< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiseres om naturalisatie tot Nederlander. Tot de beslissing op bezwaar heeft eiseres geen bewijs overgelegd van haar stelling dat zij staatloos is. Eerst na zitting van de Rb. heeft eiseres een beslissing van de gemeente en uittreksel uit de GBA overgelegd, waaruit blijkt dat zij vanaf die datum in de GBA als staatloos is geregistreerd. Verweerder betoogt dat dit bewijs bij de aanvraag, doch in ieder geval in de bestuurlijke fase, had moeten worden ingebracht, zodat het thans in deze procedure niet meer van belang is. Eiseres kan, zo stelt verweerder, een nieuwe aanvraag indienen, waarbij met de registratie in de GBA rekening zal worden gehouden.

De Rb. oordeelt dat het bestuursrechtelijke bewijsrecht het mogelijk maakt in beroep nog nadere bewijzen in te brengen van eerder ingenomen standpunten. Het uittreksel uit de GBA is een dergelijk bewijs van het eerder ingenomen standpunt dat eiseres staatloos is. De omstandigheid dat het op de weg van eiseres ligt dit bewijs in te brengen, leidt er op zichzelf niet reeds toe dat eiseres niet voor het eerst in beroep met dit bewijs mag komen. De vraag wie wat moet bewijzen, heeft immers niet direct betrekking op wanneer dat bewijs moet worden geleverd. Een bepaling over wanneer welk bewijs moet worden ingebracht is noch in de RWN, noch in enige andere regelgeving ter zake opgenomen. Gelet op art. 4:2 lid 2 Awb en de goede procesorde ligt het in dit geval op de weg van eiseres om zoveel mogelijk bewijzen reeds in de bestuurlijke fase in te brengen, zodat zo volledig mogelijke besluitvorming kan plaatsvinden. Het kan derhalve onder omstandigheden rechtens niet mogelijk zijn om eerst in beroep met bewijzen te komen die eerder ook al hadden kunnen worden ingebracht. Echter, bij gebreke aan een wettelijke verplichting om bewijzen in de bestuurlijke fase in te brengen en in aanmerking genomen de opdracht aan de bestuursrechter om zaken meer finaal te beslechten en nieuwe besluitvorming ter zake te voorkomen, dient naar het oordeel van de Rb., ook bij dit soort zaken, uitgangspunt te zijn dat nader bewijs in beroep van eerder ingenomen stellingen bij de beoordeling van het beroep mag worden betrokken. Eerst indien het aanvoeren van bewijs in beroep strijdig is met de regels van de goede procesorde dient dit bewijs buiten beoordeling te blijven. In dit geval staat de goede procesorde er niet aan in de weg om de GBA-registratie bij de beoordeling van het beroep te betrekken.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/3746

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. C.T.G. van Schie,

tegen

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 3 augustus 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om naturalisatie tot Nederlander afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.

Tegen dit besluit op bezwaar is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 7 juni 2012. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. C.T.G. van Schie. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.W. van den Berg. Het onderzoek is aan het einde van de zitting gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek nadien heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op een brief van eiseres van 16 juli 2012, waaruit blijkt dat de gemeente [plaats] de nationaliteit van eiseres in de gemeentelijke basisadministratie heeft gewijzigd in staatloos. Bij brief van 30 juli 2012 heeft verweerder een reactie gegeven.

De rechtbank heeft, na daartoe toestemming van partijen te hebben verkregen, het onderzoek vervolgens op 28 augustus 2012 gesloten zonder een nadere zitting te houden.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat de nationaliteit van eiseres onvoldoende vast staat om voor naturalisatie in aanmerking te komen. Eiseres heeft immers geen geldig buitenlands paspoort overgelegd. Hetgeen in dit verband is aangevoerd en overgelegd is voorts onvoldoende om bewijsnood aan te nemen. Verweerder acht voorts niet aannemelijk dat eiseres staatloos is.

Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Voor zover nodig zal in het hierna volgende op haar stellingen worden ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), wordt voor de toepassing van deze wet onder staatloze verstaan een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de RWN wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk vier van deze wet, op voordracht van Onze Minister, het Nederlanderschap verleend aan vreemdelingen die daarom verzoeken.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de RWN kunnen bij en krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van deze wet.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a,b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: BvvN) verstrekt de verzoeker bij indiening van een naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen; geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland; en nationaliteit of nationaliteiten.

In het vijfde lid van dit artikel is onder meer bepaald dat de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, kan verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

In de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Handleiding) is, voor zover thans van belang, in de toelichting bij artikel 7 van die wet, in paragraaf 3.5.1, vermeld dat het verzoek om naturalisatie zoveel mogelijk moet worden ondersteund door (bewijs)stukken, waaronder een geldig nationaal paspoort, tenzij betrokkene als staatloos in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) is opgenomen.

In de Handleiding wordt voorts toegelicht dat, om te bepalen of een persoon staatloos is in de zin van de RWN, gekeken wordt naar de inschrijving in de GBA. Indien betrokkene in de GBA is ingeschreven als staatloze, is op zijn persoonslijst de categorie nationaliteit niet opgenomen en kan hij worden aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN.

Alhoewel in sommige stukken die bij het verzoek tot naturalisatie zijn gevoegd als nationaliteit Joegoslavische is opgegeven, volgt uit andere stukken dat eiseres niet geheel zeker is van haar nationaliteit. Zij stelt niet met zoveel woorden dat zij staatloos is, doch stelt wel dat zij geen paspoort kan krijgen omdat zij in Nederland is geboren en overigens geen registratie heeft in voormalig Joegoslavië. In bezwaar wordt met zoveel woorden gesteld dat eiseres staatloos is. Tot de beslissing op bezwaar heeft eiseres evenwel geen bewijs van haar stelling dat zij staatloos is, overgelegd. Eerst na de door de rechtbank gehouden zitting heeft eiseres ter onderbouwing van de stelling dat zij staatloos is, bij brief van 16 juli 2012, een beslissing van de gemeente [plaats] en uittreksel uit de GBA overgelegd, waaruit blijkt dat zij vanaf die datum in het GBA als staatloos is geregistreerd.

Verweerder betoogt dat dit bewijs bij de aanvraag doch in ieder geval in de bestuurlijke fase had moeten worden ingebracht, zodat het thans in deze procedure niet meer van belang is. Eiseres kan, zo stelt verweerder, een nieuwe aanvraag indienen, waarbij met de registratie in het GBA rekening zal worden gehouden.

De rechtbank is van oordeel dat het bestuursrechtelijke bewijsrecht het mogelijk maakt in beroep nog nadere bewijzen in te brengen van eerder ingenomen standpunten. Het uittreksel uit het GBA is een dergelijk bewijs van het eerder ingenomen standpunt dat eiseres staatloos is. De omstandigheid dat het op de weg van eiseres ligt dit bewijs in te brengen, leidt er op zichzelf niet reeds toe dat eiseres niet voor het eerst in beroep met dit bewijs mag komen. De vraag wie wat moet bewijzen, heeft immers niet direct betrekking op wanneer dat bewijs moet worden geleverd. Een in de RWN noch enige andere regelgeving ter zake opgenomen bepaling over wanneer welk bewijs moet worden ingebracht, ziet de rechtbank niet. Verweerder licht zijn betoog dat eiseres verplicht is een dergelijk bewijsmiddel bij de aanvraag, althans in de bestuurlijke fase, in te brengen, in zoverre ook niet nader toe.

Verweerder dient te worden toegegeven dat, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb en de goede procesorde, het op de weg van, in dit geval, eiseres ligt zoveel mogelijk alle bewijzen reeds in de bestuurlijke fase in te brengen, zodat zo volledig mogelijke besluitvorming kan plaatsvinden. Het kan derhalve onder omstandigheden rechtens niet mogelijk zijn om eerst in beroep met bewijzen te komen die eerder ook al hadden kunnen worden ingebracht. Echter, bij gebreke aan een wettelijke verplichting bewijzen in de bestuurlijke fase in te brengen en in aanmerking genomen de opdracht aan de bestuursrechter zaken meer finaal te beslechten en nieuwe besluitvorming ter zake te voorkomen, dient naar het oordeel van de rechtbank, ook bij dit soort zaken, uitgangspunt te zijn dat nader in beroep bijgebracht bewijs van eerder ingenomen stellingen bij de beoordeling daarvan mag worden betrokken. Eerst indien het bijbrengen van bewijs in beroep strijdig is met de regels van de goede procesorde dient dit bewijs buiten beoordeling te blijven. Nu de goede procesorde in dit geval niet in de weg staat aan het bij het beroep betrekken van de GBA-registratie, mede nu partijen voldoende in de gelegenheid zijn gesteld ter zake te reageren en deze registratie eerst na het bestreden besluit heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank deze registratie bij de beoordeling van het beroep betrekken. Het was aldus aan verweerder, in aanmerking genomen dat uit de Handleiding volgt dat registratie in het GBA als staatloze ertoe leidt dat geen buitenlands paspoort wordt gevergd, nader op deze registratie te reageren. Dat heeft verweerder niet gedaan.

De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb . Gelet op het standpunt van verweerder dat het bewijs tardief is, ziet de rechtbank geen aanleiding een tussenuitspraak te doen, teneinde verweerder de gelegenheid te geven het gebrek te herstellen. Verweerder heeft in de brief van 30 juli 2012 immers duidelijk gemaakt niet inhoudelijk op de registratie in het GBA te willen reageren. Nu de rechtbank verder over onvoldoende gegevens beschikt om zelf te voorzien in de zaak, zal de rechtbank verweerder daarom opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, omdat eiseres eerst in beroep met het betrokken bewijs van staatloosheid is gekomen.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb , tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het bestreden besluit;

III. bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 152 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb , binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature