

tezamen en in vereniging met anderen,

telkens opzettelijk hebben geteeld en bewerkt en/of verwerkt

grote hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a vijfde lid van die

wet bij het plegen van welke misdrijven verdachte op

tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 21 april 2009 te

[plaats 1], telkens opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door meermalen een locatie

te regelen voor de verwerking van geoogste (hennep)toppen;

3.

zij op 11 maart 2008, te [plaats 10],

tezamen en in vereniging met een ander,

een voorwerp, te weten Ierse Ponden, voorhanden heeft gehad en heeft omgezet,

terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; meermalen gepleegd;

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het

bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is gedurende een periode van ongeveer vier maanden medeplichtig geweest aan activiteiten van een criminele organisatie die zich bezig hield met de “exploitatie” van hennep. De “organisatie” die deze henneplocaties exploiteerde heeft verdachte benaderd om het pand van [bedrijf 1] beschikbaar te stellen voor het verrichten van werkzaamheden die bestonden aan het ver- en/of bewerken van de oogsten. In het pand van verdachte zijn ’s avonds/’s nachts de oogsten bewerkt. Daarnaast heeft zij ten behoeve van de organisatie gelden witgewassen door buitenlandse valuta in te wisselen bij het grenswisselkantoor.

Verdachte heeft de organisatie gefaciliteerd met hand- en spandiensten. Verdachte heeft met haar handelen bijgedragen tot de instandhouding van het illegale circuit betreffende de handel in softdrugs met alle daarbij komende maatschappelijke problemen. De opbrengsten van de softdrugs kwamen via witwaspraktijken weer terecht in het gewone betalingsverkeer. Deze vermenging van crimineel geld met legaal geld ontwricht het economische evenwicht in de samenleving.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie, betreffende verdachte, blijkt dat zij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken en haar rol in deze zaak zal het hof deze zaak afdoen met oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van de hierna aan te geven duur. Daarnaast zal het hof, zulks als waarschuwing aan verdachte om zich in de toekomst te onthouden van het plegen van strafbare feiten, een voorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 22c, 22d, 47, 48, 57, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet .

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 150 (éénhonderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr P.A.H. Lemaire, voorzitter,

mr P.R. Wery en mr J.I.M.W. Bartelds, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L. Gereke, griffier,

en op 18 september 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature