< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Opzetheling tankwagen. Tankwagen wordt kort na diefstal door verdachten gesloopt, nadat men lading diisobuthylketon heeft laten weglopen. Gelet op de korte tijdspanne tussen diefstal en ontmanteling door verdachte en de kapitaalvernietiging die deze sloop tot gevolg heeft gehad, kan het niet anders zijn dan dat verdachte en zijn mededader wisten dat deze tanker van misdrijf afkomstig was. Te meer daar deze handelwijze niet anders op grond van economische motieven te rechtvaardigen is.

- Bewezen verklaard zijn: opzetheling en overtreding art. 25 Lozingenbesluit bodembescherming en art. 1 WVO (oud).

- Vrijspraak van bestanddeel “drijver van een inrichting”, nu verdachten nog niet gestart waren met hun bedrijf en men slechts zeer kort bezig was met activiteiten.

- Het reeds maandenlang in een loods laten staan van een vrachtwagen zonder kenteken en zonder papieren, terwijl sprake was van zichtbare braakschade en een ander contactslot, terwijl verdachte zich bezig hield met export van vrachtauto-onderdelen, levert voldoende op voor wetenschap verdachte dat vrachtwagen van misdrijf afkomstig was.

- Overschrijding redelijke termijn leidt tot strafvermindering.

Uitspraak



RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/991501-07

Datum uitspraak : 19 september 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige economische strafkamer,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

wonende te [adres en woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 maart 2012 en 5 september 2012.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2007 tot en met 7 maart 2007 in de gemeente Helden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, als drijver van een inrichting als bedoeld in het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, gelegen aan de [adres 1], niet heeft/hebben voldaan aan artikel 1.3.2 van de bijlage behorende bij genoemd besluit en /of er niet voor heeft zorggedragen dat dat voorschrift werd nageleefd, immers werden afvalstoffen niet van elkaar gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven, maar werd een afvalstof (Diisobuthylketon) op de bodem en/of in een riool gebracht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2007 tot en met 7 maart 2007 in de gemeente Helden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een lozing van overige vloeistoffen, te weten Diisobuthylketon, in de bodem heeft uitgevoerd;

althans indien ter zake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

dat hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2007 tot en met 7 maart 2007 in de gemeente Helden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten een hoeveelheid Diisobuthylketon op of in de bodem heeft gebracht zijnde een stof waardoor de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast en toen opzettelijk niet aan de verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem/hen kon(den) worden gevergd, teneinde die verontreiniging en of aantasting te voorkomen, en terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, opzettelijk de verontreiniging of aantasting en de directe gevolgen daarvan niet hebben beperkt en zoveel mogelijk ongedaan gemaakt;

3.

hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2007 tot en met 7 maart 2007 in de gemeente Helden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk zonder vergunning, met behulp van een werk, te weten een rioolstelsel, Diisobuthylketon, zijnde een afvalstof, verontreinigende of schadelijke stof, heeft gebracht in het oppervlaktewater de Maas;

4.

hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2007 tot en met 7 maart 2007, in de gemeente Helmond, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een trailer, gekentekend [kenteken], in elk geval enig goed, toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s);

althans indien ter zake het vorenstaande onder 4 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2007 tot en met 7 maart 2007 in de gemeente Helmond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een trailer, gekentekend [kenteken], heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving, het voorhanden krijgen en/of tijdens de overdracht van die trailer, wist dat het een door misdrijf

verkregen goed betrof;

althans indien ter zake al het vorenstaande onder 4 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2007 tot en met 7 maart 2007 in de gemeente Helmond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een trailer, gekentekend [kenteken], heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving, het voorhanden krijgen en/of tijdens de overdracht van die trailer, redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5.

hij, Nederlander zijnde, in of omstreeks de periode van 25 november 2006 tot en met 27 november 2006, te [plaatsnaam], in elk geval in de Bondsrepubliek Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een vrachtauto (Scania), in elk geval enig goed, toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s);

althans indien ter zake het vorenstaande onder 5 geen veroordeling zou volgen:

hij, Nederlander zijnde, in of omstreeks de periode van 25 november 2006 tot en met 7 maart 2007 in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een vrachtauto (Scania) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving, het voorhanden krijgen en/of tijdens de overdracht van die vrachtauto, wist

dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

althans indien ter zake al het vorenstaande onder 5 geen veroordeling zou volgen:

hij, Nederlander zijnde, in of omstreeks de periode van 25 november 2006 tot en met 7 maart 2007 in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een vrachtauto (Scania) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving, het voorhanden krijgen en/of tijdens de overdracht van die vrachtauto,

redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Uit onderzoek is de rechtbank gebleken dat verdachte Nederlander is, dat het onder 5 ten laste gelegde feit door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en dat op dat feit door de wet van de Bondsrepubliek Duitsland, waar het zou zijn begaan, straf is gesteld.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijs

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 5 september 2012 gevorderd dat

de verdachte ten aanzien van het onder 4 primair en het onder 5 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, aangezien in het dossier geen aanwijzingen zijn voor de wegnemingshandeling door verdachte en zijn medeverdachte. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het onder 1, 2, 3, 4 subsidiair en 5 subsidiair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. Met betrekking tot feit 1 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte en zijn medeverdachte zijn aan te merken als drijver van de inrichting, die door de eigenaar was gemeld conform het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer en die verdachte is gaan huren met de bedoeling om met zijn bedrijf [bedrijfsnaam 2] daar werkzaamheden te verrichten. Ten aanzien van het feit onder 2 wijst de officier van justitie op artikel 2 van het Lozingenbesluit bodembescherming , dat stelt dat het besluit niet van toepassing is op een lozing in de bodem, waarop het Besluit lozen buiten inrichtingen van toepassing is. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er geen sprake is van een inrichting, dan is het onder 2 subsidiair ten laste gelegde naar de mening van de officier van justitie te bewijzen.

De raadsman heeft met betrekking tot de feiten 1 tot en met 3 aangevoerd dat verdachte ontkent het ten laste gelegde te hebben begaan. Bij de verklaringen van de getuigen kunnen vraagtekens worden gezet, omdat die zelf ook belang hadden bij de zaak. De raadsman merkt daarbij ook nog op dat blijkens het proces-verbaal van de rechter-commissaris van het verhoor van de getuige bij de rechter-commissaris de politie [getuige 1] tevoren al had gezegd dat verdachte en zijn medeverdachte de lozing hadden gedaan. Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsman subsidiair aangevoerd dat als drijver van de inrichting de [bedrijfsnaam 1] dan wel [getuige 3] dienen te worden aangemerkt en niet verdachte. Meer subsidiair zou het gaan om [bedrijfsnaam 2]. Dit laatste geldt naar de mening van de raadsman ook ten aanzien van de feiten 2 en 3. Ten aanzien van feit 3 merkt de raadsman subsidiair op dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen het gebeuren in Beringe en het brengen van de stof in De Maas. Bij verdachte was geen opzet of voorwaardelijk opzet dat de stof via een putje in de Maas terecht zou komen. Met betrekking tot feit 4 stelt de raadsman dat er onvoldoende bewijs is, nu enkel sprake is van een losslang, die te herleiden is tot de trailer van [benadeelde partij 1]. Voor de aanwezigheid van de rode Scania (feit 5) heeft verdachte een verklaring, die duidt op een normale, zakelijke transactie van [bedrijfsnaam 3]. Gelet hierop dient verdachte naar de mening van de raadsman te worden vrijgesproken van al het ten laste gelegde.

7.2. Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1 is ten laste gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat er sprake was van een inrichting in de zin van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer. Verdachte en zijn mededader waren immers nog niet gestart met hun bedrijf, terwijl er voorts veeleer sprake was van sloop dan van opslag. Daarenboven is de periode zeer kort geweest, slechts enkele dagen, zodat niet voldaan is aan het begrip “inrichting”. Gelet hierop dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Het subsidiaire verweer behoeft derhalve geen bespreking.

Ook het sub 4 primair en het sub 5 primair ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen, aangezien niet is komen vast te staan dat de wegnemingshandeling door verdachte of zijn medeverdachte is verricht. Ook hiervan dient de verdachte te worden vrijgesproken.

7.3. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 2 primair, het onder 3, het onder 4 subsidiair en het onder 5 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen, een en ander in onderlinge samenhang beschouwd.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De heling van de tanker en de verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater

Op 5 maart 2007 doet [werknemer] namens [benadeelde partij 1] aangifte van diefstal van een trailer. [werknemer] verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik doe aangifte van diefstal van een trailer, geladen met 27.120 liter Diisobutylketon (hierna te noemen DIBK). Op 4 maart 2007 omstreeks 15.00 uur heb ik de trailer nog zien staan op de [adres] te Helmond. Op 5 maart 2007 ontdekte ik dat de trailer met de lading weg was. De lading is brandbaar, kan met lucht een explosief mengsel vormen en de damp kan onzichtbaar zijn. De trailer, kenteken [kenteken], was gesloten met een kickpenslot. De weggenomen trailer is eigendom van [benadeelde partij 1]. [benadeelde partij 1] gaf aan niemand het recht of de toestemming tot het plegen van dit feit.

Bij voormelde aangifte is gevoegd een transportorder , welke – zakelijk weergegeven – het volgende inhoudt:

afzender: Shell Chemicals Europe B.V., Rotterdam;

vervoerder: [benadeelde partij 1], Moerdijk;

bevat: 27.120 m3 DIBK (Diisobutyl Ketone);

af te leveren op 5 maart 2007, tussen 12.00 en 18.00 uur.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] relateren – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 7 maart 2007 kregen wij omstreeks 01.53 uur de melding om te gaan naar perceel [adres 1] te Beringe. In de loods op genoemd perceel zou mogelijk een van diefstal afkomstige oplegger met 27.000 liter hoog explosieve vloeistof staan, met het kenteken

[kenteken], die op 4 maart 2007 te Helmond ontvreemd werd. De eigenaar [getuige 3] deelde mede dat hij de loods sinds enkele weken had verhuurd aan [verdachte] uit Helmond. [getuige 3] opende de loods voor ons. In de loods roken wij een brandlucht, gelijkend op lassen of slijpen van metaal.

De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] relateren – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 7 maart 2007 te 11.00 uur troffen wij op het perceel [adres 1] te Beringe onder meer [medewerker gemeente] van de gemeente Helden, leden van de brandweer, de eigenaar van het perceel, [getuige 3], alsmede [getuige 6], een medewerker van de huurder van dit perceel ([verdachte]), aan. [medewerker gemeente] deelde ons mede dat medewerkers van de gemeente Helden bij het rioolgemaal, gelegen aan de Stogger te Helden, een sterke chemische lucht hadden geroken. Hierop waren zij de rioolputten, richting Beringe, nagegaan. Door de gemeente was het Waterschap gewaarschuwd. De heer [medewerker waterschap] van dit Waterschap kwam ook ter plaatse. Toen wij op het gedeelte dat verhard was met losse sintels/asfalt kwamen, roken wij een sterke chemische lucht. Wij zagen en voelden dat de laag van sintels/asfalt nat was en “soppig” aanvoelde. Bij het rioolputje roken wij dezelfde sterke chemische lucht. Door [medewerker waterschap] van het Waterschap werd van het water, dat in dit rioolputje stond, een monster genomen.

De verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] relateren – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 7 maart 2007 te 13.10 uur stelden wij een onderzoek in op het bedrijfsperceel, gelegen aan de [adres 1] te Beringe, gemeente Helden. Ik, [verbalisant 6], rook op dat moment ter plaatse een sterk penetrante, weeïge geur. Dit was met name goed waar te nemen op het achterterrein van het perceel. Op het deel nabij de achterzijde van de loods waren op het granulaat bandensporen zichtbaar. Tevens vertoonde het granulaat enkele vochtplekken. Het vocht gaf een blauwe schijn.

Op 12 maart 2007 werd door de verbalisanten [verbalisant 6], [verbalisant 7] en [verbalisant 8] een onderzoek ingesteld op het perceel [adres 1] te Beringe, gemeente Helden. Zij relateren – zakelijk weergegeven – als volgt:

Wij roken op het buitenterrein van het perceel bij vlagen, een penetrante, weeïge geur, die ik, [verbalisant 6], herkende als de geur die ik ook op 7 maart 2007 ter plaatste had geroken. Bij onderzoek in de loods troffen wij onder meer aan:

- twee stuks kunststof 1 m3 containers, zogenaamde Intermediate Bulk Containers (IBC’s). Eén van deze IBC’s was gevuld met circa 800 liter en de andere IBC was gevuld met circa 200 liter van een ons onbekende vloeistof. Door mij [verbalisant 6] werd uit één van deze containers een monster genomen;

- twee stuks losslangen. Op één van deze slangen was onder andere het volgende opschrift/opdruk aangebracht: “Din 2817 10 bar slang superchem”. Wij zagen dat er diverse merktekens en/of coderingen waren aangebracht in/op de diverse metaaldelen van een van deze slangen. Ik, [verbalisant 7], noteerde het nummer dat was geponst/ingeslagen op een metalen slangklem van één van de slangen. Dat nummer luidde: 1310 2006 13;

- een dompelpomp, in een verpakking. Bij het uit de verpakking halen van deze pomp roken wij een penetrante, weeïge geur, gelijk aan de geur die wij hadden waargenomen op het buitenterrein van het perceel en uit de bemonsterde IBC.

Op 5 april 2007 verklaart [werknemer benadeelde 1] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben operations manager Europe binnen het bedrijf [benadeelde partij 1], gevestigd te Moerdijk. Ik kan nader verklaren omtrent losslangen die behoren of worden gebruikt bij bepaalde typen tankcontainers. Door [werknemer benadeelde partij 1], werkzaam binnen ons bedrijf, werd op 5 maart 2007 aangifte gedaan van diefstal van een trailer met tankcontainer vanuit Helmond. Die trailer had het registratienummer [kenteken]. Bij deze trailer/chassis behoren standaard 2 slangen. Aan beide losslangen hangt een RVS-label met respectievelijk het nummer 13102006 12 en 13102006 13. Deze nummers zijn unieke nummers die worden ingeslagen door de firma [firmanaam], die de slangen keurt en testcertificaten afgeeft. U laat mij een aantal foto’s zien van een slang met onder andere het opschrift “superchem” in een paarse bies, het in de RVS-label ingeslagen nummer 13102006 13. Deze slang herken ik als een slang, eigendom van ons bedrijf en behorende bij de gestolen trailer in Helmond met het kenteken [kenteken].

Bij voormeld proces-verbaal is een fotoblad gevoegd, waarop onder meer een foto van een losslang is te zien met daarnaast een foto van het ingeslagen nummer 13102006 13 en de tekst “superchem” op een losslang.

De verbalisant [verbalisant 6] relateert – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 12 maart 2007 stelde ik met collega’s [verbalisant 8] en [verbalisant 7] een onderzoek in op het perceel [adres 1] te Beringe, gemeente Helden. Op dat perceel stond een loods. In die loods trof ik twee 1 m3 containers, zogenaamde Intermediate Bulk Containers (IBC’s) aan. In beide containers zat een vloeistof. Eén van de IBC’s was gevuld met circa 200 liter van een onbekende vloeistof. Ik zag dat die vloeistof transparant van kleur was met ogenschijnlijk een dunne donkergekleurde toplaag. Na het openen van het vat kwam er een geur vrij uit de IBC. De vrijkomende geur, die ik waarnam toonde een sterke gelijkenis met de geur, die ik eerder had waargenomen op het achterterrein van genoemd perceel. De geur werd door mij ervaren als penetrant, weeïg en onaangenaam. Met behulp van een telescopische stok en een glazen fles, voorzien van een tefloninlage, heb ik die dag, omstreeks 15.15 uur, een monster genomen van de zich in het vat bevindende vloeistof. Het betreffende monster werd door mij voorzien van een zegel met zegelnummer AA 52045 en veiliggesteld. Op 15 maart 2007 werd het monster door mij overgedragen aan [medewerker laboratorium] van het laboratorium van het Waterschapsbedrijf Limburg, gevestigd te Roermond. Dit monster werd opgesplitst in vier afzonderlijke monsters. Twee monsters werden door mij ieder afzonderlijk verzegeld middels een speciale sticker en voorzien van de zegelnummers AA 552046 en AA 502047. Door mij werd aan de chemisch analist van het laboratorium van het Waterschapsbedrijf Limburg verzocht om het aangeleverde monster te onderzoeken op de stof Diisubuthylketon.

De verbalisant [verbalisant 6] relateert – zakelijk weergegeven – als volgt:

In het kader van het onderzoek naar de lozing van de stof Diisobuthylketon (DIBK) op het industrieterrein Beringe, vanuit het perceel [adres 1] werden door medewerkers van het Waterschapsbedrijf Limburg meerdere monsters genomen. Eén van die monsters werd op mijn verzoek genomen van de met een onbekende vloeistof doordrenkte en van asfaltgranulaat voorziene bodem, gelegen achter de loods op het perceel [adres 1] te Beringe. Voorts werden, volgens opgave van het Waterschapsbedrijf, nog bemonsterd de volgende locaties:

- een rioolput, gelegen op het achterterrein van het perceel [adres 1], direct grenzend aan de locatie waarop het bodemmonster werd genomen en

- het riool van een ter plaatse gelegen gemaal.

Door mij was nog een monster genomen van een vloeistof uit een IBC, opgeslagen in de loods op het terrein [adres 1]. Van deze monsterneming en de overdracht is door mij separaat proces-verbaal opgemaakt. Op mijn verzoek werd tevens nog een monster van de stof DIBK rechtstreeks bij het Waterschapsbedrijf aangeleverd door het bedrijf Shell. Dat betrof een monster, afkomstig uit de batch waarmee ook de in Helmond gestolen tankcontainer was afgevuld. Het betreffende monster werd aangeleverd onder de codering DIBK T766 Idg 027, brug 3, 06-03-2007.

In het dossier bevindt zich een overdrachtsformulier betreffende het monster met zegelnummer AA 52045, dat vermeldt dat het monster op 15 maart 2007 om 16.00 uur is overgedragen aan [medewerker laboratorium] van het Laboratorium van het Waterschapsbedrijf Limburg.

Voorts is op dat formulier vermeld:

- 2007040101 (JHLDZ07003) IBC loods [adres 1], gemeente Helden, monsterdatum 15-3-2007, 15.30;

- 2007030381 (JHLDZ07001); kolk [adres 1], gemeente Helden, monsterdatum 7-3-2007, 12.35;

- 2007030386 (JHLDZ07002); asfalt [adres 1], gemeente Helden, monsterdatum 7-3-2007, 15.30;

- 2007040102 (JHLDZ07004) contramonster Shell batch container, monsterdatum 15-3-2007, 15.30.

Op 9 maart 2007 verklaart [medewerker waterschap], senior inspecteur bedrijven bij Waterschapsbedrijf Limburg – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op woensdagmorgen 7 maart 2007 werd ik gebeld door een medewerker van het waterschapsbedrijf, die bij het gemaal Stogger een penetrante geur in het riool had aangetroffen. Na overleg met de gemeente Helden ben ik woensdag 7 maart 2007, omstreeks 11.30 uur, naar het industrieterrein Beringe, [adres 1], gegaan. Ik heb buiten op het terrein van dit perceel monsters genomen van de plek, waar nog vloeistof zichtbaar was en ik heb uit de kolk van het riool op het terrein van dit perceel monsters genomen. Verder heeft een collega van mij monsters genomen in het riool van het gemaal aan de Stogger. Al deze monsters zijn onderzocht en in het laboratorium bleek dat in al deze monsters de stof diisobutylketon aangetroffen was. Ik overhandig u de uitslagen van deze onderzoeken.

Bij voormeld proces-verbaal bevinden zich uitslagen van genoemde onderzoeken, welke uitslagen – zakelijk weergegeven – het volgende inhouden:

- monsteromschrijving: gemeente Helden asfalt, monstervolgnummer 2007030386, monsternamedatum 07-03-2007, monsternametijd 15.30;

- monsteromschrijving: gemeente Helden gemaal, monstervolgnummer 2007030387, monsternamedatum 07-03-2007, monsternametijd 10.30;

- monsteromschrijving: gemeente Helden, kolk, monstervolgnummer 2007030381, monsternamedatum 07-03-2007, monsternametijd 12.35.

In de drie vermelde resultaten laboratoriumonderzoek is opgemerkt:

Hoge concentratie diisobutylketon en 4,6-dimethyl-2-heptanon aangetoond.

In het dossier bevindt zich een schrijven van het unithoofd laboratorium Waterschapsbedrijf Limburg, [unithoofd laboratorium], welk schrijven – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Bevindingen in verband met de analyse van een vijftal monsters die genomen zijn in verband met een lozing op het industrieterrein in Beringe op 6 of 7 maart 2007.

Aangeboden werden de volgende monsters:

- volgnummer 2007040101 (monsterpuntnummer JHLDZ07003) van de locatie loods [adres 1] te Beringe;

- volgnummer 2007040102 (monsterpuntnummer JHLDZ07004) van Shell met batchnummer DIBK T766 Idg 027, brug 3, 06-03-2007;

- volgnummer 2007030381 (monsterpuntnummer JHLDZ07001);

- volgnummer 2007030386 (monsterpuntnummer JHLDZ07002);

- volgnummer 2007030387 (monsterpuntnummer WHLDZ010).

Gevraagd werd of de monsters van eenzelfde oorsprong zijn, namelijk de genoemde batch van Shell. In bijlage 3 zijn 5 chromatogrammen van de monsters over elkaar heen geprojecteerd. De monsters vertonen identiek patroon (fingerprint). Met de gevolgde analysetechniek is het mogelijk de componenten van deze monsters positief te identificeren. De hoofdbestanddelen zijn in alle monsters diisobuthylketon (DIBK) en 4,6-dimethyl-2-heptanone. Hiermee is met een grote mate van waarschijnlijkheid aangetoond dat alle monsters van eenzelfde oorsprong zijn.

Bij voormeld schrijven is een schematisch overzicht gevoegd, waarop chromatogrammen in kleur zijn weergegeven. Dit overzicht vermeldt – zakelijk weergegeven – :

Zwart = Shell 2007040102;

Rood = [adres] 2007040101;

Groen = Helden kolk 2007030381;

Blauw = Helden asfalt 2007030386;

Geel = Helden gemaal 2007030387.

Op 24 oktober 2007 verklaart [getuige 1] – zakelijk weergegeven – als volgt:

U toont mij een aantal foto’s. Op de fotobladen nummers Beringe 1 – 2 en 4 d.d. 7 maart 2007 herken ik het perceel aan de [adres] op het industrieterrein te Beringe. Op foto 1 herken ik de chauffeur van de auto waarmee goederen van Overloon naar Beringe zijn vervoerd. Op foto 3 herken ik de persoon die ik in mijn verklaringen [medeverdachte] noem. [medeverdachte] noemde de chauffeur [verdachte]

De verbalisant relateert in voormeld proces-verbaal – zakelijk weergegeven – :

Op basis van het eerder getoonde fotoblad 1 wordt met de chauffeur [naam] verdachte [verdachte] bedoeld.

[getuige 1] verklaart voorts – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 2 maart 2007 heb ik spullen over verhuisd van Overloon naar Beringe. Op 5 maart 2007 tussen 10.00 en 11.00 uur brachten [medeverdachte] en [verdachte] een vat van vermoedelijk roestvrij staal de loods binnen. Ik omschrijf het vat als een blinkend metalen tank. Ik was daar samen met [getuige 2] aanwezig. In de loods stond de heftruck waarmee later de tank met frame naar binnen is gereden. [verdachte] en [medeverdachte] hebben de tank in stukken gesneden. Eerst werd het frame van de tank gesneden. Het snijden ging met gebruikmaking van zuurstof en gasflessen. [getuige 2] en ik hebben geholpen de platen op de auto te laden. Om 15.00 uur zijn de stukken van de tank en het frame op de blauwe oplegger geladen. Toen heeft een jongeman met een blauwe trekker met een oplegger met wit zeil de gesneden stukken metaal van de tank en het frame opgeladen. Ik heb ook geholpen met snijden. [medeverdachte] en [verdachte] waren op een gegeven moment in paniek. Zij gingen naar de buurman, links van het bedrijf. [verdachte] en [medeverdachte] zeiden dat ze daar iets moesten schoonmaken. Ik zag dat beiden met een trekker op het terrein van de buurman bezig waren. Op een gegeven moment wilde [medeverdachte] een pompje meenemen. Ik heb in opdracht van [verdachte] de tank in stukken moeten snijden. Ik heb gebruik gemaakt van een slijptol. Dat geldt ook voor [getuige 2]. [verdachte] gaf ons en [medeverdachte] opdrachten.

In het dossier bevinden zich foto’s gemaakt op 7 maart 2007.

Op 25 oktober 2007 verklaart [getuige 1] – zakelijk weergegeven – als volgt:

U toont mij een foto van een persoon. Ik denk dat dit de persoon is waarover ik gisteren gesproken heb als de persoon die ook heeft meegeholpen met het snijden van stukken van de tank. Op maandag 5 maart 2007 heeft [verdachte] die platen van de tankauto weggereden met een blauwe Scania. Op dinsdag 6 maart 2007 heeft de persoon waarvan u mij zojuist de foto heeft getoond met diezelfde vrachtauto de laatste onderdelen van die tankauto weggereden. Op mijn laatste werkdag, 6 maart 2007, is iedereen bezig geweest met het opruimen en schoonmaken van alle gereedschappen, die zijn gebruikt bij het snijden van de tankauto. Ook de vloer is schoongemaakt, want deze was nat.

De verbalisant relateert in voormeld proces-verbaal – zakelijk weergegeven – :

De door ons getoonde foto betreft [getuige 6].

[getuige 1] verklaart voorts – zakelijk weergegeven – als volgt:

In de loods stonden twee containers. Eén van die containers was denk ik leeg, de andere container was gevuld met een vloeistof, ik denk met water. Ik herken de containers van een foto. U toont mij fotoblad Beringe 15 d.d. 12 maart 2007. [getuige 2] en ik moesten in opdracht van [verdachte] of [medeverdachte] 4 soortgelijke slangen in stukken snijden.

In het dossier bevindt zich een foto “binnenkant Loods” van twee losslangen, gemaakt op 12 maart 2007.

Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 1] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb ongeveer drie jaar geleden bij de verdachten, van wie ik slechts de voornamen ken, in Nederland gewerkt. Dit werk bestond uit het snijden van metalen elementen. Voor de verdachten werkte ook nog een collega [getuige 2]. Er was één keer een voorval, volgens mij op een maandag, toen ik met [getuige 2] kwam om te werken. De verdachten hebben toen met behulp van hun auto een container uit de werkplaats naar buiten getrokken. Op diezelfde dag zeiden deze Nederlanders tegen ons dat we die container in stukken moesten snijden. Volgens mij kwam uit deze container een onaangename geur, die aan een oplosmiddel deed denken. Wij hebben gedurende twee dagen deze container tot stukken versneden en vervolgens hebben de Nederlanders de stukken op een auto met aanhanger geladen. Het zeil van deze oplegger had een lichte kleur. [verdachte] zou ons voor het werk betalen.

Op 1 december 2007 verklaart [getuige 2] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb in maart 2007 samen met [getuige 1] 5 dagen gewerkt. Ik ben op mijn eerste werkdag met [getuige 1] naar de loods aan de [adres] gereden. Bij die loods moesten wij wachten op twee Nederlanders, [verdachte] en [medeverdachte]. Op de eerste of tweede dag heb ik gezien dat [medeverdachte] en [verdachte] een tankauto uit elkaar aan het halen waren. [getuige 1] en ik hebben daarbij geholpen. [verdachte], [medeverdachte], [getuige 1] en ik hebben ons op mijn tweede werkdag bezig gehouden om met behulp van een heftruck de onderdelen van die tankauto in te laden. Ook zijn toen onderdelen van die tankauto weggebracht. Het kan zijn dat we de derde dag diverse onderdelen van de tankauto hebben weggebracht en dat we die dag nog een kleine tank uit elkaar hebben gehaald. Van dag vier weet ik mij te herinneren dat er toen een vreselijke ruzie was tussen de vermoedelijke eigenaar van het pand en [verdachte] over het feit dat de vloeistof uit de tank was weggelopen over het buitenterrein. Ik was toen samen met [getuige 1] in de loods aan het werk. [medeverdachte] en [verdachte] waren met de tank bezig. Ik heb gezien dat [verdachte] met een trekker de tank vanuit de loods naar buiten heeft getrokken en op het achterterrein voor de poort van de loods heeft geplaatst. Daar heeft hij of [medeverdachte], die zich daar ook bevond, vermoedelijk de kraan van de tank open gezet. Er was niemand anders op dat moment in de buurt van die tank. Ik heb gezien dat op een bepaald moment het gehele achterterrein en een deel van het terrein van de buurman vol stond met de vloeistof uit die tank. Eerst hebben [verdachte] en [medeverdachte] in de loods geprobeerd om de vloeistof uit die tank te laten middels aankoppeling van een slang. Het bleek echter dat die slang niet paste. Die vloeistof stonk. De reuk had wat weg van verfverdunner. De stof was niet ontvlambaar. Dit is door [verdachte] en [medeverdachte] getest middels het erbij houden van een stukje brandend stof of papier. [verdachte] betaalde mij voor de werkzaamheden in de loods. U toont mij een foto met 2 containers. Ik herken de loods van [verdachte]. Ik weet zeker dat toen wij daar waren er niets in de containers is gedaan. Alle vloeistof uit de tank werd in de aarde geloosd. U toont mij een foto, waarop slangen zichtbaar zijn. Deze slangen trachtten [verdachte] en [medeverdachte] aan te sluiten op de tank.

De verbalisant relateert in voormeld proces-verbaal – zakelijk weergegeven – :

Twee fotobladen, respectievelijk nummer Beringe 15 en Beringe 05 van 12 maart 2007, worden bij de verklaring gevoegd.

In het dossier bevinden zich foto’s gemaakt op 12 maart 2007.

[getuige 2] verklaart voorts – zakelijk weergegeven – als volgt:

U toont mij een foto van een tank. Ik zeg daarop dat die tank lijkt op de tank waar ik over verklaarde. Dat is de tank waar de vloeistof uit is gekomen. Er stond iets opgeschreven, maar ik kon niet lezen wat erop stond. Ik denk dat er 3 tanks uit elkaar zijn gehaald, twee grote en een kleine. Uit één van de grote kwam de vloeistof. [getuige 1] en ik hebben [verdachte] en [medeverdachte] geholpen bij het versnijden van alle tanks. We hebben met een kleine slijpmachine de kleine onderdelen van de tank gesneden. [medeverdachte] heeft een snijmachine gebruikt met vuur.

In het dossier bevindt zich een foto, waarop is afgebeeld een zuurstofpakket met gascilinders en snijbranders .

De verbalisant relateert in voormeld proces-verbaal – zakelijk weergegeven – :

[getuige 2] wordt een foto getoond van een zuurstofpakket met gascilinders en snijbranders.

[getuige 2] verklaart voorts – zakelijk weergegeven – als volgt:

[medeverdachte] en [verdachte] hebben deze snijbrander gebruikt. Daarmee zijn alle tanks gesneden. [getuige 1] en ik hebben de gesneden onderdelen gesorteerd en later op een vrachtauto geladen.

Op 2 december 2007 verklaart [getuige 2] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Toen de vloeistof uit de tank werd geloosd bevonden [getuige 1] en ik ons in de loods. De vloeistof liep best lang, ik denk zeker een uur. Ik kon de vloeistof horen lopen. Het klonk harder dan water uit de kraan. Ik wist dat het ging om de vloeistof uit de tank, omdat we kort daarvoor binnen nog bezig zijn geweest met de aankoppeling van de slangen, om de vloeistof op die manier uit de tank te krijgen. Omdat dit niet lukte heeft [verdachte] de trekker naar binnen gereden en de tank naar buiten getrokken. Ik heb gezien dat alles nat was en dat het stonk. De vloeistof had zich verspreid over het achterterrein en zelfs over het terrein van de buren. Op het terrein van de loods zakte ik weg in het met vloeistof doorweekte granulaat.

Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 2] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ken de heren [medeverdachte] en [verdachte]. Ik hielp ze bij het ontmantelen van tanks. Ik heb in december 2007 bij de politie de waarheid verteld. Mijn collega heet met zijn voornaam [getuige 1]. Ik heb één keer meegemaakt dat ze ([medeverdachte] en [verdachte]) een tank buiten leeggepompt hebben. Door de grote hoeveelheid vloeistof, die eruit kwam begon de grond te smelten.

Op 13 maart 2007 verklaart [getuige 3] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Het perceel [adres 1] te Beringe heb ik in eigendom. Ik ben ongeveer 2 jaar geleden begonnen met de bouw van een loods op die grond. Ongeveer 5 à 6 weken geleden deelde een man, genaamd [verdachte], mij mede dat hij de loods wilde huren. [verdachte] kwam elke dag kijken vanaf de eerste keer dat ik hem gesproken heb. [verdachte] kwam elke keer met ene ‘[medeverdachte]’. Ik heb die [verdachte] meteen verteld dat ik geen rotzooi in mijn loods wilde hebben. We hebben een conceptcontract opgesteld. Dit moest van [verdachte] op naam van [bedrijfsnaam 2] worden gezet. Het contract is niet ondertekend. Sinds 4 à 5 weken maakt [verdachte] gebruik van die loods. Ik zag dat er vrijwel meteen een rode Scania op het terrein kwam te staan. Op 7 maart 2007 ongeveer 02.30 uur, kwam de politie bij mij aan. Toen ben ik met de politie naar de loods gegaan. Ik zag veel brandweermensen met gasmaskers op. Met mensen van de gemeente ben ik naar het achterterrein gelopen. We zakten gewoon weg in de aanwezige asfaltlaag. Die laag is normaal hard en was nu week en drassig.

Op 28 augustus 2007 verklaart [getuige 3] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 5 maart 2007 kreeg ik een telefoontje: “Wat moet die rotzooi op mijn grond. Het stinkt hier die rotzooi.” Dat was de buurman [getuige 7]. Hij zei dat het van mijn terrein afkwam. Omstreeks 14.30 – 15.00 uur kwam ik aan de [adres 1] in Beringe. Ik zag dat [medeverdachte] de poort kwam uitlopen bij de buurman [getuige 7]. Ik vroeg [medeverdachte] wat er aan de hand was, waarop hij antwoordde: “Dat weet ik niet, dan moet je bij [verdachte] zijn.” Ik ben vervolgens naar [verdachte] gelopen op het achterterrein van buurman [getuige 7]. Ik zag dat hij volop met een dompelpomp water en een onbekend goedje aan het wegzuigen was. Ik zag dat op het terrein van [getuige 7] circa 10 m2 van de met puingranulaat bedekte bodem vervuild was met plassen water waarop dat onbekende goedje dreef. [verdachte] zei dat ze een vat hebben om laten vallen. “Dat is van mij uit hier naar toe gelopen.” Ik ben vervolgens naar mijn terrein aan de [adres 1] gaan kijken. Ik hoorde dat er in de loods werd geslepen. Daarop ben ik naar binnen gegaan en zag daar een oplegger staan met daarop een tankcontainer. Ik heb gezien dat op de tankcontainer de naam “[benadeelde partij 1]” stond op de lengtewand. Ik zag dat twee mannen met slijptollen aan de gang waren om de roestvrijstalen oplegger in stukken te slijpen. Dat waren volgens mij Polen. Op dat moment was [verdachte] nog bezig op het terrein van [getuige 7], samen met die [medeverdachte], om die weggelopen vloeistof uit een vat in het putje op mijn terrein te brengen. [verdachte] vertelde mij dat de betreffende tanktrailer een schadetank betrof. [verdachte] ging weer terug naar het terrein van [getuige 7] en ging door met ruimen. Ik zag dat hij wederom met behulp van die dompelpomp de vloeistof in de kolk op mijn terrein liet vloeien. Op dinsdag 6 maart 2007 ben ik weer naar mijn loods gegaan. Ik zag aan de achterzijde dat een Pool met de heftruck roestvrij staal van die oplegger naar buiten aan het rijden was. Ik zag dat de repen die zij geslepen hadden in de oplegger, een zeilwagen, werden gelegd. In de loods was die andere Pool bezig met slijpen. Toen ik met mijn loader de verharding aan de achterzijde van mijn terrein opreed, zakte mijn loader meteen weg. Ik zakte een 30 – 40 cm in het asfalt. Ik zag daar toen [verdachte] bezig; hij was wat losse asfalt over de natte plekken aan het doen, met de schop. Op een gegeven moment kwam [getuige 4] op het perceel. Hij zag ook wat er gebeurde. Ik zag dat [verdachte] bezig was met het onderstel, met het opleggergedeelte. De oplegger was inmiddels geheel kapot gesneden. Op 7 maart 2007 heb ik op de [adres] gesproken met [getuige 6] en hem gevraagd of hij het ijzer, afkomstig van die tankcontainer, weggebracht heeft. Hij antwoordde: “ja”. Hij zei dat hij het naar de Helmondse schroothandel in Helmond heeft gebracht. Ik weet niet wie de 2 duizend-litervaten (IBC’s) in de loods heeft gezet. Volgens [verdachte] zat daar schoonmaakspul in. U toont mij enkele foto’s van personen. Op fotoblad 3 herken ik [medeverdachte], op fotoblad 2 herken ik [getuige 6] en op fotoblad 1 herken ik [verdachte].

De fotobladen 1, 2 en 3 zijn als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 3] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb ongeveer drie weken voor de periode 4 tot 7 maart 2007 het terrein en de loods aan [verdachte] in gebruik gegeven. [verdachte] en [medeverdachte] waren daar regelmatig aan het werk. In de periode 4 tot 7 maart 2007 heb ik gezien dat er in de loods een oplegger werd gesloopt. Op maandagmorgen ben ik gaan kijken bij de loods aan de [adres 1] te Beringe. Ik kon door de open deur zien dat er vier mensen aan het werk waren in de loods. Zij waren een oplegger aan het slopen. Ik zag dat het asfalt op het achterterrein aan het bruisen was. Ik vroeg meteen aan [verdachte] wat er aan de hand was. Op de oplegger die ze aan het slopen waren zag ik de naam [benadeelde partij 1] staan. Ik ben die maandag samen met [getuige 4] op het terrein geweest. Ik heb daar toen gezien dat [verdachte], [medeverdachte] en twee Polen samen die oplegger aan het slopen waren met vier snijtollen. Later op die dag heb ik [verdachte] gezien, die op het terrein van de buurman bezig was met een vuilwaterpomp. Ik zag dat op dat terrein vloeistof stond, die [verdachte] probeerde weg te pompen. [medeverdachte] was daar ook bij. Zij waren beiden bezig met trekkers om de vloeistof richting de pomp te trekken. Ik zag ook dat de slang van de pomp gelegd was in de straatkolk op mijn terrein.

Op 29 augustus 2007 verklaart [getuige 4] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op maandag of dinsdag 5 of 6 maart ben ik bij [getuige 3] op het perceel [adres 1] geweest. Toen ik met [getuige 3] naar de achterzijde van de loods reed, zag ik daar een witte/grijze zeiloplegger staan, waarvan de zeilen open geschoven waren. Ik zag dat er roestvrijstalen schaaldelen in lagen. Ik zag gelijk dat dit van een roestvrijstalen containertank was. Toen ik vervolgens via de openstaande rolpoort van de loods naar binnen keek, zag ik een ‘geslachte’ roestvrijstalen tank liggen. Daarmee bedoel ik in delen uit elkaar geslepen. Ik weet dat je een dergelijke tank alleen maar door kunt slijpen met een slijptol. Ik heb gehoord dat ze daar met slijptollen bezig waren. Ik zag drie mannen daar met die tank bezig. Enkelen waren aan het slijpen aan de tank. Ik zag dat de tank al helemaal kort was geslepen. De bolle bodems van die tank, daarmee bedoel ik de kop en de kont van de tank, had ik al in de zeiloplegger zien liggen. In het passeren van de opening van de rolpoort zag ik een man lopen, waarvan [getuige 3] zei dat hij de huurder was. Het stonk daar ontzettend; het was een scherpe chemische lucht. Achter de loods [adres] heb ik rondgelopen. Het terrein is daar verhard met asfaltgranulaat. Ik zag op het terrein een gaatje in het asfaltgranulaat, alsof dit veroorzaakte is door een stroom vloeistof op die plek. Ik zag daar nog wat vreemde vloeistof staan. Ik zag dat het asfaltgranulaat op het terrein op diverse plaatsen natte plekken vertoonde. Ik liep over dat asfaltgranulaat en voelde aan mijn voeten dat de grond daar nat was. Ik schat dat er daar een kuub of vier in/op dat asfaltgranulaat terecht is gekomen. In ons bedrijf hebben wij ook stankoverlast gehad. Ik heb diezelfde lucht die ik op de [adres], achter de loods van [getuige 3] heb geroken, ook in ons bedrijf geroken. Het bleek mij dat de stank uit het riool via de wastafels en douches naar boven is gekomen. Ik weet dat er wat van dat spul dat daar geloosd werd op het terrein van [getuige 7] terecht is gekomen.

Op 30 augustus 2007 verklaart [getuige 5] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb gezien dat er met een dompelpomp, die op de grond stond bij de buurman op het gebroken puin, een vloeistof werd overgepompt naar een kolk gelegen op het terrein van mijn vader aan de [adres 1]. Het terrein waar vandaag gepompt werd was van [getuige 7]. Ik zag dat [verdachte] bij die pomp stond met een trekker in zijn hand. Met die trekker veegde hij die vloeistof naar het pompje. Ik hoorde het motortje van de pomp lopen. Ik zag dat een tuinslag was aangekoppeld, die uitkwam in de kolk op ons terrein. Die vloeistof stonk behoorlijk. [verdachte] heeft bij ons de loods aan de [adres] gehuurd. Ik kon zien dat die vloeistof in de pomp werd gezogen. Dat is op 5 maart 2007 geweest. Ik was die dag op het terrein van mijn vader en [getuige 7] was er zelf ook. Ook [medeverdachte] was er. [medeverdachte] was altijd bij [verdachte]. Ik ben naar het terrein van de buurman gegaan en heb [verdachte] gevraagd wat dat allemaal was. Hij zei dat er een vat was omgevallen. [verdachte] zou alles bij [getuige 7] opruimen. In de loods heb ik twee mensen gezien. Ik zag dat er een tank op de grond lag. Ik zag dat de achterzijde van de tank open lag en dat het bovenste deel van die tank was open geslepen. Ik zag dat beide personen ieder een slijpschijf in de hand hadden. Ik zag dat de binnenzijde van die tank van roestvrij staal was. Er lagen meerdere schalen verspreid rondom die tank. Ik denk dat die personen Polen waren, er stond buiten achter de loods een personenauto met een Pools kenteken. Op fotoblad 2 herken is die jongen die er zou komen werken. Ik noem hem de rooie. Hij was op 7 maart ook op het terrein aanwezig en is door de politie aangesproken. Op fotoblad 4 herken ik de compagnon, die een stucadoorsbedrijf zou hebben. Fotoblad 3 is de door mij genoemde [medeverdachte] en fotoblad 1 is voor mij heel duidelijk [verdachte].

De fotobladen 1, 2, 3 en 4 zijn als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

Op 21 augustus 2007 verklaart [getuige 6] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Mijn roepnaam is [naam].

Op 5 september 2007 verklaart [getuige 6] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 7 maart 2007 was ik op het terrein van de loods in Beringe. Ik had de sleutels van [verdachte] gekregen. Op 6 maart 2007 ben ik ook op het terrein geweest. Ik zag dat er grote platte platen in de witte zeilwagen lagen. Die stond buiten de loods. Ik heb er slijptollen zien liggen. Er lag ook slijpafval op de grond. Ik weet dat er Polen voor [verdachte] aan het werken waren. Het spul in de witte zeilwagen waren repen en platen. Het was blinkend. Het was ijzer of metaal of roestvrij staal. Ik heb deze zeilwagen met inhoud weggebracht naar de Helmondse Schroothandel. Ik moest dat wegbrengen in opdracht van [verdachte]. Ik heb de witte zeilwagen met de blauwe Scania weggebracht. Volgens mij is [verdachte] met mij meegereden in de blauwe Scania. Ik weet in ieder geval zeker dat [verdachte] er wel bij was toen de vrachtwagen werd gewogen. Daarna zijn [verdachte] en ik weer terug gereden naar de loods in Beringe.

Op 6 september 2007 verklaart [getuige 7] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op maandag na de middag, juist voordat de politie op woensdag 7 maart 2007 een onderzoek instelde naar een lozing op de [adres 1] te Beringe, eigendom van [getuige 3], kwam ik, op mijn terrein en zag daar een grote plas water liggen met een hoop zooi. Ik zag een filmlaag op het regenwater. Ik zag ook nog een kleinere plas met datzelfde spul. Dat spul was donkergekleurd. Eén plas was ongeveer 10 meter in de rondte en de ander minder dan de helft daarvan. Toen heb ik [getuige 3] gebeld. Terwijl ik op hem wachtte, kwamen er twee mannen aangereden. Zij stapten uit. Ik ben naar hen toegelopen en vroeg hem wat voor rommel er op mijn terrein kon liggen. Ik had deze mensen al vaker gezien op het terrein van [getuige 3]. Zij zijn met mij mee gaan kijken en vertelden mij dat er een ton, bak of kan wasbenzine was omgevallen. Zij zouden het spul opruimen. Ik beschrijf die personen: één persoon was ongeveer 1.80 meter, iets donker kort haar, circa 35 jaar. De andere persoon was iets kleiner, had blond krulhaar en was ongeveer 40 tot 45 jaar. Voordat ik de poort dichtmaakte heb ik gezien dat de kleinere persoon van de twee een trekker/dweilstok uit de loods bij [getuige 3] haalde en begon met die zooi op te ruimen. Ik weet dat die personen daar die loods van [getuige 3] huurden. Ik heb wel eens een rode Scania achter op het terrein van [getuige 3] gezien. Ik herken de mannen op de foto’s nummer 1 als de man van 1.80 meter en nummer 3 als die krullenbol.

Fotoblad 1 en 3 zijn als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

Op 22 augustus 2007 verklaart [medeverdachte] – zakelijk weergegeven – als volgt:

[verdachte] heeft in Beringe een loods gehuurd. Wij wilden samen een im- en exportbedrijf opstarten. We hadden samen nog geen bedrijf, we waren nog in opstart. Het bedrijf moest de naam [bedrijfsnaam 2] krijgen. We kwamen van Overloon af. [verdachte] had daar ook een loods, maar hij is gaan verhuizen naar Beringe. Ik wilde mijn schildersbedrijf onderbrengen onder [bedrijfsnaam 2]. [verdachte] regelde alles met de eigenaar van het terrein, [getuige 3].

Op 23 augustus 2007 verklaart [medeverdachte] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Mijn roepnaam is [medeverdachte]. Het bedrijf [bedrijfsnaam 2] doet nog niks. Ik ben met het spuiten van kozijnen begonnen op naam van [bedrijfsnaam 2].

Op 3 september 2007, 10.55 uur, verklaart [medeverdachte] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 6 maart 2007 was ik rond 13.00-14.00 uur bij en in de loods in Beringe. Ik zag dat [verdachte] en [naam] in de loods waren.

Op 3 september 2007, 14.10 uur, verklaart [medeverdachte] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 5 maart 2007 kwam ik het terrein in Beringe opgereden. Ik zag dat [verdachte] in paniek was. Ik zag [verdachte] aan de achterzijde van de loods aan de kant van die buurman. [verdachte] zei tegen mij dat hij een hoop problemen hierdoor zou krijgen. [verdachte] liet mij plaatsen zien waar olie lag. Dit was voornamelijk bij de buurman op het terrein. Ik zag een gat met water en daar bovenop een soort olielaag. Ik ben het terrein van de buurman die er zelf ook was opgelopen. Ik heb een emmer gepakt. Met die emmer heb ik de olielaag uit het gat met water geschept. Vervolgens heb ik die emmer met die olielaag omgekiept in een waterbak. Op de foto die u mij toont zie ik een waterbak waarover ik verklaar. Ik ben ongeveer een uur bezig geweest met die emmer. Ik zag dat [verdachte] bezig was met een dompelpomp. Ik zag dat [verdachte] die vloeistof middels die dompelpomp aan het lozen was in een putje op het terrein van onze loods. Ik denk dat [verdachte] ook een uur is bezig geweest. De buurman heeft nog tegen [verdachte] gezegd dat hij problemen zou krijgen door dat pompen van die vloeistof in dat putje. Verder heb ik de zoon van de eigenaar gezien en de eigenaar [getuige 3]. Er was nog iemand bij aanwezig.

De verbalisant relateert in voormeld proces-verbaal – zakelijk weergegeven – :

Aan [medeverdachte] werd fotoblad 5 getoond met daarop een afbeelding van IBC’s.

De betreffende foto – fotoblad 5 – is bij dit proces-verbaal gevoegd.

Op 4 september 2007, 13.50 uur, verklaart [medeverdachte] – zakelijk weergegeven – als volgt:

De Polen die gewerkt hebben in en om de loods in Beringe heten [getuige 1] en [getuige 2].

De rechtbank heeft waargenomen dat op de aan de getuigen getoonde foto’s in het dossier te zien is dat telkens op fotoblad 1 verdachte is afgebeeld en dat op fotoblad 3 telkens de medeverdachte [medeverdachte] is afgebeeld.

DIBK

In het dossier bevindt zich een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 22 mei 2007, welk rapport – zakelijk weergegeven – het volgende inhoudt:

Naar aanleiding van een lozing op de bodem en het (bedrijfs)riool in de nacht van 6 op 7 maart 2007 is de vraagstelling ontvangen:

1. is diisobutylketon verontreinigend voor lucht, bodem en/of water:

2. wat zijn de gezondheidsrisico’s voor de mens bij blootstelling aan diisobutylketon?

Conclusie:

1. Diisobutylketon is een milieuvreemde stof en daarom verontreinigend, hetgeen gepaard kan gaan met schadelijke effecten. De stof heeft in het milieu een voorkeur voor de dampfase en zal makkelijk verdampen vanaf de bodem en het oppervlaktewater. Eventuele schadelijke milieueffecten zijn daarom van tijdelijke aard.

2. Diisobutylketon is ingedeeld als een gevaarlijke stof (bijlage 1 van Richtlijn 67/548/EEG). Inademing van diisobutylketon kan leiden tot irritatie van de luchtwegen waarbij keelpijn, hoesten en hoofdpijn kan optreden. Daarnaast is de stof irriterend voor de huid. De gemelde klachten over stank en irritatie van de luchtwegen in de omgeving van de lozing passen bij diisobutylketon. De stof is niet erg toxisch en er zijn geen aanwijzingen dat er een risico is geweest op blijvend letsel.

In het dossier bevindt zich een veiligheidsinformatieblad met betrekking tot Diisobutylketon. Dit blad houdt onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende in:

materiaalnaam : diisobutylketon;

toepassingen : alleen gebruiken als oplosmiddel in industriële productieprocessen.

Identificatie van de gevaren:

Gezondheidsrisico’s:

- irriterend voor de ademhalingswegen. Dampen kunnen slaperigheid en duizeligheid veroorzaken. Kan lichte huidirritatie veroorzaken. Licht irriterend voor de ogen.

Gevaren voor de veiligheid:

- brandbare bloeistof en damp. De dampen zijn zwaarder dan lucht. Dampen kunnen zich langs het grondoppervlak verplaatsen en bij veraf gelegen ontstekingsbronnen komen, met het gevaar van terugslaande brand.

Gevaren voor het milieu:

- schadelijk voor in het water levende organismen. Kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.

Het terecht komen van de DIBK in de Maas

[medewerker gemeente Helden], medewerker civieltechniek, gemeente Helden, verklaart op 28 juni 2007 – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben belast met het beheer en onderhoud van de riolering. Vanuit die functie ben ik op de hoogte van het functioneren van de riolering. Op het industrieterrein ligt een zogenaamd verbeterd gescheiden rioolstelsel. Dat betekent dat er zowel een vuilwaterstelsel als een regenwaterstelsel is gelegen. Het regenwaterstelsel wordt via gemalen geloosd in het vuilwaterstelsel en het vuilwaterstelsel wordt via een gemaal geloosd naar de voormalige zuivering aan de Stogger in Helden. Van hieruit wordt het water getransporteerd naar de zuivering in Blerick, gemeente Venlo. Op de openbare weg zijn controleputten gelegen. De putten langs de weg worden kolken genoemd. Ik weet dat op het bedrijfsterrein [adres 1] een kolk ligt. Normaal gesproken is deze aangesloten op het hoofdriool van het regenwaterstelsel.

De verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 9] relateren – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 10 juli 2007 werd door ons onderzoek gedaan naar de wijze van afvoer van het afvalwater/hemelwater dat terecht komt in de kolk / het afvoerputje, gelegen op het buitenterrein van het perceel [adres 1] te Beringe, ter hoogte van de erfafscheiding met het perceel [adres] te Beringe. Door een ambtenaar van de gemeente Helden werd in het betreffende afvoerputje een hoeveelheid ‘fluoricine’ toegevoegd. Dit is een kleurstof met fluorescerende werking, die gedurende langere tijd zichtbaar blijft. Vervolgens werd onder druk een hoeveelheid water in bovengenoemde kolk gepompt. Op de openbare weg, de [adres] te Beringe werden 2 putdeksels geopend van het gemeentelijk openbaar rioolstelsel. Dit betroffen de putdeksels van respectievelijk het vuilwaterriool en het hemelwaterriool. Na verloop van enige tijd zagen wij het water met de fluorescerende stof verschijnen in het rioolstelsel voor vuilwater. Wij zagen dat het afvalwater van daaruit werd getransporteerd in de richting van [huisnummer]. Op basis hiervan werd aangetoond dat het bovengenoemde afvoerputje/kolk, gelegen op het perceel [adres 1] te Beringe, is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel en wel het vuilwaterriool en daarmee op het moment van de controle in open verbinding stond. Aan mij, [verbalisant 6], werd door de heer [medewerker gemeente Helden], medewerker civieltechniek bij de gemeente Helden, aangegeven hoe het afvalwater vanaf het terrein [adres 1] te Beringe zijn weg heeft vervolgd via het gemeentelijk riool, naar gemaal A. Uiteindelijk komt het afvalwater dan terecht bij de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Blerick/Venlo.

In het dossier bevindt zich een schrijven van het dagelijks bestuur van waterschap Peel en Maasvallei d.d. 31 januari 2008, welk schrijven onder meer – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Voor het incident dat heeft plaatsgevonden met betrekking tot het lozen van Diisobutylketon op de gemeentelijke riolering, in maart 2007, in de gemeente Helden, kan geen vergunning worden verleend in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De stof Diisobutylketon wordt beschouwd als een afvalstof, die wordt geloosd op de riolering. De stof Diisobutylketon is via onze zuiveringstechnische werken (onder andere rioolwaterzuiveringsinstallatie Venlo) geloosd op het oppervlaktewater De Maas en in het effluent is nog een aanzienlijke hoeveelheid van deze stof aangetroffen.

In het dossier bevindt zich een rapport van het Directoraat-generaal Rijkswaterstaat d.d. 29 januari 2008, nummer J 3139, welk rapport – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Monstergegevens:

- meetpunt: meetgoot effluent biologische zuivering van de RWZI te Venlo;

- datum: gedurende de periode van 8 t/m 13 maart 2007;

- monsternemer: [naam], RWS LB;

- RIZA kenmerk: 2007106303 t/m 2007106311, 2007106325 en 2007106326.

Resultaten:

- Zie bijgaande analyserapporten 2007106303 t/m 2007106311, 2007106325 en 2007106326.

In het dossier bevinden zich analyserapporten van de Waterdienst van Rijkswaterstaat , welke rapporten onder meer – zakelijk weergegeven – inhouden:

monsternummer: 2007106303:

- RWZI Venlo;

- datum bemonstering: 8 maart 2007, 18.30;

- parameter: DIBK = 9.1 mg/l.

monsternummer: 2007106304:

- RWZI Venlo;

- datum bemonstering: 9 maart 2007, 11.00;

- parameter: DIBK = 6.5 mg/l.

monsternummer: 2007106305:

- RWZI Venlo;

- datum bemonstering: 9 maart 2007, 10.00;

- parameter: DIBK = 3.1 mg/l.

monsternummer: 2007106306:

- RWZI Venlo;

- datum bemonstering: 10 maart 2007, 9.05;

- parameter: DIBK = 0.7 mg/l.

monsternummer: 2007106307:

- RWZI Venlo;

- datum bemonstering: 9 maart 2007, 9.00;

- parameter: DIBK = 1.9 mg/l.

monsternummer: 2007106308:

- RWZI Venlo;

- datum bemonstering: 11 maart 2007, 10.10;

- parameter: DIBK = 0.06 mg/l.

monsternummer: 2007106309:

- RWZI Venlo;

- datum bemonstering: 10 maart 2007, 10.00;

- parameter: DIBK = 0.2 mg/l.

monsternummer: 2007106310:

- RWZI Venlo;

- datum bemonstering: 12 maart 2007, 10.15;

- parameter: DIBK = 0.001 mg/l.

monsternummer: 2007106311:

- RWZI Venlo;

- datum bemonstering: 11 maart 2007, 10.05;

- parameter: DIBK = 0.030 mg/l.

monsternummer: 2007106325:

- RWZI Venlo;

- datum bemonstering: 12 maart 2007, 10.15;

- parameter: DIBK = 0.002 mg/l.

monsternummer: 200710632626:

- RWZI Venlo;

- datum bemonstering: 13 maart 2007, 11.00;

- parameter: DIBK &lt; 0.0005 mg/l.

Op 23 mei 2007 verklaart [medewerker waterschap] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben werkzaam als senior operator bij het Waterschapsbedrijf Limburg te Roermond. Deze functie behelst het toezicht houden op de procesvoering van de rioolwaterzuivering te Blerick, gemeente Venlo. Deze rioolwaterzuivering is een regionale installatie met een groot afstroomgebied, waaronder de gemeente Helden. Op 8 maart 2007 om 08.00 uur werd ik gewaarschuwd dat er iets vreemds aan de hand wat op de zuiveringsinstallatie. Wij namen een uitzonderlijke geur waar bij het effluent dat wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater van de rivier de Maas. In de loop van donderdag 8 maart 2007 ontving ik informatie omtrent de vermoedelijke aard van de stof die via het influent aangevoerd werd. Dit zou betreffen de stof diisobuthylketon, die afkomstig was van het rioolgemaal in Helden.

In het bijzonder ten aanzien van de feiten 2 primair en 3:

De verdachte heeft ter terechtzitting van 5 september 2012 onder meer verklaard dat hij na 3 of 4 maart 2007 niet bij of in de loods [adres 1] te Beringe is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring als kennelijke leugenachtige verklaring van de verdachte aan te merken, bedoeld om de waarheid te bemantelen. De leugenachtigheid van deze verklaring blijkt uit de hiervoor weergegeven verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [medeverdachte], die allen verdachte op 5 en/of 6 maart 2007 op het perceel [adres 1] te Beringe hebben gezien.

Ten aanzien van het feit 5 subsidiair:

De verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 10] relateren – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 27 november 2006 werd door ondernemer [benadeelde partij 2] bij de politie te [plaatsnaam], Duitsland, aangifte gedaan van de diefstal van een vrachtauto met aanhanger. De vrachtauto was van het merk Scania en voorzien van het Duitse kenteken [kenteken]. De diefstal werd gepleegd tussen 25 november 2006 en 27 november 2006. Uit onderzoek van de Duitse collega’s werd op basis van het in Duitsland bestaande tol-/heffingssysteem vastgesteld dat genoemd voertuig op 27 november 2006 ’s nachts bij Straelen/Venlo de Duits/Nederlandse grens is gepasseerd.

De verbalisant [verbalisant 11] relateert – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 8 maart 2007 heb ik een onderzoek ingesteld naar aanleiding van de diefstal van een oplegger met een lading van 27.120 liter Diisobutylketon. Op het adres [adres 1] te Beringe, bevond zich een loods. Naast het bedrijf stond een rode containerwagen, merk Scania. Aan de voorzijde waren enkele onderdelen gedemonteerd. Deze vrachtauto was niet voorzien van een kenteken. In het chassis werd door mij het [chassisnummer] aangetroffen. Volgens de gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer was voor dit voertuig geen Nederlands kenteken afgegeven. Navraag bij Scania leerde mij dat het voertuig was geleverd aan een dealer in Duitsland. Uit onderzoek van een collega van KLPD bleek dat de betreffende rode Scania gesignaleerd stond als gestolen. Het voertuig is voorzien geweest van het kenteken [kenteken].

De verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 10] relateren – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 26 maart 2007 werd door ons een rode Scania vrachtwagen bekeken, die op 13 maart 2007 in beslag werd genomen op het perceel [adres 1] te Beringe, gemeente Helden. Het voertuig was voorzien van het cassisnummer [chassisnummer]. Wij zagen dat er kennelijk delen aan en om de cabine van deze vrachtwagen gedemonteerd waren en dat de betreffende delen in de cabine lagen. Er bevond zich een contactsleutel bij dit voertuig. Ik, [verbalisant 10], hoorde en zag dat de vrachtwagen werd gestart. Wij zagen dat het slot van de portiergreep van het bijrijdersportier kennelijk was geforceerd. Door mij, [verbalisant 10], werd de tape die rondom de plaats zat waar het rechter portierslot had gezeten, verwijderd. Ik zag dat kennelijk met een scherp voorwerp enkele keren ter hoogte van dit slot was gestoken. Door mij, [verbalisant 10], werd getracht met de contactsleutel de portiersloten te bedienen, echter dit lukte niet. Gezien het feit dat in de regel met de contactsleutel tevens de sloten van de portieren van het voertuig te bedienen zijn en mede gezien de braaksporen aan een van de portieren, is het niet uit te sluiten dat de vrachtwagen na de diefstal werd voorzien van een ander contactslot.

De verbalisant [verbalisant 10] relateert – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 21 december 2006 was door de politie regio Brabant Noord een onderzoek ingesteld op het adres [adres] te Overloon. Tijdens het onderzoek aldaar naar de aanwezigheid van een hennepkwekerij werd onder meer een rode Scania vrachtwagen aangetroffen. In dit onderzoek werden onder andere als verdachten gehoord:

- [verdachte];

- [medeverdachte]

[verdachte] verklaarde onder andere, samen met [medeverdachte], aldaar het bedrijf [bedrijfsnaam 3] te hebben en dat de rode Scania van [bedrijfsnaam 3] was en bestemd was voor de handel.

Op 23 augustus 2007 verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

Die rode Scania vrachtauto, die vanuit de loods in Overloon is overgebracht naar de loods in Beringe hebben ze bij mij neergezet. Dat was die [getuige 1] de Duitse Pool. Na het voorval in Overloon heb ik niets meer van hem gehoord. Ik heb die Scania in Beringe neergezet.

[benadeelde partij 2] verklaart op 14 april 2007 – zakelijk weergegeven – als volgt:

De verbalisant stelt in voormeld proces-verbaal aan [benadeelde partij 2] voormeld de vraag:

Zojuist werd u bij een takelbedrijf te Venlo geconfronteerd met een rode Scania vrachtwagen, die volgens het chassisnummer de vrachtwagen betreft, waarvan u aangifte heeft gedaan. Wat is uw reactie daarop?

Naar aanleiding van mijn op 27 november 2006 gedane aangifte bij de politie in Duitsland van de diefstal van een vrachtwagen met aanhangwagen verklaar ik nader. U heeft mij zojuist een rode Scania getoond. De vrachtwagen die u mij getoond heeft herken ik voor 100% terug als mijn vrachtwagen. Ik herken alle onderdelen van de aan mij getoonde foto’s van de onderdelen die in de cabine werken aangetroffen terug.

Op 23 augustus 2007 verklaart [medeverdachte] – zakelijk weergegeven – als volgt:

Het bedrijf in Overloon heette [bedrijfsnaam 3]. U toont mij enkele foto’s van een voertuig. Volgens mij is dat die rode Scania. Ik heb dat portier geplamuurd. Het is in de loods in Overloon geweest dat ik daaraan gewerkt heb. De vrachtwagen zou opnieuw gespoten worden en verkoopklaar gemaakt. Ik heb dit gedaan op verzoek van [verdachte].

De verbalisant stelt in voormeld proces-verbaal aan [medeverdachte] voormeld de vraag:

Luister [medeverdachte], die rode Scania waar we het hier steeds over hebben, die blijkt ontvreemd te zijn, al in 2006. Wat weet je daarvan?

[medeverdachte] verklaart voorts – zakelijk weergegeven – als volgt:

Toen de politie van Boxmeer die inval in Overloon had gedaan, heb ik gehoord dat er iets met die rode Scania was. [verdachte] vertelde dat daar niks mee aan de hand was. Hij vertelde dat hij deze van een Duitser had gekocht, van ene [naam].

Ter terechtzitting verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

Die rode Scania stond in mijn loods in Overloon. Wij zouden die Scania opknappen. Die Scania is door een Poolse jongen genaamd [getuige 1] in de loods neergezet. Na de inval in Overloon heb ik die [getuige 1] niet meer gezien. Bij de Scania zaten geen papieren.

Bewijsoverwegingen:

Ten aanzien van feit 2

Met betrekking tot het door de officier van justitie vermelde artikel 2 van het Lozingenbesluit bodembescherming , dat stelt dat het besluit niet van toepassing is op een lozing in de bodem, waarop het Besluit lozen buiten inrichtingen van toepassing is, merkt de rechtbank op dat deze uitzonderingsbepaling in het besluit is opgenomen vanaf 1 juli 2011. Naar het oordeel van de rechtbank dient te worden uitgegaan van het Lozingenbesluit bodembescherming van 8 december 1997 dat gold ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Daarin is geen sprake van genoemde uitzonderingsbepaling. Ambtshalve merkt de rechtbank op dat sprake is van een andere ordening van het besluit en geen sprake van een gewijzigd inzicht van de wetgever.

Ten aanzien van feit 2 en 3

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat [bedrijfsnaam 2] ter zake de feiten 2 en 3 als verdachte dient te worden aangemerkt en niet verdachte overweegt de rechtbank dat het verdachte is geweest, die de loods in Beringe heeft gehuurd en dat verdachte samen met zijn medeverdachte de tankauto heeft laten leeglopen op het terrein behorende bij die loods. De getuige [getuige 3] verklaart dat hij de afspraken met betrekking tot de huur van de loods en het terrein op de [adres 1] met verdachte heeft gemaakt en dat toen het huurcontract op verzoek van verdachte op naam van [bedrijfsnaam 2] moest worden gezet, maar dat dit contract niet meer is ondertekend. [medeverdachte] verklaart dat het bedrijf nog in opstart was en dat hij zijn schilderswerkzaamheden in [bedrijfsnaam 2] wilde onderbrengen. Voorts is volgens het register van de Duitse kamer van koophandel het doel van de door [bedrijfsnaam 2] gedreven onderneming de in- en export van motorvoertuigen. [bedrijfsnaam 2] heeft volgens deze doelomschrijving dus niets te maken met de sloop van een in Nederland gestolen tankwagen waarvan het na de sloop beschikbare metaal in Nederland bij de oud ijzer handel is ingeleverd. Gelet hierop hebben de verdachten samen, als natuurlijke personen, de feiten begaan.

Door de raadsman is voorts aangevoerd dat de verklaring van [getuige 1] niet betrouwbaar is, nu deze bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de politie hem al had verteld dat [verdachte] en [medeverdachte] de substantie hadden geloosd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De verklaring van [getuige 1] is geheel in lijn met de andere bewijsmiddelen in deze zaak. De rechtbank wijst in dit kader voorts op de verklaring van [getuige 2], die voor wat betreft de rol van verdachte nog meer details weet te verklaren.

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat vrijspraak dient te volgen omdat alle getuigen een reden hebben – hun eigen belang – om belastende verklaringen af te leggen, overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat een of meer getuigen ten onrechte belastend hebben verklaard. Bovendien vinden de verklaringen van de getuigen – ook op essentiële onderdelen – steun in elkaar.

Ten aanzien van feit 3

Met betrekking tot feit 3 is door de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende causaal verband is tussen de lozing van de DIBK op het perceel te Beringen en het terechtkomen van deze stof kilometers verder in de Maas. Verdachte heeft volgens de verdediging voorts geen enkele opzet gehad op het terechtkomen van de stof in de Maas. Verdachte heeft ook geen kennis van de loop van de riolering. Een en ander dient volgens de verdediging te leiden tot vrijspraak.

Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen, nu duidelijk is dat verdachte en zijn mededader de DIBK hebben laten lopen op de grond van de [adres 1] te Beringe en vervolgens onder meer de vloeistof in de straatkolk op het terrein hebben laten lopen. Dit leeg laten lopen van de tanker was een bewuste actie omdat het de bedoeling was deze gestolen tanker in stukken te snijden en vervolgens in te leveren bij de oud ijzer handel en een volle tanker niet ontmanteld kan worden. De opzet van verdachte was dus wel degelijk gericht op het leeg laten lopen van de tanker op het terrein achter de loods. Dat het opzet van verdachte niet gericht was op het plegen van de tenlastegelegde milieudelicten is in dezen niet relevant. Voor zover de DIBK niet vanzelf door de lozing op het terrein in de op het terrein gelegen afvoerkolk is terecht gekomen, hebben verdachte en zijn mededader daar vervolgens nog actief aan bijgedragen door door middel van het bijeenschrapen van vloeistof met trekkers en het doen afpompen door middel van een dompelpomp, waardoor de vloeistof in de afvoerkolk werd gepompt. Ook het argument dat verdachte geen kennis heeft van het rioolstelsel en dus ook geen (voorwaardelijk) opzet kan hebben gericht op het terechtkomen van de DIBK in de Maas is niet ter zake doend. Het is een feit van algemene bekendheid dat rioolwater ofwel rechtstreeks ofwel via een rioolwaterzuiveringsinstallatie in een oppervlaktewater wordt gebracht. Verdachte wist dus dat de vloeistof die via de afvoerkolk afgevoerd werd uiteindelijk in een oppervlaktewater terecht zou komen. Voor het bewijs van dit delict is verder niet van belang is of verdachte wist dat dit oppervlaktewater de Maas was. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank sprake van causaal verband tussen de lozing van de DIBK te Beringe en het terechtkomen van deze stof in de Maas. Dit blijkt uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen en met name uit hetgeen door [medewerker gemeente Helden] van de gemeente Helden en door [medewerker waterschap] van het Waterschapsbedrijf Limburg, is verklaard, het proces verbaal van [verbalisant 6] en [verbalisant 9] met betrekking tot de test met de fluorescerende stof, alsmede uit het schrijven van het Waterschap Peel en Maasvallei d.d. 31 januari 2008.

Ten aanzien van feit 4

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de tanker tussen 4 maart 2007 te 15.00 uur en 5 maart 2007 is gestolen te Helmond en dat dezelfde tanker, na de lozing van de inhoud, reeds op 5 maart 2007 is gezien in de loods in gebruik bij verdachte en zijn mededader. Verdachte en zijn mededader hebben zoals gezegd de inhoud van de tanker geloosd en vervolgens de tanker gesloopt. Gelet op de korte tijdspanne tussen diefstal en ontmanteling door verdachte en de kapitaalvernietiging die deze sloop tot gevolg heeft gehad, kan het niet anders zijn dan dat verdachte en zijn mededader wisten dat deze tanker van misdrijf afkomstig was. Te meer daar deze handelwijze niet anders op grond van economische motieven te rechtvaardigen is.

Ten aanzien van feit 5

Met betrekking tot de stelling van de verdediging dat de verdachte voor de aanwezigheid van de rode Scania een verklaring heeft, die duidt op een normale, zakelijke transactie van [bedrijfsnaam 3], overweegt de rechtbank als volgt. Van verdachte, die met [bedrijfsnaam 3] onder meer vrachtauto-onderdelen exporteert naar het buitenland, mag verwacht worden dat hij zich op de hoogte stelt van regels met betrekking tot die handel. In de loods van verdachte, zowel in Overloon als in Beringe, heeft geruime tijd een vrachtwagen heeft gestaan, zonder kenteken en zonder dat daarbij papieren aanwezig waren. Bovendien was sprake van zichtbare braakschade aan deze auto en was er een ander contactslot aangebracht. Voorts acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat een verder niet aan te duiden “[getuige 1]” hem de Scania ter reparatie heeft gegeven en voorts in consignatie voor de verkoop volstrekt onaannemelijk. Uit de bewijsmiddelen vloeit voort dat verdachte de Scania reeds maanden onder zich had. De reparatie was nog steeds niet klaar, verdachte had zijn bedrijvigheden verplaatst van Overloon naar Beringe en voornoemde “[getuige 1]” heeft zich volgens verdachte al die tijd niet gemeld. Op grond van deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte wist dat deze Scania van misdrijf afkomstig was.

7.4. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, het onder 3, het onder 4 subsidiair en het onder 5 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij in de periode van 4 maart 2007 tot en met 7 maart 2007 in de gemeente Helden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een lozing van overige vloeistoffen, te weten Diisobuthylketon, in de bodem heeft uitgevoerd;

3.

hij in de periode van 4 maart 2007 tot en met 7 maart 2007 in de gemeente Helden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk zonder vergunning, met behulp van een werk, te weten een rioolstelsel, Diisobuthylketon, zijnde een afvalstof, verontreinigende of schadelijke stof, heeft gebracht in het oppervlaktewater de Maas;

4.

hij in de periode van 4 maart 2007 tot en met 7 maart 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een trailer, gekentekend [kenteken], voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die trailer, wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5.

hij in de periode van 25 november 2006 tot en met 7 maart 2007 in Nederland, een vrachtauto (Scania), voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van die vrachtauto, wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

T.a.v. feit 2 primair:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 6 van de Wet bodembescherming , opzettelijk begaan, strafbaar gesteld bij artikel 1a juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten .

T.a.v. feit 3:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (oud), opzettelijk begaan, strafbaar gesteld bij artikel 1a juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten .

T.a.v. feit 4 subsidiair:

medeplegen van opzetheling, strafbaar gesteld bij artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 5 subsidiair:

opzetheling, strafbaar gesteld bij artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 5 september 2012 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4 subsidiair en 5 subsidiair zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 2 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat hij bij het formuleren van zijn eis rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en dat hij anders een gevangenisstraf voor de tijd van 2 jaar en 9 maanden zou hebben gevorderd.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat het tijdsverloop tussen ten laste gelegde pleegdatum en de zitting ruim 5 jaar is geweest. Dit verdient naar de mening van de raadsman een forse korting op de strafmaat. Daarenboven is het risico voor het milieu en de volksgezondheid beperkt gebleven. Voorts heeft de raadsman gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die een gezin heeft en een ander bedrijf heeft gesticht, waar hij niet gemist kan worden. Een gevangenisstraf is naar de mening van de raadsman niet op zijn plaats. De raadsman stelt zich op het standpunt dat – bij bewezenverklaring – volstaan kan worden met een gevangenisstraf die gelijk is aan het ondergane voorarrest, met een voorwaardelijke straf, eventueel in combinatie met een werkstraf.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Bewezen verklaard is dat verdachte twee vrachtwagens heeft geheeld. Voorts is bewezen verklaard dat verdachte zich, samen met zijn medeverdachte, heeft ontdaan van de in één van de tanks bevindende DIBK, dit door op het terrein van de [adres 1] te Beringe, gewoonweg de tank te laten leeglopen, zonder zich ook maar enigszins te bekommeren om de milieuschade of de schade voor de volksgezondheid die dit teweeg kon brengen. De voor hem en zijn medeverdachte werkende Polen hadden, door de stof, die brandbaar kon zijn, ernstig letsel kunnen oplopen toen zij werkten aan het in stukken snijden van de tank. Anderzijds hebben verdachte en zijn mededader zelf ook een gezondheidsrisico gelopen. Verdachte heeft dit alles voor eigen gewin gedaan, hij wilde geld verdienen aan de opbrengst van het metaal van de vrachtwagen. Dat het gevolg hiervan uiteindelijk is meegevallen, is geen verdienste van verdachte of zijn medeverdachte te noemen. De schade die de handelwijze van verdachte en zijn medeverdachte heeft teweeg gebracht is bijzonder hoog geweest, zowel voor de overheid als voor de andere slachtoffers. Verdachte heeft geen enkele moeite gedaan om de schade te vergoeden. Daarenboven hebben de milieufeiten in de gemeente Helden veel commotie en onrust bij de bewoners teweeg gebracht.

Verdachte had bij het plegen van de feiten een leidende rol. Bovendien heeft verdachte geen enkel inzicht getoond in het laakbare van zijn handelwijze.

Met betrekking tot de redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt. De redelijke termijn is aangevangen op 21 augustus 2007, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. Het betreft ingewikkelde zaken en het proces-verbaal is op 7 maart 2008 gesloten. Eerst op 28 april 2010 is de zaak voor de eerste maal ter terechtzitting behandeld. Toen is de zaak aangehouden, omdat er op verzoek van de verdediging getuigen moesten worden gehoord bij de rechter-commissaris. De laatste getuige is op 29 september 2011 door de rechter-commissaris gehoord. Vervolgens is de zaak op 2 maart 2012 opnieuw aangevangen. De zaak is opnieuw aangehouden, omdat de benadeelde partijen niet waren opgeroepen. De inhoudelijke behandeling heeft vervolgens op 5 september 2012 plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat de behandeling niet is afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar en dat er aldus sprake is van een behoorlijke schending van de redelijke termijn. Dit dient naar het oordeel van de rechtbank te leiden tot strafvermindering.

Het feitencomplex rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer oplegging van een gevangenisstraf. Als uitgangspunt hanteert de rechtbank voor heling van een vrachtwagen een gevangenisstraf van 3 maanden. De milieudelicten wegen voor de rechtbank bijzonder zwaar, zodat de rechtbank, zonder het tijdsverloop, voor de bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden zou hebben opgelegd. Gelet op het tijdsverloop acht de rechtbank thans een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden.

Tenslotte heeft de rechtbank ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte gelet op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 augustus 2012, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

10.4. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij], waarvan de voormalige [gemeente], waaronder Beringe viel, sinds 1 januari 2010 deel uit maakt, gevestigd te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van de hiervoor onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten geleden materiële schade.

[benadeelde partij] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 56.473,50 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

De officier van justitie heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij gevorderd dat deze geheel wordt toegewezen en voorts gevorderd de schademaatregel op te leggen.

De raadsman heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij gepleit om deze niet ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen.

Ten laste van verdachte zijn de hiervoor onder 2 primair en onder 3 ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en verdachte zal ter zake van die feiten worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de gedocumenteerde vordering, die door verdachte onvoldoende is weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 56.473,50.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededader, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 56.473,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 306 dagen, te betalen ten behoeve van de [benadeelde partij] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 57, 63, 91, 416.

Wet op de economische delicten art. 1a, 2, 6.

Wet bodembescherming art. 6.

Lozingenbesluit bodembescherming art. 25 (oud).

Wet verontreiniging oppervlaktewateren (oud) art. 1.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 1, het sub 4 primair en het sub 5 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 2 primair, het sub 3, het sub 4 subsidiair en het sub 5 subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezen verklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij],

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres], te betalen een bedrag van € 56.473,50;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededader is voldaan;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van

€ 56.473,50, subsidiair 306 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer van de feiten 2 primair en 3 genaamd [benadeelde partij], [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 56.473,50 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of zijn mededader aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, M.B.T.G. Steeghs en P.M.S. Dijks, rechters, van wie mr. M.B.T.G. Steeghs voorzitter, in tegenwoordigheid van C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 19 september 2012.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature