< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Verordeningen handel groenten en fruit 2006 en 2007;

samenvoegen opbrengsten heffingsverordeningen

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/649 12 september 2012

4288 Heffingen handel groenten en fruit

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, en anderen, appellanten,

gemachtigde: mr. G.P. van Malkenhorst, werkzaam bij Bakkerberaad te Utrecht,

tegen

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigden: mr. C.J.A. Groenewoud, werkzaam bij verweerder en mr. R.J.M. van den Tweel, advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 15 augustus 2011, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 juli 2011.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op bezwaren van appellanten tegen heffingen die hen in verband met de handel in groenten en/of fruit zijn opgelegd over 2006 en 2007.

Bij brief van 13 september 2011 hebben appellanten de gronden aangevuld. Bij brief van 10 november 2011 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben de gronden toegelicht en verweerder heeft nadere stukken overgelegd.

Op 15 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 De Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit (hierna: Verordening algemene heffing handel) 2006 bepaalt, voor zover van belang:

?Artikel 2

1. De ondernemer is jaarlijks aan het Productschap Tuinbouw een heffing verschuldigd ten behoeve van de algemene kosten van het Productschap Tuinbouw.

(…)

Artikel 3

1. De heffing die de ondernemer is verschuldigd, wordt opgelegd naar de grondslag aankoopwaarde handel over het kalenderjaar 2006.?

De Verordening PT algemene heffing handel 2007 bevat gelijkluidende bepalingen, met dien verstande dat deze Verordening betrekking heeft op het kalenderjaar 2007.

De Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit (hierna: Verordening bestemmingsheffing handel) 2006 bepaalt, voor zover van belang:

?Artikel 2

1. De ondernemer is jaarlijks aan het Productschap Tuinbouw een heffing verschuldigd ten behoeve van aangelegenheden als milieuprojecten, kwaliteitscontrole, onderzoek en afzetbevordering.

(…)

Artikel 3

1. De heffing die de ondernemer is verschuldigd, wordt opgelegd naar de grondslag aankoopwaarde handel over het kalenderjaar 2006.?

De Verordening PT bestemmingsheffing handel 2007 bevat gelijkluidende bepalingen, met dien verstande dat deze Verordening betrekking heeft op het kalenderjaar 2007.

2.2 Bij nota’s van verschillende data zijn aan appellanten heffingen opgelegd voor de jaren 2006 en 2007, op grond van de Verordening algemene heffing handel en Verordening bestemmingsheffing handel van het betreffende jaar. Appellanten hebben tegen voormelde heffingsnota’s tijdig bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

2.3 Appellanten hebben in de eerste plaats, net als in een aantal soortgelijke beroepszaken, betoogd dat de verplichte aansluiting van hun bedrijf bij het Productschap zich niet verdraagt met artikel 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Deze beroepsgrond treft geen doel. Voor de motivering van dit oordeel verwijst het College naar overweging 5.1 in de uitspraak van 30 juni 2010, in de zaak AWB 09/590 (LJN: BN0939).

2.4 Appellanten betogen dat via de Verordening bestemmingsheffing handel diverse bestemmingsheffingen worden opgelegd. Nu een tarief voor de diverse afzonderlijke bestemmingsheffingen ontbreekt in deze Verordening is de Verordening onverbindend. Er is maar één tarief vastgesteld in de Verordening. In een later stadium worden wel afzonderlijke tarieven vastgesteld, namelijk op het moment dat het bestuur besluit om delen van de gezamenlijke opbrengst aan te wenden voor de betreffende bestemmingen.

2.5 Het College begrijpt het betoog van appellanten zo dat zij van mening zijn dat de verschillende activiteiten die worden gefinancierd met de onderhavige heffing moeten worden aangemerkt als afzonderlijke bestemmingen waarvoor aparte tarieven moeten worden vastgesteld. Hieromtrent overweegt het College als volgt.

In de Verordening bestemmingsheffing handel wordt een heffing vastgesteld - zo blijkt uit de toelichting op de verordening - met het oog op een algemene doelstelling, te weten het vergroten van de afzet van groenten en fruit. Teneinde die doelstelling te bereiken worden verschillende activiteiten verricht. Tezamen vormen deze doelstelling en de activiteiten de bestemming van deze heffing. Anders dan appellanten veronderstellen, zijn die verschillende activiteiten dus niet aan te merken als afzonderlijke bestemmingen. Dat de gelden later worden geoormerkt, brengt daarin geen verandering. Artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: Wbo) brengt niet met zich dat voor al die activiteiten aparte heffingstarieven moeten worden vastgesteld en goedgekeurd. Deze beroepsgrond treft dan ook geen doel.

2.6 Appellanten betogen voorts dat de opbrengst van de bestemmingsheffing handel en de algemene heffing handel wordt samengevoegd met de opbrengst van andere heffingen in de sector Groenten en Fruit en dat deze opbrengst vervolgens op niet-inzichtelijke wijze wordt verdeeld over een aantal fondsen. Daardoor is niet te bepalen waarvoor de opbrengst van de algemene heffing precies wordt aangewend. Dit betekent dat niet kan worden uitgesloten dat een deel van de opbrengst van de algemene heffing toch wordt aangewend ten behoeve van doeleinden die dienen te worden bekostigd uit de opbrengst van bestemmingsheffingen. Dit leidt er toe dat de Verordening algemene heffing handel, die uitsluitend is goedgekeurd door de SER, om die reden onverbindend is.

2.7 Verweerder heeft in reactie op de stelling van appellanten en met verwijzing naar de onderbouwing die is gegeven in andere procedures - zaken waarin het College op 6 juli 2012 uitspraak heeft gedaan, onder meer AWB 10/449, LJN: BX4927) - een toelichting gegeven op de toedeling van de opbrengst van de verschillende heffingen in de sector Groenten en Fruit. Ten behoeve van de inning en aanwending van de opbrengsten van heffingen in de sector Groenten en Fruit is een Financieringsfonds Groenten en Fruit ingesteld. Dit fonds bestaat uit een 5-tal subfondsen die alle worden gevoed met de opbrengsten van in totaal acht heffingsverordeningen, waaronder de algemene heffing op grond van de Verordening heffing handel, en diverse bestemmingsheffingen. De opbrengst van de Verordening algemene heffing handel is in zijn geheel toegevoegd aan het (sub)fonds Financieringsfonds groenten en Fruit algemeen.

De algemene heffing is verschuldigd ten behoeve van de algemene kosten van het Productschap. Hoewel sommige bestemmingsheffingen, zoals de heffing op grond van de Verordening heffing teelt, als bestemming mede noemen “algemene kosten van het Productschap” gaat het hier niet om (algemene) organisatiekosten. Deze specifieke opbrengst komt ten goede aan zogenaamde ketenprojecten, zijnde activiteiten die ten goede komen aan alle schakels in de keten, derhalve de teelt, handel en ver- of bewerkingsindustrie.

In het Financieel jaarverslag zijn verder alle uitgaven verantwoord die met de heffingsopbrengsten zijn gefinancierd. Daaruit blijkt dat de organisatiekosten die samenhangen met het Financieringsfonds Groenten en Fruit algemeen volledig zijn gefinancierd met de opbrengst van de algemene handelsheffing. Omdat de opbrengst van de Verordening algemene heffing handel soms hoger is dan begroot, als gevolg van hogere omzetten in de sector en lager dan verwachte organisatiekosten, kan er een overschot ontstaan. Dat overschot wordt echter niet aangewend ten behoeve van bijzondere bestemmingen die ook uit het Financieringsfonds Groenten en Fruit algemeen worden gefinancierd. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit wel zou zijn geschied, aangezien, zoals uit het jaarverslag blijkt, de opbrengsten van de bestemmingsheffingen meer dan toereikend waren voor de bekostiging van bijzondere bestemmingen. Het was dus niet nodig om daarvoor het overschot van de algemene handelsheffing te benutten.

Gelet op deze nadere toelichting van verweerder zijn er naar het oordeel van het College onvoldoende aanknopingspunten om de stellingen van appellanten, die er op neerkomen dat niet valt uit te sluiten dat de opbrengst van de algemene heffing handel mede ten goede is gekomen aan specifieke bestemmingen, voor juist te houden.

2.8 De stelling van appellanten dat de Nederlandse autoriteiten in het kader van de steunmelding aan de Commissie gegarandeerd hebben dat op ingevoerde producten geen heffingen worden toegepast en dat zulks nu mogelijk wel gebeurt als de algemene heffing handel - welke heffing ook wordt geheven over ingevoerde producten - wordt aangewend voor specifieke bestemmingen, faalt. Zoals hiervoor is overwogen is immers niet gebleken dat de opbrengst van de algemene heffing wordt besteed aan specifieke bestemmingen.

2.9 Appellanten stellen ten slotte dat uit de publicatie in het Verordeningenblad niet blijkt dat de Verordening algemene heffing handel 2007 is goedgekeurd door de SER, in strijd met artikel 106 Wbo , zodat de verordening onverbindend is. Deze beroepsgrond treft geen doel. Voor de motivering van dit oordeel verwijst het College naar overweging 5.3 in de uitspraak van 27 augustus 2010 in de zaken AWB 09/597 en 09/598 (LJN: BN 5653). Hetgeen appellanten hebben gesteld, leidt niet tot een ander oordeel.

2.10 Appellanten zijn het op twee punten niet eens met de proceskostenvergoeding in bezwaar. Het College heeft reeds in de uitspraak van 23 december 2011 (LJN: BV1305) beslist dat bij onderhavige heffingen geen sprake is van een besluit inzake belastingen of de heffing van premies, zodat verweerder een ander tarief per punt had moeten hanteren. Zoals verweerder al heeft erkend is het onderhavige besluit nog niet in overeenstemming met genoemde uitspraak.

Daarnaast heeft verweerder het gewicht in de procedures volgens appellanten ten onrechte gesteld op 0,5 in plaats van op 1. Het College volgt appellanten ook in deze stelling en bepaalt dat het gewicht op gemiddeld (1) dient te worden vastgesteld.

2.11 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep tegen het besluit van 5 juli 2011 gegrond dient te worden verklaard. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd voor wat betreft de vaststelling van de proceskostenvergoeding van appellanten in bezwaar.

Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zelf in de zaak te voorzien en de proceskostenvergoeding in bezwaar nader vast te stellen. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zou het bedrag van de kosten dienen te worden vastgesteld op € 1610,- (vier punten voor het indienen van de vier bezwaarschriften en één punt voor het verschijnen ter hoorzitting, tegen een waarde van

€ 322,- per punt (nu de bezwaarschriften zijn ingediend voor 1 oktober 2009), betreffende een zaak van gemiddeld gewicht, wegingsfactor 1). Nu verweerder reeds een hoger bedrag heeft toegezegd (€ 817,- in het bestreden besluit plus € 821,25 in de brief van 1 februari 2012) ziet het College hierin aanleiding de proceskostenvergoeding van appellanten in bezwaar nader vast te stellen op € 1638,25.

2.12 Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75 van de Awb worden veroordeeld in de proceskosten van appellanten. Dit zijn de kosten van de door hun gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, die met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn vastgesteld op € 874,-. Daarbij is uitgegaan van één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting , tegen een waarde van € 437,- per punt, betreffende een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1).

Het College zal voorts bepalen dat het door appellanten betaalde griffierecht dient te worden vergoed.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder voor zover daarbij een onjuiste proceskostenvergoeding in bezwaar is vastgesteld;

- stelt de proceskostenvergoeding van appellanten in bezwaar nader vast op een bedrag van € 1638,25 (zegge:

zestienhonderdachtendertig euro en vijfentwintig cent);

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten in beroep tot een bedrag van € 874,- (zegge:

achthonderdvierenzeventig euro);

- bepaalt dat verweerder het door appellanten voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ad € 302,- (zegge:

driehonderdtwee euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.M. Smorenburg, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. J.A. de Koning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 september 2012.

w.g. M.M. Smorenburg de griffier is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature