< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Meerderjarige dochter vordert met terugwerkende kracht onderhoudsbijdrage van vader.

Op grond van 1:395a lid 1 BW is vader in beginsel verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn meerderjarige dochter die de leeftijd van een en twintig jaren niet heeft bereikt. Na het bereiken van de achttienjarige leeftijd hebben [dochter] en vader echter schriftelijk verklaard dat de bijdrage aan [dochter] wordt verminderd c.q. op nihil wordt gesteld. Overeenkomsten waarbij definitief van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien zijn ingevolge artikel 1:400 lid 2 BW nietig, maar de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtige kunnen wel rechtsgeldig overeenkomsten sluiten over de hoogte van de verschuldigde bijdrage en het staat de onderhoudsgerechtigde vrij af te zien van een (verdere) financiële bijdrage (zie HR 22 oktober 1999, LJN: AD3098). De door vader en dochter gesloten overeenkomsten zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook rechtsgeldig gesloten. Dat bij het sluiten van de overeenkomsten sprake zou zijn van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden is in dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de dochter dan ook gehouden aan de overeenkomsten waarin de onderhoudsbijdrage is verminderd c.q. stopgezet. Bij gebrek aan onderbouwing van de inkomsten van de dochter kan in dit kort geding bovendien niet vastgesteld worden dat zij in de betreffende periode daadwerkelijk behoefte had aan een onderhoudsbijdrage en wat de hoogte daarvan was. Ook in het geval de dochter niet aan de overeenkomsten zou zijn gebonden, zou het derhalve nog maar de vraag zijn of zij – gelet op haar inkomsten – recht zou hebben op een onderhoudsbijdrage.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 191527 / KG ZA 12-187

Vonnis in kort geding van 5 september 2012

in de zaak van

[vader],

wonende te Purmerend,

eiser in conventie,

verweerder in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. L. de Jong,

tegen

[dochter],

wonende te Purmerend,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. M. Zee.

Partijen zullen hierna vader en [dochter] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de bij brief van 27 april 2012 van mr. Zee van de zijde van [dochter] ingediende producties

- de mondelinge behandeling d.d. 3 mei 2012

- de pleitnota van [dochter]

- de voorwaardelijke eis in reconventie

- de aanhouding ten behoeve van mediation .

1.2. De advocaten van beide partijen hebben de voorzieningenrechter bij brieven van 26 respectievelijk 27 juli 2012 laten weten dat de mediation niet succesvol is verlopen en zij hebben verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. Op 19 juli 2006 hebben vader en de moeder van [dochter] (verder te noemen: moeder) een echtscheidingsconvenant ondertekend. Dit convenant houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“[…]

Artikel 3. Verblijfplaats, omgangsregeling en alimentatie kinderen

[…]

3.4 Met ingang van de datum dat de echtelijke woning is verkocht en geleverd aan een derde betaalt de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen van € 225,-- per kind. Deze bijdrage zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering […]. Bij een wijziging van omstandigheden kan het hierboven genoemde bedrag worden aangepast.

3.5 Vanaf het tijdstip waarop een kind meerderjarig wordt betaalt de man eventuele aanspraken op een bijdrage in de kosten van het onderhoud van dit aan het kind zelve, op een door het kind aan te wijzen bankrekening, tenzij het kind op dat moment nog bij de vrouw woont. In dat geval wordt door de man, de vrouw, en het kind in onderling overleg bepaald op welke wijze wordt betaald, zolang als die situatie voortduurt.

3.6 De man verplicht zich aan een meerderjarig kind van 21 jaar of ouder een (studie) bijdrage te betalen zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg met hem met een beroepsopleiding bezig is of studeert, doch uiterlijk tot het tijdstip waarop het kind de 25-jarige leeftijd bereikt. Dit beding ten behoeve van de kinderen is onherroepelijk, zodat de kinderen het recht hebben om zonodig nakoming van dit beding te vorderen. De ondertekening van dit convenant geldt tevens als aanvaarding van dit beding door partijen als wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen.

[…]”

2.2. Bij beschikking van deze rechtbank van 29 augustus 2006 is de echtscheiding uitgesproken tussen vader en de moeder van [dochter]. In de beschikking is tevens bepaald dat vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] € 225,- per maand aan moeder zal betalen.

2.3. Op 19 maart 2009 is [dochter] 18 jaar geworden. Zij heeft haar hoofdverblijf bij haar moeder.

2.4. Op 27 maart 2009 hebben vader en [dochter] schriftelijk het volgende verklaard:

“Hierbij verklaren [dochter] en [vader] dat de maandelijkse alimentatie rechtstreeks vanaf 01-06-2009 naar [dochter] wordt overgemaakt.

[dochter] ontvangt een bedrag van € 175.00 per maand wat per de eerste van de maand op haar eigen rekening wordt gestort.”

De verklaring is door vader en [dochter] ondertekend.

2.5. Op 18 november 2009 hebben vader en [dochter] schriftelijk het volgende verklaard:

“Hierbij verklaren [dochter] en [vader], dat de kinderalimentatie voor [dochter] stop wordt gezet per 01-01-2010.

[dochter] verklaard dat zij afziet van de kinderalimentatie, omdat ze haar eigen inkomen verdient.

De laatste betaling van € 175,00 wordt overgemaakt december 2009.”

De verklaring is door vader en [dochter] ondertekend.

2.6. In de periode januari 2010 tot december 2011 heeft [dochter] geen aanspraak gemaakt op een bijdrage van vader.

2.7. Bij brief van 20 december 2011 aan vader heeft de advocaat van [dochter] met terugwerkende kracht vanaf maart 2009 aanspraak gemaakt op een bijdrage van € 225,- per maand plus de wettelijke indexering.

2.8. Bij brief van 30 januari 2012 aan vader heeft de advocaat van [dochter] de onder 2.4 en 2.5 geciteerde overeenkomsten vernietigd wegens dwaling aan de kant van [dochter] en wederom aanspraak gemaakt op de achterstallige bijdrage van (afgerond) € 6.680,-.

2.9. Bij exploot van 21 maart 2012 heeft de deurwaarder namens [dochter] een grosse van de beschikking van de rechtbank van 29 augustus 2006 aan vader betekend en hem gesommeerd binnen twee dagen de achterstand in de betaling van de bijdrage te voldoen, bij gebreke waarvan zal worden overgegaan tot de tenuitvoerlegging van genoemde beschikking door inbeslagneming en verkoop van roerende en onroerende zaken en alle middelen en wegen van executie.

3. Het geschil in conventie

3.1. Vader vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

[dochter] beveelt de verdere executie van de beschikking van 29 augustus 2006 te schorsen, alsmede de in dat kader eventueel gelegde beslagen op te heffen tot dat in een bodemprocedure over de verschuldigdheid van de litigieuze bijdragen in het levensonderhoud en studie zal zijn beslist, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [dochter] daarmee in strijd handelt alsmede [dochter] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. [dochter] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in voorwaardelijke reconventie

4.1. Onder de voorwaarde dat de onder 2.4 en 2.5 geciteerde overeenkomsten betreffende het levensonderhoud rechtens onaantastbaar blijken te zijn, vordert [dochter] dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

vader te veroordelen tot betaling aan [dochter] van een voorschot van € 777,33, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, op hetgeen vader ter zake van betaling van een studiebijdrage aan [dochter] verschuldigd zal blijken, alsmede vader veroordeelt in de kosten van deze procedure.

4.2. Vader voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Vader legt – samengevat – het volgende aan zijn vordering ten grondslag.

In verband met haar eigen inkomen respectievelijk het afnemen en vervolgens wegvallen van behoefte heeft [dochter] in maart 2009 met vader afgesproken dat zij nog slechts € 175,- per maand aan bijdrage in de kosten van het levensonderhoud en studie ontvangt. In november 2009 hebben [dochter] en vader vervolgens afgesproken dat zij helemaal geen bijdrage meer ontvangt. Beide afspraken zijn schriftelijk vastgelegd en zowel door [dochter] als vader ondertekend. Conform de in november 2009 gemaakte afspraak heeft [dochter] in de periode januari 2010 tot december 2011 geen aanspraak gemaakt op een bijdrage van vader. Het beroep van [dochter] op vernietiging van beide overeenkomsten wegens dwaling slaagt niet. Bij het aangaan van beide overeenkomsten had [dochter] goed zicht op haar maandelijkse inkomsten en uitgaven en op haar verminderde c.q. ontbrekende behoefte.

Indien [dochter] toch zou hebben gedwaald, is volgens vader sprake van rechtsverwerking. In de periode maart 2009 tot december 2011 had [dochter] een goed contact met vader en kwam zij wekelijks bij hem en zijn nieuwe partner langs. Op geen enkele wijze heeft zij in die periode aangegeven dat zij behoefte had aan een bijdrage. Daarbij in aanmerking genomen dat [dochter] destijds werkte bij een bowlingcentrum en bij een kapsalon en thuis ook nog klanten knipte, mocht vader er vanuit gaan dat zij geen bijdrage van hem verlangde. [dochter] kan na al die tijd niet alsnog een bijdrage verlangen. Dit geldt te meer nu zij niet deugdelijk heeft onderbouwd dat in de periode maart 2009 tot maart 2012 daadwerkelijk sprake was van behoefte aan een bijdrage. [dochter] heeft derhalve niet – met terugwerkende kracht – recht op betaling van een bijdrage over die periode, zodat de executie van de beschikking van 29 augustus 2006 onrechtmatig is en dient te worden geschorst, aldus vader.

5.2. [dochter] heeft – samengevat – het volgende tegen de vordering van vader aangevoerd.

Vader beroept zich op twee verklaringen waarin [dochter] instemt met vermindering van de bijdrage (27 maart 2009) respectievelijk geheel afziet van een bijdrage (18 november 2009). Allereerst betwist [dochter] de laatste overeenkomst, omdat zij zich niet kan herinneren deze overeenkomst te hebben gesloten. Echter, ook indien deze overeenkomst wel tot stand is gekomen, kan vader zich om de volgende redenen niet op de beide overeenkomsten beroepen. Ingevolge artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende het levensonderhoud alleen bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd wanneer deze door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Van een rechterlijke uitspraak is geen sprake en gesteld noch gebleken is dat zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Dit betekent dat de overeenkomsten met miskenning van de wettelijke maatstaven tot stand zijn gekomen en ingevolge artikel 1:401 lid 5 BW voor wijziging of intrekking vatbaar zijn. Daar komt bij dat de overeenkomst van 18 november 2009 kan gelden als een overeenkomst tot afstand van recht op een bijdrage waartoe moeder indirect gerechtigd is. Moeder wordt door de afstand benadeeld, omdat zij thans als enige ouder opdraait voor de aanvullende bijdrageverplichting. [dochter] meent dan ook dat haar verklaring van 18 november 2009 niet ten nadele van haar moeder mag gelden. Uit artikel 3.5 van het echtscheidingsconvenant volgt voorts dat overleg had moeten plaatsvinden tussen moeder, vader en [dochter] over de wijzigingen in de bijdrageverplichting van vader. Nu dat overleg niet heeft plaatsgevonden en moeder geen toestemming voor de wijzigingen heeft gegeven, zijn de overeenkomsten niet regelmatig tot stand gekomen. Bovendien zijn de overeenkomsten vernietigbaar, omdat vader bij de totstandkoming misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. [dochter], destijds net 18 jaar oud, verkeerde in een afhankelijke positie van haar vader en had tegen haar eigen onervarenheid beschermd moeten worden. Vader had er dan ook niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat [dochter] zonder meer en om niet van haar recht op bijdrage wilde afzien. Het beroep van vader op rechtsverwerking slaagt niet, omdat de rechtsverwerking ziet op een contractuele verhouding tussen partijen, terwijl het recht van [dochter] op een bijdrage is gebaseerd op de wet. [dochter] had en heeft nog steeds behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie. Ze volgt een kapstersopleiding aan het ROC Horizon College en heeft slechts geringe inkomsten uit bijbaantjes. Gelet op al het vorenstaande is het niet aannemelijk dat de bodemrechter een verzoek van vader tot vermindering c.q. nihilstelling van de bijdrage in kosten van studie en levensonderhoud per maart 2009 toewijsbaar zal achten, zodat de executie van de beschikking van 29 augustus 2006 niet onrechtmatig is, aldus [dochter].

5.3. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

5.4. Ingevolge artikel 1:395a lid 1 BW zijn ouders verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt. In artikel 1:395b lid 1 BW is vervolgens bepaald dat indien de rechter het bedrag heeft bepaald dat een ouder ter zake van de verzorging en opvoeding van zijn minderjarig kind moet betalen en deze verplichting tot aan het meerderjarig worden van het kind van kracht is geweest, met ingang van dit tijdstip de rechterlijke beslissing geldt als een tot bepaling van het bedrag ter zake van levensonderhoud en studie als bedoeld in artikel 1:395 a BW.

5.5. In beginsel is vader derhalve gehouden vanaf 19 maart 2009 het in de beschikking van deze rechtbank van 29 augustus 2006 bepaalde bedrag van € 225,- per maand, vermeerderd met de wettelijke indexeringen, ter zake van levensonderhoud en studie te betalen. Na het bereiken van de achttienjarige leeftijd hebben [dochter] en vader op 27 maart 2009 respectievelijk 18 november 2009 echter schriftelijk verklaard dat de bijdrage aan [dochter] wordt verminderd tot € 175,- respectievelijk dat [dochter] geheel afziet van een bijdrage van vader. [dochter] betwist weliswaar de laatste verklaring bij gebrek aan wetenschap, maar gesteld noch gebleken is dat de handtekening onder die verklaring niet van haar is. Bij deze stand van zaken gaat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit dat [dochter] de verklaring zelf heeft ondertekend en op de hoogte was van de inhoud daarvan.

5.6. Weliswaar zijn overeenkomsten waarbij definitief van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien ingevolge artikel 1:400 lid 2 BW nietig, maar dat neemt niet weg dat de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtige rechtsgeldig overeenkomsten kunnen sluiten over de hoogte van de verschuldigde bijdrage. Daarnaast staat het de onderhoudsgerechtigde vrij af te zien van een (verdere) financiële bijdrage (zie HR 22 oktober 1999, LJN: AD3098), hetgeen in de overeenkomst van 18 november 2009 het geval is. Anders dan [dochter] stelt, zijn de door haar en vader gesloten overeenkomsten naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook rechtsgeldig gesloten.

5.7. Bij brief van 30 januari 2012 heeft de toenmalige advocaat van [dochter] de beide overeenkomsten vernietigd wegens dwaling aan de kant van [dochter] en in het onderhavige procedure beroept [dochter] zich tevens op misbruik van omstandigheden door vader. Beide worden door vader betwist en in dit kort geding is zowel de dwaling als het misbruik van omstandigheden onvoldoende aannemelijk geworden. Hetgeen hieromtrent door [dochter] is gesteld, dient nader met bewijs te worden onderbouwd. Voor die nadere bewijsvoering leent dit kort geding zich naar zijn aard echter niet, zodat een en ander in een eventueel tussen partijen te voeren bodemprocedure aan de orde dient te komen.

5.8. Tot slot brengt het feit dat geen overleg met moeder heeft plaatsgevonden over de vermindering c.q. de nihilstelling niet mee dat [dochter] niet aan deze overeenkomsten kan worden gehouden. Moeder was kort na de overeenkomst van 27 maart 2009 op de hoogte van de vermindering van de onderhoudsbijdrage en het lag dan ook op haar weg kenbaar te maken dat zij het daar niet mee eens was. [dochter] heeft weliswaar gesteld dat moeder bij brief van 7 mei 2009 heeft aangegeven dat de overeenkomst tussen vader en [dochter] niet rechtsgeldig was, omdat daarover geen overleg met haar had plaatsgevonden, maar vader betwist deze brief te hebben ontvangen en moeder is na de genoemde brief in ieder geval niet meer op de kwestie teruggekomen. Dat moeder na de overeenkomst van 18 november 2009 heeft aangegeven het niet eens te zijn met het stopzetten van de onderhoudsbijdrage is voorts gesteld noch gebleken. Onder die omstandigheden mocht vader er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op vertrouwen dat moeder instemde met de vermindering c.q. het stopzetten van de onderhoudsbijdrage. Daarbij komt dat, als wel overleg met [dochter], maar geen overleg met moeder heeft plaatsgevonden, betwijfelt moet worden of [dochter] een beroep kan doen op de onderhavige bepaling en of het niet alleen moeder - die geen partij is in het onderhavige geding - is die daar een beroep op kan doen. [dochter] heeft in ieder geval onvoldoende onderbouwd dat dat beroep haar in de onderhavige situatie wel toekomt.

5.9. Het vorenstaande brengt mee dat [dochter] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gehouden is aan de overeenkomsten waarin de onderhoudsbijdrage is verminderd c.q. stopgezet. Daar komt nog bij dat [dochter] in de tweede overeenkomst heeft verklaard dat zij “afziet van kinderalimentatie, omdat zij haar eigen inkomen verdient.” Kennelijk kon [dochter] destijds in haar eigen behoefte voorzien. Thans stelt zij zich echter op het standpunt dat zij vanaf maart 2009 tot maart 2012 wel degelijk behoefte had aan de onderhoudsbijdrage van € 225,-- plus indexering. Vader heeft die behoefte gemotiveerd betwist en gesteld dat [dochter] destijds voldoende inkomsten had om in haar eigen behoefte te voorzien. Bij gebrek aan onderbouwing van haar inkomsten kan in dit kort geding dan ook niet vastgesteld worden dat [dochter] in voormelde periode daadwerkelijk behoefte had aan een onderhoudsbijdrage en wat de hoogte daarvan was. Ook in het geval [dochter] niet aan de overeenkomsten zou zijn gebonden, zou het derhalve nog maar de vraag zijn of zij – gelet op haar inkomsten – recht zou hebben op een onderhoudsbijdrage.

5.10. Uit het voorgaande volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat [dochter] geen recht heeft op de door haar met terugwerkende kracht gevorderde bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, zodat zij niet de bevoegdheid heeft om tot tenuitvoerlegging van de beschikking van 29 augustus 2006 over te gaan. De voorzieningenrechter zal [dochter] dan ook bevelen de verdere executie van de beschikking van 29 augustus 2006 te schorsen en de in dat kader eventueel gelegde beslagen op te heffen tot dat in een bodemprocedure over de verschuldigdheid van de litigieuze bijdragen in het levensonderhoud en studie zal zijn beslist. Mede gelet op de ter zitting gedane toezegging van de advocaat van [dochter] dat de onderhavige uitspraak zal worden nagekomen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding aan het bevel tot schorsing en opheffing een dwangsom te verbinden.

5.11. Gelet op de familierechtelijke relatie tussen vader en [dochter] zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beoordeling in reconventie

6.1. Met het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de overeenkomsten van 27 maart 2009 en 18 november 2009 betreffende de bijdrage van vader rechtens onaantastbaar zijn, is voldaan aan de voorwaarde voor de eis in reconventie.

6.2. [dochter] vordert in reconventie een voorschot van € 777,33 op hetgeen vader ter zake van de betaling van een studiebijdrage aan haar verschuldigd is. Dit bedrag is opgebouwd uit cursusgelden van het ROC Horizon College voor de studiejaren 2010-2011 en 2011-2012.

6.3. [dochter] heeft ter onderbouwing van haar vordering – samengevat – aangevoerd dat een redelijke uitleg van artikel 3.6 van het echtscheidingsconvenant meebrengt dat vader ook aan een meerderjarig kind beneden de leeftijd van eenentwintig jaar een studiebijdrage dient te betalen.

6.4. Vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde studiebijdrage valt onder de bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie van meerjarige kinderen die nog geen eenentwintig zijn als bedoeld in artikel 1:395a lid 1 BW en van welke bijdrage [dochter] bij de overeenkomst van 18 november 2009 heeft afgezien.

6.5. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

6.6. Artikel 1:395a lid 1 BW verplicht ouders tot het betalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan hun meerderjarige kinderen van achttien tot eenentwintig jaar. Het door [dochter] gevorderde voorschot van € 777,33 ziet op betalingen van cursusgeld en derhalve kosten van studie. Nu [dochter] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bij overeenkomst met ingang van januari 2010 heeft afgezien van een onderhoudsbijdrage als bedoeld in artikel 1:395a lid 1 BW en zij aan die overeenkomst gehouden kan worden, kan zij thans niet alsnog een bijdrage in de studiekosten voor de schooljaren 2010/2011 en 2011/2012 vorderen. Niet valt in te zien waarom zij hier op grond van artikel 3.6 van het echtscheidingsconvenant alsnog recht op zou hebben. De voorzieningenrechter zal het gevorderde voorschot dan ook afwijzen.

6.7. Gelet op de familierechtelijke relatie tussen vader en [dochter] zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. beveelt [dochter] de executie van de beschikking van deze rechtbank van 29 augustus 2006 te schorsen en de eventueel ten laste van vader gelegde beslagen op te heffen totdat in de bodemprocedure is beslist over de verschuldigdheid van de litigieuze bijdragen in het levensonderhoud en studie,

7.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.3. wijst het meer of anders gevorderde af,

7.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

7.5. weigert de gevraagde voorziening,

7.6. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.C.C. Kaal op 5 september 2012.?

Bij ontstentenis van mr. Van der Meer is dit vonnis ondertekend door mr. S. Sicking.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature