< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling voor brandstichting en vrijspraak van brandstichting met het oogmerk om de verzekering op te lichten.

Daar verdachte terminaal ziek is en hij oprecht spijt heeft betuigd, wordt hem, in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden, een voorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden opgelegd.

Uitspraak



RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700454-12

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 september 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. C.G.M.C. Schyns, advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 augustus 2012, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Namens de benadeelde partij Hestia Groep is niemand ter terechtzitting verschenen.

De zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten [naam medeverdachte 1] (parketnummer 03/703093-12) en [naam medeverdachte 2] (parketnummer 03/700465 12).

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen brand heeft gesticht in de woning Prickenleenstraat 53 te Landgraaf, waardoor personen en goederen in gevaar werden gebracht;

feit 2: samen met anderen brand heeft gesticht in de woning Prickenleenstraat 53 te Landgraaf met het doel de verzekering op te lichten.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Inleiding

Op 21 november 2011, omstreeks 04:00 uur, werd bij de Regionale Brandweer een woningbrand gemeld op het adres Prickenleenstraat 53 te Landgraaf. Zowel brandweer als politie ging ter plaatse. Het bleek te gaan om een uitslaande brand, waarbij de vlammen uit het raam van de woonkamer sloegen. Uiteindelijk is gebleken dat er sprake was van brandstichting.

Op verdenking van het medeplegen van de brandstichting werden drie personen aangehouden, te weten verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2].

Verdachte heeft bekend dat hij de brand heeft gesticht.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen in die zin dat verdachte de brand samen met anderen, te weten de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2], heeft gesticht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Het ten laste gelegde levensgevaar kan volgens hem niet worden bewezenverklaard.

De officier van justitie baseert zijn bewezenverklaring op de verklaring van verdachte van 27 mei 2012, de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 2] van 30 mei 2012 en de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 1] van 27 mei 2012. Op grond hiervan gaat hij ervan uit dat er sprake is geweest van een door hen drieën geplande actie die feitelijk door medeverdachte [naam verdachte] werd uitgevoerd.

Ten aanzien van feit 2

Ook feit 2 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Hiervoor verwijst hij naar dezelfde bewijsmiddelen als ten aanzien van feit 1, alsmede op de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 2] dat de brand onder meer gesticht was om de verzekeringsmaatschappij op te lichten en de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 1] dat zij de verzekeringsmaatschappij heeft gebeld.

3.3 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van de brandstichting refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het ten laste gelegde levensgevaar voor anderen. Verdachte zou immers alles hebben gedaan om gevaar voor anderen te vermijden.

Ten aanzien van feit 2

Ten aanzien van de brandstichting met als doel de oplichting van de verzekering pleit de verdediging voor een vrijspraak, nu verdachte niet wist dat de inboedel was verzekerd. Ook medeverdachte [naam medeverdachte 1] verklaarde dat zij dit niet wist. De andersluidende verklaring van [naam medeverdachte 2] wordt door de verdediging als onbetrouwbaar bestempeld.

3.4 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Medeplegen

Medeplegen vereist een nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers willen en wetens samenwerken tot het verrichten van de verweten strafbare gedraging, in dit geval de brandstichting. Niet nodig is dat alle medeplegers de uitvoeringshandeling mede verrichten, maar de samenwerking moet wel intensief zijn.

De rechtbank stelt vast dat de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] met betrekking tot de brandstichting geen uitvoeringshandeling hebben verricht en dat zij evenmin bij de brandstichting aanwezig zijn geweest. De vraag luidt vervolgens of deze medeverdachten ter uitvoering van een gezamenlijk plan zo nauw en bewust met verdachte hebben samengewerkt dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat zij de brandstichting tezamen en in vereniging met verdachte hebben gepleegd.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het dossier slechts af te leiden dat verdachte met de medeverdachten [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] weken vóór de brand over een mogelijke brandstichting heeft gesproken en dat deze medeverdachten wisten dat verdachte van plan was op enig moment brand te stichten. Verder is medeverdachte [naam medeverdachte 2] verdachte nog behulpzaam geweest bij de brandstichting, maar deze hulp reikt naar het oordeel van de rechtbank niet verder dan medeplichtigheid. De betrokkenheid van de medeverdachten kan niet worden beschouwd als een nauwe en bewuste samenwerking ter uitvoering van een gezamenlijk plan.

Nu van andere mededaders niet is gebleken, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het medeplegen van de brandstichting.

Het bewijs

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bevindingen van de politie op 21 november 2011;

- het feit dat de goederen in de woning nagenoeg geheel waren verwoest;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 31 augustus 2012;

- de verklaring van [naam medeverdachte 1].

De rechtbank volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen, nu verdachte het feit, voor zover het wordt bewezenverklaard, heeft bekend en er ter terechtzitting geen vrijspraak is bepleit van hetgeen wordt bewezenverklaard.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat door de brand levensgevaar voor personen is ontstaan, nu het betreffende pand en de naastgelegen woningen in de straat al leeg stonden en op de nominatie stonden om gesloopt te worden.

Ten aanzien van feit 2

Onder feit 2 is ten laste gelegd het medeplegen van de brandstichting met het doel om de verzekering op te lichten. Zowel verdachte als medeverdachte [naam medeverdachte 1] heeft vanaf het begin ontkend te hebben geweten dat de inboedel in de woning Prickenleenstraat 53 te Landgraaf was verzekerd. Alleen medeverdachte [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat de brand onder meer gesticht is om de verzekering op te lichten en dat daarover gesproken is door verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 1].

Nu na afloop van de brand met de verzekeringsmaatschappij contact is opgenomen en door de verzekeringsmaatschappij geld is uitgekeerd, kan wellicht worden aangenomen dat er voldoende wettig bewijs is voor feit 2. De rechtbank heeft echter niet de overtuiging dat de brand werd gesticht met de bedoeling om de verzekeringsmaatschappij op te lichten. Hiertoe overweegt ze het volgende.

Ter terechtzitting heeft medeverdachte [naam medeverdachte 2] in haar eigen zaak verklaard dat ze niet meer weet of tevoren is gesproken over de oplichting van de verzekering en dat ze ook niet meer weet of ze dat tegen de politie heeft gezegd. Daarnaast is in het reclasseringsrapport dat over haar werd opgemaakt – dat weliswaar geen onderdeel is van het dossier in de zaak van verdachte, maar waarvan de rechtbank ambtshalve kennis draagt en dat ook bij de gelijktijdige behandeling ter terechtzitting is besproken – onder meer vermeld: ‘Mevrouw [naam medeverdachte 2] wil goed overkomen in het gesprek maar ze geeft haar eigen invulling van de waarheid. Het is niet duidelijk wat nu wel en niet klopt. Als rapportrice een suggestie doet, gaat ze hier meteen in mee. Verder is ze erg vergeetachtig en niet consequent in haar handelen. Ze is beïnvloedbaar, ook in de goede zin.’

Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van [naam medeverdachte 2], dat bij het spreken over een mogelijke brandstichting ook is gesproken over het oplichten van de verzekering, niet voldoende betrouwbaar om dit voor het bewijs te gebruiken.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 2.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op 21 november 2011 in de gemeente Landgraaf opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de Prickenleenstraat 53, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker in aanraking gebracht met een hoeveelheid spiritus die was uitgegoten in die woning, ten gevolge waarvan in die woning aanwezige goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen en die woning en een of meer belendende percelen te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder feit 1 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

ten aanzien van feit 1

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Voorts vordert hij de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Hiertoe brengt de officier van justitie naar voren dat brandstichting een ernstig strafbaar feit is en dat de schade in dit geval enorm is, niet in de laatste plaats omdat de woning als gevolg van de brand alsnog moest worden gesloopt conform het Asbestbesluit. Een brandstichting in een woning veroorzaakt bovendien gevoelens van angst voor de omwonenden. Hieraan heeft verdachte bijgedragen.

De strafeis wordt in grote mate gedrukt, omdat van levensgevaar geen sprake is geweest.

Voorts voert de officier van justitie aan dat het feit dat verdachte terminaal ziek is en dat het voorzienbaar is dat hij ten gevolge van zijn ziekte binnenkort zou kunnen overlijden, geen verschil mag uitmaken in de op te leggen straf. Verdachte heeft het over zichzelf afgeroepen dat hem een gevangenisstraf boven het hoofd hangt. Hij verdient geen andere behandeling dan een gezond iemand.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat de eis van de officier van justitie voor verdachte feitelijk neerkomt op een levenslange gevangenisstraf. Zij stelt dan ook voor om het advies van de reclassering op te volgen en verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan het voorarrest.

De vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis acht de verdediging onmenselijk.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft in een leegstaande woning brand gesticht. Hiertoe heeft hij in die woning midden in de nacht spiritus uitgegoten en deze in brand gestoken. De brand had een verwoestende uitwerking op het pand en de daarin aanwezige goederen. Een dergelijke brandstichting brengt veel gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, zeker in een buurt waar op dat moment al meer branden zijn gesticht. Verder heeft de brand schade veroorzaakt voor zowel de eigenaar van de woning, als de verzekeringsmaatschappij die ten gevolge van de brand verzekeringsgeld heeft uitgekeerd. Het is een gelukkige omstandigheid dat er geen gevaar voor personen werd veroorzaakt, mede in aanmerking genomen dat door de brand asbestdeeltjes zijn vrijgekomen.

Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden op zijn plaats.

Zoals de rechtbank dat in iedere zaak doet, zal zij ook in deze zaak rekening houden met de persoon van de verdachte en dus ook met het feit dat verdachte terminaal ziek is.

Gelet hierop en op het feit dat verdachte oprecht spijt heeft betuigd, zal de rechtbank de gevangenisstraf van tien maanden geheel voorwaardelijk opleggen.

Dit betekent dat de geschorste voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

6 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij Hestia Groep vordert een schadevergoeding van € 1.000,- terzake van feit 1.

De officier van justitie vordert de hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een derde deel.

De verdediging verzoekt de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet kan worden vastgesteld in hoeverre de extra kosten het gevolg zijn van de brandstichting.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde feit. Het schadebedrag van € 1.000,- wordt door de verdediging betwist. De rechtbank zal dit niettemin hoofdelijk toewijzen, nu zij de brandstichting wettig en overtuigend bewezen acht en zij de schade, op basis van de verklaring van Z. en het asbestinventarisatierapport, naar redelijkheid en billijkheid vaststelt op het bedrag van € 1.000,-.

Voorts wijst de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toe voor een bedrag van € 1.000,-, nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door het strafbare feit is toegebracht. Er is geen reden om, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, de schadevergoedingsmaatregel te beperken tot een derde deel van de schade.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f en 157 van het Wetboek van Strafrecht , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde onder 1 bewezen, zoals hierboven onder 3.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft op de (geschorste) voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij Hestia Groep, Ampèrestraat 11, 6372 BB Landgraaf van een bedrag van € 1.000,- (zegge: eenduizend euro);

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij Hestia Groep tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Hestia Groep een bedrag van € 1.000,- (zegge: eenduizend euro) te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij Hestia Groep vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. R.C.A.M. Philippart en mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 september 2012.

Buiten staat

Mr. R.C.A.M. Philippart is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1

hij op of omstreeks 21 november 2011 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan de Prickenleenstraat 53, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van)

zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een hoeveelheid spiritus die was uitgegoten in die woning, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan in die woning aanwezige goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen en/of die woning en/of een of meer belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in (de nabijheid van) die woning en/of belendende percelen bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

feit 2

hij in of omstreeks het tijdvak van 21 november 2011 tot en met 12 juni 2012 in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander te nadele van de verzekeraar ASR Schadeverzekering NV wederrechtelijk te bevoordelen, brand heeft/hebben

gesticht of een ontploffing teweeg heeft gebracht in enig tegen brandgevaar verzekerd goed, te weten het pand/woning gelegen aan de Prickenleenstraat 53.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature