< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Aangezien de minister zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek, voor zover de vreemdeling daarin verzoekt niet te worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, komt het in zoverre reeds daarom voor toewijzing in aanmerking. Daarmee staat tevens vast dat de vreemdeling behoort tot de categorie asielzoekers aan wie het COa ingevolge art. 3 van de Rva opvang biedt.

Met het beginsel van loyale samenwerking, neergelegd in art. 4, lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, is slecht verenigbaar dat de minister een vreemdeling die, zoals in dit geval, krachtens rechterlijke uitspraak aanspraak heeft op opvang en verstrekkingen en wiens hoger beroep door de Afdeling is aangehouden in afwachting van de uitkomst van een prejudiciële procedure, naar het COa verwijst teneinde zodanige aanspraak nogmaals te laten vaststellen, eventueel uitmondend in een afzonderlijke rechterlijke procedure. Dit klemt te meer nu, zoals volgt uit hetgeen onder 2.1 en 2.3 is overwogen, na toewijzing van het verzoek voor een nadere beoordeling door het COa van het bestaan van deze aanspraak voor de in art. 3, lid 3, aanhef en onder a, van de Rva bedoelde categorie vreemdelingen geen plaats is. De door de minister voorgestane handelwijze ligt bovendien niet in de rede vanuit een oogpunt van efficiënte inzet van schaarse rechterlijke capaciteit.

Nu de Afdeling het hoger beroep van de vreemdeling heeft aangehouden in afwachting van voormelde prejudiciële procedure en deze middels onderhavig verzoek te kennen heeft gegeven voor opvang en verstrekkingen in aanmerking te willen komen, is het derhalve aan de minister te bewerkstelligen dat het COa de opvang en verstrekkingen feitelijk ook biedt, in het uiterste geval middels het geven van een daartoe strekkende aanwijzing.

Uitspraak



201203976/2/V2.

Datum uitspraak: 21 september 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

(de vreemdeling),

verzoeker,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 10 april 2012 in zaak nrs. 12/7178 en 12/7177 in het geding tussen:

(de vreemdeling)

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 29 februari 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 10 april 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door de vreemdeling daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 september 2012, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.T. Gerbrandy, advocaat te Leeuwarden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R. Jonkman, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 11 juli 2012 heeft de Afdeling de vreemdeling meegedeeld dat zij het door hem ingestelde hoger beroep zal aanhouden in afwachting van beantwoording door het Hof van Justitie van de door de Afdeling bij uitspraken van 18 april 2012 in onder meer zaak nr. 201106615/1/T1/V2 (www.raadvanstate.nl) gestelde prejudiciële vragen.

2. De vreemdeling heeft de voorzitter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij gedurende die periode aanspraak heeft op opvang en verstrekkingen, voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COa).

2.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorie ën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva), gelezen in samenhang met het tweede lid van dit artikel, biedt het Centraal Orgaan opvan g asielzoekers (hierna: het COa) opvang aan de vreemdeling wiens asielaanvraag binnen de procedure op het Aanmeldcentrum is afgewezen en ten aanzien van wie een daartoe strekkend en tijdig ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening om de behandeling van het beroep- en hogerberoepschrift in Nederland te mogen afwachten is toegewezen. Uit de toelichting op deze bepaling volgt dat recht op opvang bestaat zodra het verzoek is toegewezen (Strct. 2005, nr. 24).

Hieruit vloeit voort dat na toewijzing van het verzoek voor een beoordeling door het COa of het verzoek al dan niet tijdig is ingediend geen plaats meer is.

2.2. Bij brief van 22 augustus 2012 heeft de minister de voorzitter meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek, voor zover de vreemdeling verzoekt te bepalen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. Wat betreft het verzoek om te worden toegelaten tot de opvang, stelt de minister zich op het standpunt dat dit niet met het verzoek kan worden bewerkstelligd en dat de vreemdeling zich hiervoor dient te richten tot het COa.

2.3. Aangezien de minister zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek, voor zover de vreemdeling daarin verzoekt niet te worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, komt het in zoverre reeds daarom voor toewijzing in aanmerking. Daarmee staat tevens vast dat de vreemdeling behoort tot de categorie asielzoekers aan wie het COa ingevolge artikel 3 van de Rva opvan g biedt.

2.4. Met het beginsel van loyale samenwerking, neergelegd in artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie , is slecht verenigbaar dat de minister een vreemdeling die, zoals in dit geval, krachtens rechterlijke uitspraak aanspraak heeft op opvang en verstrekkingen en wiens hoger beroep door de Afdeling is aangehouden in afwachting van de uitkomst van een prejudiciële procedure, naar het COa verwijst teneinde zodanige aanspraak nogmaals te laten vaststellen, eventueel uitmondend in een afzonderlijke rechterlijke procedure. Dit klemt te meer nu, zoals volgt uit hetgeen onder 2.1 en 2.3 is overwogen, na toewijzing van het verzoek voor een nadere beoordeling door het COa van het bestaan van deze aanspraak voor de in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Rva bedoelde categorie vreemdelingen geen plaats is. De door de minister voorgestane handelwijze ligt bovendien niet in de rede vanuit een oogpunt van efficiënte inzet van schaarse rechterlijke capaciteit.

2.5. Nu de Afdeling het hoger beroep van de vreemdeling heeft aangehouden in afwachting van voormelde prejudiciële procedure en deze middels onderhavig verzoek te kennen heeft gegeven voor opvang en verstrekkingen in aanmerking te willen komen, is het derhalve aan de minister te bewerkstelligen dat het COa de opvang en verstrekkingen feitelijk ook biedt, in het uiterste geval middels het geven van een daartoe strekkende aanwijzing.

3. Het verzoek wordt toegewezen.

4. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist;

II. gelast dat de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel bewerkstelligt dat de vreemdeling gedurende die periode door het COa opvang en verstrekkingen wordt geboden;

III. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter w.g. Van Loon

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2012

284.

Verzonden: 21 september 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature