< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing verzoek om handhavend tegen de lichtinstallatie van tennisvereniging op te treden. Als bouwen van beperkte betekenis werd in het Bblb onder meer aangemerkt de in art. 3, lid 1, onder k, vermelde categorie van gevallen van aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk. Deze regeling is onder de Wabo en het Bor gewijzigd voortgezet in art. 3, lid 1, aanhef en onder 8, van bijlage II bij het Bor. De Rb. heeft terecht overwogen dat voor het vernieuwen van de lampen ingevolge art. 3, aanhef en onder 8, gelezen in verbinding met art. 5 van bijlage II bij het Bor, geen omgevingsvergunning was vereist. De verandering betreft de vervanging van de bestaande lampen door gelijksoortige lampen, waarbij deze in de nieuwe situatie naast elkaar aan een dwarsbalk worden bevestigd, terwijl voorheen twee lampen naast elkaar en een erboven aan de dwarsbalk waren bevestigd. Hierdoor wordt de bestaande dragende constructie van het bouwwerk niet gewijzigd. Art.5, lid 2 van bijlage II bij het Bor maakt dat niet anders, nu voor het oprichten van de lichtmasten bouwvergunning is verleend.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



201113451/1/A1.

Datum uitspraak: 3 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Amersfoort,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 november 2011 in zaak nr. 10/4291 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft het college een verzoek van [appellanten] om handhavend tegen de lichtinstallatie van Tennisvereniging 't Stort (hierna: de vereniging) op te treden afgewezen.

Bij besluit van 29 november 2010 heeft het het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 7 november 2011 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2012, waar [een van de appellanten] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. Maaijen, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar de vereniging, vertegenwoordigd door drs. L.J.B. Arens, gehoord.

Overwegingen

1. Op het terrein van de vereniging zijn vier lichtmasten met een hoogte van 20 m aanwezig. In april 2010 heeft zij aan de bestaande lichtmasten twaalf nieuwe schakelsets, armaturen, lampen en een tijdschakelaar toegevoegd.

2. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat voor het vernieuwen van de lichtmasten onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) omgevingsvergunning vereist was. Volgens hen heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de draagconstructie van de lichtmasten niet is veranderd, nu de dwarsbalken in de lichtmasten zijn vervangen en deze een dragende functie hebben voor de armaturen. Verder heeft zij miskend dat de nieuwe lichtinstallatie niet aan het geldende bestemmingsplan "Leusderkwartier 2008" voldoet, volgens hetwelk de lichtmasten maximaal 15 m hoog mogen zijn. Ook valt de nieuwe verlichting niet onder de bestaande bouwvergunning, omdat die betrekking heeft op lichtmasten met aan twee zijden een lamp en een lamp erboven, terwijl nu drie lampen naast elkaar zijn aangebracht. Voorts heeft de rechtbank miskend dat het college ingevolge het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb) gehouden was om handhavend op te treden, nu de verandering van de lichtmasten geen verandering van "niet-ingrijpende aard" is. Tot slot betogen [appellanten] dat de rechtbank heeft miskend dat zij ter plaatse van hun woning lichthinder ondervinden van de lichtinstallatie.

2.1. Op 1 oktober 2010 zijn de Wabo en het Bor in werking getreden. Ingevolge artikel 1.6, eerste lid, van de Invoeringswet Wabo , voor zover thans van belang, blijft, indien voor het tijdstip waarop de Wabo in werking treedt met betrekking tot een activiteit als bedoeld in die wet een beschikking tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom is gegeven, het onmiddellijk voor dat tijdstip ten aanzien van een zodanige beschikking geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt.

De rechtbank heeft deze bepaling terecht op gelijke wijze van toepassing geacht op een besluit tot het toepassen van handhavingsmaatregelen en een tot het afwijzen van een daartoe strekkend verzoek. Nu het besluit van 2 augustus 2010 vóór 1 oktober 2010 is genomen, heeft de rechtbank derhalve terecht het recht, zoals dit gold, voordat de Wabo in werking trad, op de zaak van toepassing geacht.

2.2. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat, indien ingevolge het toepasselijke recht zou worden geconcludeerd tot vernietiging van het besluit op bezwaar van 29 november 2010, bij een nieuwe heroverweging in bezwaar het op dat moment geldende recht, te weten de Wabo en het Bor, moest worden toegepast en dat, indien voor de activiteit ingevolge de Wabo en het Bor geen omgevingsvergunning vereist was, het college bij heroverweging in bezwaar van handhavend optreden diende af te zien.

2.3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten, als bedoeld in het eerste lid, in daarbij aangegeven categorieën van gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van het Bor is geen omgevingsvergunning vereist voor de categorie ën van gevallen in artikel 3, gelezen in verbinding met artikel 5 van bijlage II.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder 8, van die bijlage II is een omgevingsvergunning voor een activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo , niet vereist, indien deze betrekking heeft op een verandering van een bouwwerk, mits aan de volgende eisen wordt voldaan:

a. geen verandering van de draagconstructie;

b. geen verandering van de brandcompartimentering of subbrandcompartimentering;

c. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en

d. geen uitbreiding van het bouwvolume.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, zijn de artikelen 2 en 3 niet van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een bouwwerk dat in strijd met artikel 2.1 van de wet is gebouwd of wordt gebruikt.

2.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor het vernieuwen van de lampen in de lichtmasten ingevolge het geldende recht van de Wabo en het Bor geen omgevingsvergunning vereist was.

Als bouwen van beperkte betekenis werd in het Bblb onder meer aangemerkt de in artikel 3, eerste lid, onder k, vermelde categorie van gevallen van aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk. Deze regeling is onder de Wabo en het Bor gewijzigd voortgezet in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder 8, van bijlage II bij het Bor. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor het vernieuwen van de lampen ingevolge artikel 3, aanhef en onder 8, gelezen in verbinding met artikel 5 van bijlage II bij het Bor, geen omgevingsvergunning was vereist. De verandering betreft de vervanging van de bestaande lampen door gelijksoortige lampen, waarbij deze in de nieuwe situatie naast elkaar aan een dwarsbalk worden bevestigd, terwijl voorheen twee lampen naast elkaar en een erboven aan de dwarsbalk waren bevestigd. Hierdoor wordt de bestaande dragende constructie van het bouwwerk niet gewijzigd. Artikel 5, tweede lid, van bijlage II bij het Bor maakt dat niet anders, nu voor het oprichten van de lichtmasten bouwvergunning is verleend.

2.5. Voor zover [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de hoogte van de aanwezige lichtmasten niet in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, geldt dat voor het oprichten ervan bij besluit van 24 maart 1980 bouwvergunning is verleend. Thans dient derhalve te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de opgerichte lichtmasten. Daarom kan de vraag of het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van [appellanten] door lichthinder wordt aangetast en of het college de desbetreffende belangen op juiste wijze heeft afgewogen, in de onderhavige procedure niet aan de orde komen.

2.6. De rechtbank heeft, gelet op het vorenstaande, terecht geoordeeld dat voor het vernieuwen van de lichtinstallatie geen omgevingsvergunning vereist is. Zij heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellanten] daarbij geen belang hebben.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2012

531-651.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature