< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 20 juni 2010 heeft de agent [appellant] een rijverbod opgelegd voor de duur van vijf uren.

Uitspraak



201110831/1/A3.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 september 2011 in zaak nr. 10/2467 in het geding tussen:

[appellant]

en

H.J. Jong, agent van de politieregio Noord-Holland Noord (hierna: de agent).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2010 heeft de agent [appellant] een rijverbod opgelegd voor de duur van vijf uren.

Bij besluit van 25 augustus 2010 heeft de agent het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 september 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De agent heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de agent hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2012, waar [appellant] is verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) is het een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.

    Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is het een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

    Ingevolge artikel 160, vijfde lid, zijn de bestuurder van een voertuig en degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen, verplicht, op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen, hun medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens door die persoon te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die persoon aangewezen apparaat.

    Ingevolge artikel 162, eerste lid, kan een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen de bestuurder van een voertuig van wie, uit het in artikel 160, vijfde lid, bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van die persoon gebleken is dat hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid, verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een voertuig behoorlijk te besturen, een rijverbod opleggen voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uren. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen.

2.    Volgens het besluit van 25 augustus 2010 heeft [appellant] op 20 juni 2010 als bestuurder van een voertuig op vordering van de agent meegewerkt aan een voorlopig ademonderzoek. Dat onderzoek wees op een te hoog ademalcoholgehalte. Om deze reden is [appellant] aangehouden. Vervolgens is uit een ademanalyse naar voren gekomen dat het ademalcoholgehalte op dat moment 530 µg/l bedroeg. Gelet hierop, is aan [appellant] een rijverbod opgelegd, aldus het besluit.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de agent hem niet in redelijkheid het rijverbod heeft kunnen opleggen. Hiertoe voert hij aan dat hij niet als bestuurder van zijn auto heeft deelgenomen aan het verkeer, maar dat de agent hem heeft verzocht om in de stilstaande auto te stappen en deze te laten starten. Voorts was zijn ademalcoholgehalte te hoog, niet doordat hij onder invloed van alcohol verkeerde, maar doordat hij van tevoren mondspray had gebruikt, aldus [appellant].

3.1.    Vaststaat dat de agent [appellant] heeft aangetroffen alleen en in dan wel in de directe nabijheid van zijn op de openbare weg geparkeerde auto. Alleen al gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de agent [appellant] op het moment van aanhouding als bestuurder mocht aanmerken dan wel als iemand die aanstalten maakt om zijn auto te gaan besturen. Dat volgens [appellant] de agent aan hem heeft verzocht zijn stilstaande auto te starten, leidt niet tot een andere conclusie. De Afdeling merkt daarbij op dat uit de ter behandeling van een strafzaak opgemaakte en door [appellant] overgelegde processen-verbaal van verhoor van de agent en een eveneens bij de aanhouding aanwezige hoofdagent van 23 november 2011 volgt dat de agent [appellant] heeft gevraagd om de auto aan de kant te zetten, omdat de auto in het donker dicht bij het kruisingsvlak van een kruispunt stond. De hoofdagent wees er echter op dat [appellant] vermoedelijk onder invloed van alcohol verkeerde, om welke reden de agent de auto heeft verplaatst, aldus de processen-verbaal.

    Zoals voorts onder 2 is vermeld, bedroeg het ademalcoholgehalte ten tijde van de aanhouding van [appellant] 530 µg/l. Gelet hierop mocht de agent zich ten tijde in geding op het standpunt stellen dat [appellant] onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wvw 1994 verkeerde, dat hij onvoldoende in staat was een voertuig behoorlijk te besturen. Het feit dat [appellant], naar hij stelt, tegenover de agent heeft verklaard dat hij mondspray had gebruikt, heeft de agent onvoldoende mogen achten voor een ander standpunt.

    De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de agent bevoegd was om een rijverbod op te leggen. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank evenzeer terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de agent [appellant] niet in redelijkheid een rijverbod heeft kunnen opleggen, teneinde te voorkomen dat [appellant] zijn auto zou gaan besturen, daargelaten of hij daartoe daadwerkelijk was of zou zijn overgegaan. Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink    w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

582-741.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature