< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing verzoek om een vergoeding in verband met immateriële en materiële schade. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wegens het ontbreken van het daartoe vereiste causaal verband niet voor vergoeding in aanmerking komen de door appellant betaalde griffierechten, aan de Raad voor de rechtsbijstand betaalde eigen bijdrage, kosten van advies en begeleiding door het bedrijf van appellants vader en kosten van advies door een bureau. Ten aanzien van de 12 weken WW-uitkering die appellant stelt te zijn misgelopen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv in het besluit van 10 december 2009 heeft gemotiveerd waarom deze schadepost niet voor vergoeding in aanmerking komt en dat appellant noch in bezwaar, noch in beroep specifiek op de door het Uwv gegeven motivering is ingegaan.

Uitspraak



11/7485 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 november 2011, 11/395 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 26 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.N. van Schaik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2012. Namens appellant zijn verschenen mr. Van Schaik en [naam vader], vader van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is tot eind 2002 werkzaam geweest als CAD engineer. In de jaren daarna heeft appellant diverse besluiten ontvangen met betrekking tot zijn recht op uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Van deze besluiten zijn voor deze zaak van belang het besluit 13 oktober 2004, waarbij appellants WW-uitkering met ingang van 10 mei 2004 is ingetrokken en het besluit van 11 april 2007, waarbij is teruggekomen van het besluit van 13 oktober 2004 en aan appellant alsnog een WW-uitkering is toegekend over de periode van 10 mei 2004 tot en met 9 november 2005.

1.2. Bij brief van 1 oktober 2009 heeft appellant, onder verwijzing naar de gang van zaken rond zijn uitkeringen, verzocht om een vergoeding in verband met immateriële en materiële schade. Bij besluit van 10 december 2009 heeft het Uwv geweigerd de door appellant gestelde schade te vergoeden. Bij besluit van 23 december 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het Uwv het verzoek om een vergoeding ter zake van immateriële schade terecht heeft afgewezen. Ten aanzien van de door appellant gestelde materiële schade heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschreven voor zover het gaat om door appellant geclaimde vergoeding ter zake van door hem betaalde griffierechten, aan de Raad voor de rechtsbijstand betaalde eigen bijdrage, kosten van advies en begeleiding door het bedrijf van appellants vader, kosten van advies door [naam bureau] en 12 weken misgelopen uitkering ingevolge de WW.

2.2. Ten aanzien van de overige door appellant genoemde materiële schadeposten, te weten schade in verband met een door appellant bij zijn ouders afgesloten lening, wettelijke rente over aan appellant per 13 oktober 2004 toegekende ZW-uitkering en belastingschade, heeft de rechtbank geoordeeld dat deze posten op de hoorzitting zijn besproken en dat het Uwv heeft toegezegd appellant op bepaalde punten nader te zullen informeren. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom het Uwv (kennelijk) van mening is dat de bezwaargronden ten aanzien van deze posten niet kunnen slagen. Het bestreden besluit ontbeert in zoverre dan ook een deugdelijke motivering.

2.3. Gelet op het in 2.2 omschreven motiveringsgebrek heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft beperkt tot de ‘kern van de kwestie’. Naar appellant ter zitting heeft toegelicht heeft hij hiermee bedoeld dat de rechtbank niet had mogen ingaan op de onderscheiden posten ter zake waarvan hij een schadevergoeding heeft geclaimd, maar het daartoe had moeten leiden dat het Uwv zich, na een nieuwe hoorzitting en het wisselen van standpunten, in een nieuw besluit op bezwaar zou moeten uitlaten over alle posten ter zake waarvan hij een schadevergoeding heeft geclaimd.

3.2. Het Uwv heeft in de uitspraak van de rechtbank berust. Desgevraagd heeft het Uwv te kennen gegeven in afwachting van de uitspraak van de Raad nog geen nieuw besluit te nemen.

4.1. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de rechtbank zich had moeten beperken tot wat hij aanduidt als de ‘kern van de kwestie’. Gelet op de aard en de inhoud van het bestreden besluit en de door appellant aangevoerde beroepsgronden kon de rechtbank niet anders dan beoordelen of het Uwv ten aanzien van de onderscheiden posten een juist en deugdelijk gemotiveerd standpunt had ingenomen.

4.2. De Raad stelt vast dat appellant ter zitting te kennen heeft gegeven zich niet (langer) te verzetten tegen het oordeel van de rechtbank voor zover dit betrekking heeft op de door hem gestelde immateriële schade. Dit onderwerp behoeft derhalve geen verdere bespreking. Ook de in 2.2 genoemde posten behoeven geen bespreking. De Raad zal zich in het navolgende dan ook beperken tot de in 2.1 genoemde materiële schadeposten.

4.3. Ter zitting heeft appellant desgevraagd te kennen gegeven dat alle door hem geclaimde schade in zijn visie direct of indirect voortvloeit uit het besluit van 13 oktober 2004. Hiervan uitgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat wegens het ontbreken van het daartoe vereiste causaal verband niet voor vergoeding in aanmerking komen de door appellant betaalde griffierechten, aan de Raad voor de rechtsbijstand betaalde eigen bijdrage, kosten van advies en begeleiding door het bedrijf van appellants vader en kosten van advies door [naam bureau]. Ten aanzien van de 12 weken WW-uitkering die appellant stelt te zijn misgelopen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv in het besluit van 10 december 2009 heeft gemotiveerd waarom deze schadepost niet voor vergoeding in aanmerking komt en dat appellant noch in bezwaar, noch in beroep specifiek op de door het Uwv gegeven motivering is ingegaan.

4.4. Gelet op het hiervoor gestelde in 4.1 tot en met 4.3 komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) J.R. Baas

TM


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature