< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

overtreding artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en poging tot inbraak.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.660164-12

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 september 2012

in de strafzaak tegen

Verdachte,

geboren op 1972 te ,

wonende te Y , verblijvende in de P.I.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 23 augustus 2012 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. de Kruijk en van de standpunten die door de raadsman van verdachte naar voren zijn gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 5 mei 2012 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit de woning gelegen aan de A-weg weg te nemen goederen/ geld van zijn/hunner gading, geheel of ten dele toebehorende aan slachtoffer 1, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen/geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen (met een breekvoorwerp) de (achter)deur van die woning heeft/hebben trachten te forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair

hij op of omstreeks 5 mei 2012 in de gemeente Almere, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mazda , gekentekend DOLU9361), ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk

- Slachtoffer 2 (zijnde de bestuurder van een personenauto, merk Volkswagen , gekentekend GZ-PJ-29) en/of

- medeverdachte 1 en/of medeverdachte 2 (zijnde (een) inzittende(n) van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig), van het leven te beroven, met dat opzet

- met het door hem bestuurde motorrijtuig heeft gereden op de Tussenring met een snelheid van (ongeveer) 140 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur en/of

- meerdere malen geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een (voor zijn rijrichting bestemd) driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde op de kruising(en) Tussenring/ Hagevoortdreef en/of Tussenring/Vrijheidsdreef en/of

- die kruising(en) is opgereden zonder (aanzienlijk) zijn snelheid te minderen en/of

- op de kruising Tussenring/Vrijheidsdreef (vervolgens) in botsing is gekomen met genoemde Volkswagen, gekentekend GZ-PJ-29, die vanaf de Vrijheidsdreef de kruising opreed en/of

- (vervolgens) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft verloren en/of over de kop is geslagen en/of tegen een lantaarnpaal is aangereden en/of gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair

A. hij op of omstreeks 5 mei 2012 in de gemeente Almere als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mazda, gekentekend DOLU9361), daarmede rijdende over de weg, de Tussenring, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft/is hij, verdachte roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam,

- gereden met een snelheid van (ongeveer) 140 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur en/of

- meerdere malen geen gevolg gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een (voor zijn rijrichting bestemd) driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde op de kruising(en) Tussenring/ Hagevoortdreef en/of Tussenring/Vrijheidsdreef en/of

- die kruising(en) opgereden zonder (aanzienlijk) zijn snelheid te minderen en/of

- op de kruising Tussenring/Vrijheidsdreef (vervolgens) in botsing gekomen met een ander motorrijtuig (personenauto, merk Volkswagen, gekentekend GZ-PJ-29) die vanaf de Vrijheidsdreef die kruising opreed en/of

- en/of (vervolgens) de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig verloren en/of over de kop geslagen en/of tegen een lantaarnpaal aangereden en/of gebotst,

waardoor (een) ander(en), te weten de inzittenden van het door hem bestuurde

voertuig (genaamd medeverdachte 1 en/of medeverdachte 2) zwaar lichamelijk letsel, te weten

- (een) gebroken en/of gekneusde ruggewervel(s) (medeverdachte 1) en/of

- een gescheurde lever en/of acht gebroken ribben en/of een schouderbladfractuur (medeverdachte 2) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

en/of

B. hij op of omstreeks 5 mei 2012 in de gemeente Almere als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mazda, gekentekend DOLU9361), daarmee rijdende op de weg, de Tussenring, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers heeft/is hij, verdachte

- gereden met een snelheid van (ongeveer) 140 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur en/of

- gevolg gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een (voor zijn rijrichting bestemd) driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde op de kruising(en) Tussenring/Vrijheidsdreef en/of

- die kruising opgereden zonder (aanzienlijk) zijn snelheid te minderen en/of

- (vervolgens) in botsing gekomen met een ander motorrijtuig (personenauto, merk Volkswagen, gekentekend GZ-PJ-29), bestuurd door slachtoffer 2, die vanaf de Vrijheidsdreef die kruising opreed.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt dat het onder 2 subsidiair A en B ten laste gelegde niet als cumulatief doch als alternatief ten laste gelegd beschouwd moet worden.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Ten aanzien van feit 1.

Verdachte heeft erkend dat hij op 5 mei 2012 samen met medeverdachte 1 en medeverdachte 2 in een door hem bestuurde auto naar Almere is gereden en aldaar in de buurt van de woning aan de A-weg heeft geparkeerd. Hij heeft ook verklaard dat medeverdachte 1 en medeverdachte 2 uitgestapt zijn en weggelopen zijn. Omdat het lang duurde voordat zij terugkwamen, is hij hen gaan zoeken. Verdachte kwam de beide anderen rennend tegen. Hij is met hen teruggerend naar de auto en is samen met hen ingestapt en weggereden.

Verdachte heeft ontkend dat hij bij de poging tot inbraak betrokken is geweest.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert haar oordeel op de volgende verklaringen.

1. Verdachte heeft verklaard dat hij op 5 mei 2012 samen met beide anderen in de buurt van de A-weg is geweest, dat hij uit de auto gestapt is, medeverdachte 1 en medeverdachte 2 rennend tegen kwam, samen met hen de auto in gestapt en weggereden is.

2. De poging tot inbraak is gezien door de getuige (getuige 1). Zij heeft gezien dat twee mannen bij de achterdeur van de A-weg stonden en dat een van de mannen een voorwerp tegen de deur hield. Toen zij met haar raam een krakend geluid maakte, zag zij dat de mannen zich omdraaiden en haar kant opkeken. Ook zag zij op dat moment dat er een derde man in de tuin was. De getuige (getuige 1) heeft vervolgens haar echtgenoot (getuige 2) gewaarschuwd.

3. (getuige 2) heeft verklaard dat hij meteen zijn camera pakte en naar het einde van zijn straat rende. Hij zag drie mannen rennen, die hij tot aan hun auto is gevolgd. De auto stond geparkeerd op de B-straat in de directe omgeving van de A-weg. De auto was rood van kleur, was van klein formaat en had een niet-Nederlands kenteken.

4. Een opsporingsambtenaar, bekend onder X-39, bevond zich op de C-straat in Almere en zag vanuit de richting van de A-weg drie mannen aan komen lopen. Daar kwam hij een man met een camera tegen die zei dat die drie mannen probeerden in te breken. X-39 zag de mannen de B-straat inrennen. Hij hoorde meerdere mensen roepen dat die drie gasten in een klein rood autootje met witte kentekenplaat waren weggescheurd. Hij besloot de auto te achterhalen en op de A6 zag hij een soortgelijke auto rijden. X-39 heeft de meldkamer Lelystad van zijn bevindingen op de hoogte gebracht. Hij en de ingeseinde politie hebben de auto gevolgd, totdat het ongeval als omschreven onder feit 2 plaatsvond.

5. In de gevolgde auto bevonden zich verdachte als bestuurder en medeverdachte 1 en medeverdachte 2 als passagiers.

Op grond van deze bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat het verdachte is geweest die op 5 mei 2012 samen met medeverdachte 1 en medeverdachte 2 heeft geprobeerd in te breken in de woning aan de A-weg te Almere. Immers, vast is komen te staan dat er drie personen bij de poging tot inbraak betrokken waren, dat die drie personen vanaf het moment waarop zij bij de achterdeur en in de tuin van de woning werden gezien in elkaars gezelschap zijn gebleven tot het moment waarop hun auto door een ongeval tot stilstand kwam en dat verdachte en medeverdachte 1 en medeverdachte 2 zich in die auto bevonden.

Ten aanzien van feit 2 primair.

De verdachte dient van het onder 2 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. De rechtbank acht dit evenals de officier van justitie niet wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair.

Verdachte heeft bekend dat hij op 5 mei 2012 met een snelheid van ongeveer 140 km/uur door Almere heeft gereden, dat hij meerdere malen “door rood licht” is gereden, met een te hoge snelheid in Almere de kruising van de Tussenring en de Vrijheidsdreef is genaderd en, na enigszins te hebben afgeremd, opzettelijk die kruising is opgereden en overgereden terwijl het verkeerslicht voor hem rood was en dat hij in botsing is gekomen met een auto.

Op grond van de verklaring van verdachte, in combinatie met de processen-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van de verkeersanalysedienst van de politie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte als bestuurder van een auto zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

Verdachte heeft in zijn auto met een snelheid van 140 km per uur door Almere gereden, is niet gestopt voor rode verkeerslichten, is de kruising van de Tussenring en de Vrijheidsdreef met een te hoge snelheid genaderd en is, hoewel het verkeerslicht voor hem op rood stond, opzettelijk die kruising opgereden en overgereden en vervolgens in botsing gekomen met een andere auto.

De rechtbank kan niet anders dan verdachtes rijgedrag als hierboven omschreven als roekeloos te bestempelen.

Door de raadsman is naar voren gebracht dat desondanks vrijspraak moet volgen, omdat er bij gebreke van letselverklaringen geen wettig en overtuigend bewijs is voor het ten laste gelegde letsel bij medeverdachte 1 en medeverdachte 2; alleen een verklaring van een verple(e)g(st)er volstaat niet, aldus de raadsman.

De rechtbank acht het in de tenlastelegging opgenomen letsel wel wettig en overtuigend bewezen. Zij acht de enkele mededeling van de verpleger ingeval medeverdachte 2 en verpleegster in geval medeverdachte 1 aan de verbalisant Andringa, inhoudende dat medeverdachte 2 op de afdeling Intensive Care zou worden opgenomen met zeker 8 gebroken ribben, een gescheurde lever en een schouderbladfractuur en dat medeverdachte 1 een gebroken ruggenwervel zou hebben voldoende.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 5 mei 2012 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit de woning gelegen aan de A-weg weg te nemen goederen/geld van zijn/hunner gading, toebehorende aan slachtoffer1, en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair

A. hij op 5 mei 2012 in de gemeente Almere als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mazda, gekentekend DOLU9361), daarmede rijdende over de weg, de Tussenring, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft/is hij, verdachte, roekeloos,

- gereden met een snelheid van (ongeveer) 140 kilometer per uur en

- meerdere malen geen gevolg gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een (voor zijn rijrichting bestemd) driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde op de kruising(en) Tussenring/ Hagevoortdreef en Tussenring/Vrijheidsdreef en

- die kruising(en) opgereden zonder (aanzienlijk) zijn snelheid te minderen en

- op de kruising Tussenring/Vrijheidsdreef (vervolgens) in botsing gekomen met een ander motorrijtuig (personenauto, merk Volkswagen, gekentekend GZ-PJ-29) die vanaf de Vrijheidsdreef die kruising opreed en

- (vervolgens) de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig verloren en over de kop geslagen en tegen een lantaarnpaal aangereden of gebotst,

waardoor anderen, te weten de inzittenden van het door hem bestuurde

voertuig (genaamd medeverdachte 1 en medeverdachte 2) zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een gebroken ruggewervel (medeverdachte 1) en

- een gescheurde lever en acht gebroken ribben en een schouderbladfractuur (medeverdachte 2) hebben bekomen.

Van het onder 1 en 2 subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1: Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Feit 2 subsidiair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 .

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede voor feit 2 subsidiair onder A tot een ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs van verdachte ingehouden is geweest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf naar voren gebracht dat de door de officier van justitie ter zitting gevorderde straf bij bewezenverklaring van het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde, passend is.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 25 juli 2012, waaruit blijkt dat verdachte al eerder, in mei 2010, wegens een woninginbraak is veroordeeld, te weten tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 weken.

De rechtbank heeft ook mee laten wegen dat verdachte, al dan niet op verzoek van een medeverdachte, terwijl hij wist dat hij door de politie werd gevolgd en uit handen van de politie wilde blijven, over een aanzienlijke afstand roekeloos rijgedrag heeft vertoond, welk rijgedrag uitmondde in een ongeval waarbij twee zwaar gewonden vielen. Het is niet aan verdachte te danken geweest dat er geen dodelijke slachtoffers te betreuren waren.

Mede bij gebreke van een rapport van de reclassering omtrent de persoon van verdachte, ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Zij zal wel een enigszins hoger onvoorwaardelijk deel opleggen, nu zulks gelet op het hiervoor overwogene naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden is.

12 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 45, 57, 91, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 , zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 2 primair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van

2 jaar.

- bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ingaat ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van die ontzegging geheel in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, voorzitter, mrs. G. Blomsma en H.H.J. Harmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Ruitenbeek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 september 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature