< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Beëindiging ZW-uitkering. Met de rechtbank acht de Raad met name van belang de bevindingen bij eigen onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts en de informatie van de orthopeed en de neuroloog. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die haar stelling ondersteunt dat de artsen van het Uwv haar beperkingen hebben onderschat en dat zij niet in staat kan worden geacht om haar eigen werk te verrichten. Ten aanzien van appellantes stellingen met betrekking tot het verzekeringsgeneeskundig protocol whiplash associated disorder verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 13 mei 2009, LJN BI3737, waarin hij heeft geoordeeld dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen niet van toepassing zijn bij een beoordeling in het kader van de ZW. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Uitspraak



10/5526 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 september 2010, 09/9139 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 3 oktober 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk op basis van een jaarcontract voor 40 uur per week werkzaam als secretaresse, is op 9 februari 2009 uitgevallen met nek-, rug- en hoofdpijnklachten als gevolg van een auto-ongeval op 6 februari 2009. Na afloop van haar contract is aan appellante per 1 juli 2009 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 9 september 2009 is appellante door verzekeringsarts E. von Bóné op het spreekuur onderzocht. Op basis van anamnese, bevindingen uit lichamelijk onderzoek en informatie van appellantes fysiotherapeut is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellante weer volledig geschikt is voor haar eigen werk als secretaresse. Bij besluit van 9 september 2009 is appellantes ZW-uitkering met ingang van 10 september 2009 beëindigd.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 november 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 13 november 2009 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts een normale beweeglijkheid van nek en schouders heeft vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht, appellante onderzocht en informatie gekregen vanuit de behandelend sector. Gebleken is dat door de orthopeed en de neuroloog geen objectiveerbare posttraumatische afwijkingen konden worden aangetoond. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat geen sprake is van objectiveerbare medische beperkingen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien deze conclusie voor onjuist te houden. Bij gebrek aan objectiveerbare beperkingen moet het ervoor gehouden worden dat appellante met ingang van 10 september 2009 in staat moet worden geacht haar arbeid als secretaresse te verrichten.

3. In hoger beroep betwist appellante de juistheid van het oordeel van de rechtbank. Appellante voert aan dat haar klachten wel degelijk medisch worden verklaard door haar behandelaars. Zij is van mening dat uit de medische informatie blijkt dat de klachten en beperkingen die zij ondervindt het gevolg zijn van een whiplash associated disorder II. Uit het verzekeringsgeneeskundig protocol whiplash associated disorder volgt dat ondanks het ontbreken van een direct medisch aanwijsbare oorzaak de klachten en beperkingen die appellante ondervindt toegerekend kunnen worden aan het whiplashtrauma. Door het protocol te negeren als niet toepasbaar in ZW-zaken miskent het Uwv dat de beoordeling en objectivering van klachten voor de ZW niet anders is dan voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Naar de Raad bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met ingang van 10 september 2009 in staat moet worden geacht om haar arbeid als secretaresse te verrichten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Met de rechtbank acht de Raad daarbij met name van belang de bevindingen bij eigen onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts en de informatie van de orthopeed en de neuroloog. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die haar stelling ondersteunt dat de artsen van het Uwv haar beperkingen hebben onderschat en dat zij niet in staat kan worden geacht om haar eigen werk te verrichten.

4.4. Ten aanzien van appellantes stellingen met betrekking tot het verzekeringsgeneeskundig protocol whiplash associated disorder verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 13 mei 2009, LJN BI3737, waarin hij heeft geoordeeld dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen niet van toepassing zijn bij een beoordeling in het kader van de ZW.

4.5. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellante met ingang van 10 september 2009 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

5. Uit hetgeen in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

6. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

7. Er is evenmin aanleiding voor toekenning van een schadevergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

-bevestigt de aangevallen uitspraak;

-wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans

GdJ


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature