< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De Remigratiewet noch het Uitvoeringsbesluit omschrijft het begrip hoofdverblijf. Uit art. 1, lid 1, onder f, van de Remigratiewet volgt evenwel dat deze wet ziet op situaties waarin betrokkene zich buiten Nederland vestigt en aldus zijn hoofdverblijf in Nederland opgeeft of waarin betrokkene al buiten Nederland is gevestigd en aldus geen hoofdverblijf in Nederland meer heeft. De Remigratiewet strekt dan ook niet zover dat een situatie van dubbel hoofdverblijf, dat wil zeggen een hoofdverblijf in en buiten Nederland, voor mogelijk moet worden gehouden. Nu de SVB voorts enige beoordelingsvrijheid heeft bij de invulling van het begrip hoofdverblijf, gaat het beleid van de SVB over ingezetenschap, dat inderdaad inhoudt dat betrokkene niet tegelijk in en buiten Nederland hoofdverblijf kan hebben, de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten. Nu dat begrip niet op één lijn kan worden gesteld met het begrip ingezetenschap als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011, LJN: BP1466 faalt het betoog dat de SVB een onjuiste uitleg aan het arrest heeft gegeven.

Gezien de geschetste feiten en omstandigheden van het geval heeft de SVB zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant ten tijde van de aanvraag geen hoofdverblijf in Nederland had. In dit verband is van belang dat uit de verklaring van appellant ter zitting bij de Rb., te weten dat hij naar Nederland is gekomen met de intentie om een aanvraag in de zin van de Remigratiewet in te dienen, blijkt dat hij bij zijn terugkeer uit Suriname en ten tijde van de aanvraag niet de intentie had om duurzaam in Nederland te verblijven.

De Rb. heeft dus terecht overwogen dat de SVB appellant terecht niet als remigrant in de zin van art. 1, aanhef en onder f, van de Remigratiewet heeft aangemerkt en appellant daarom niet voor een remigratievoorziening in aanmerking komt.

Uitspraak



201112738/1/V6.

Datum uitspraak: 5 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 18 november 2011 in zaak nr. 11/310 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB).

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2010 heeft de SVB een aanvraag van [appellant] om voorzieningen krachtens de Remigratiewet (hierna: de aanvraag) afgewezen.

Bij besluit van 30 maart 2011 heeft de SVB het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2011 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 11 april 2012 ter zitting behandeld, waar de SVB, vertegenwoordigd door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Remigratiewet wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder remigreren verstaan het zich buiten het Koninkrijk, in het land van herkomst vestigen.

Ingevolge onderdeel f wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder remigrant verstaan een persoon, als bedoeld in artikel 2, die met de toepassing van de ze wet voornemens is zijn rechtmatig hoofdverblijf in Nederland op te geven om te remigreren dan wel is geremigreerd en sindsdien in een bestemmingsland is gevestigd.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet (hierna: het Uitvoeringsbesluit), voor zover thans van belang, dient de remigrant, om voor de remigratievoorzieningen in aanmerking te komen, indien hij Nederlander is, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag van de remigratievoorzieningen in Nederland te hebben verbleven, anders dan voor een verblijf voor een tijdelijk doel.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank de SVB ten onrechte heeft gevolgd in de conclusie dat [appellant] niet voor een remigratievoorziening in aanmerking komt, omdat hij ten tijde van de aanvraag geen hoofdverblijf in Nederland had. Hij voert aan dat hij toentertijd wel degelijk hoofdverblijf in Nederland had. In dit verband wijst hij erop dat hij van 1979 tot 1998 met zijn gezin langdurig in Nederland werkte en woonde en dat deze binding door zijn tussentijds verblijf in Suriname tot 2009 niet is verbroken, wat tevens blijkt uit de gedurende die periode opgebouwde rechten krachtens de Algemene Ouderdomswet. Verder stelt hij dat zijn leven zich sinds zijn vestiging in Nederland in 2009 ook hier afspeelt en dat, nu hij hier leeft, woont en een uitkering ontvangt, niet valt in te zien hoe hij die stelling nader had moeten onderbouwen. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte het besluit van 30 maart 2011 in stand gelaten, nu uit het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011, LJN: BP1466 (hierna: het arrest), volgt dat duurzame banden met één land duurzame banden met een ander land niet uitsluiten, terwijl de SVB in dat besluit ervan is uitgegaan dat de duurzame band met Suriname maakt dat geen afdoende binding met Nederland bestaat. [appellant] betoogt dat, voor zover hij al duurzame banden met Suriname heeft, hij die tevens met Nederland heeft en dus voor een remigratievoorziening in aanmerking komt.

2.1. De SVB heeft zich in het besluit van 30 maart 2011 op het standpunt gesteld dat [appellant] ten tijde van de aanvraag geen hoofdverblijf in Nederland had en aan artikel 1, eerste lid, onder f, van de Remigratiewet noch artikel 5, onder a, van het Uitvoeringsbesluit voldoet, omdat hij na twaalf jaar verblijf in Suriname in november 2009 naar Nederland is teruggekeerd, hij in Hoogezand een kamer huurt en per 25 januari 2010 een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand ontvangt, zijn partner en kinderen, die hij onderhoudt, in zijn woning in Suriname verblijven, Suriname volgens die partner zijn thuis is, hij in Suriname af en toe werk heeft en hij niet naar Nederland is gekomen om zich hier te vestigen, maar om met een remigratie-uitkering weer terug te keren.

2.2. In het in eerste aanleg ingediende verweerschrift en ter zitting heeft de SVB zijn standpunt als volgt toegelicht. De SVB gaat ervan uit dat hoofdverblijf zich in elk geval voordoet, indien betrokkene ingezetene is of in Nederland verblijft en uit het geheel van feiten en omstandigheden blijkt dat hij de intentie heeft duurzaam in Nederland te verblijven. Naar aanleiding van het arrest heeft de SVB zijn beleid over het ingezetenschap gewijzigd. Voor ingezetenschap eist de SVB dat tussen betrokkene en Nederland een persoonlijke band van duurzame aard bestaat. Voor het antwoord op de vraag of zodanige band bestaat acht de SVB bepalend of uit de feiten en omstandigheden van het geval blijkt dat de banden van betrokkene met Nederland voldoende sterk zijn om aan te nemen dat hij hier het middelpunt van zijn maatschappelijk leven heeft. Om tot een eindoordeel te komen weegt de SVB objectieve en subjectieve factoren als woon- en werkomgeving, gezin, financiën en inschrijving in het bevolkingsregister tegen elkaar af. De SVB velt dat oordeel niet op basis van één factor; het onderlinge verband is doorslaggevend. Factoren waar de SVB in het bijzonder acht op slaat zijn de duurzaamheid van het verblijf in Nederland of elders en het al dan niet duurzaam over een woning in Nederland kunnen beschikken. Voor zover de SVB op basis van het geheel van feiten en omstandigheden niet ondubbelzinnig kan vaststellen waar een betrokkene woont, acht de SVB het duurzaam over een woning kunnen beschikken een doorslaggevende factor. De intentie van betrokkene om in Nederland te wonen acht de SVB van belang, indien deze blijkt uit objectiveerbare feiten en omstandigheden, zoals de plaats waar het gezin van betrokkene woont, de aanwezigheid van familie in Nederland, de wijze waarop betrokkene in het onderhoud voorziet en het volgen van een cursus Nederlands of andere opleidingen. Ten slotte gaat de SVB ervan uit dat een betrokkene slechts in één land tegelijk woonachtig kan zijn.

2.3. De Remigratiewet noch het Uitvoeringsbesluit omschrijft het begrip hoofdverblijf. Uit artikel 1, eerste lid, onder f, van de Remigratiewet volgt evenwel dat deze wet ziet op situaties waarin betrokkene zich buiten Nederland vestigt en aldus zijn hoofdverblijf in Nederland opgeeft of waarin betrokkene al buiten Nederland is gevestigd en aldus geen hoofdverblijf in Nederland meer heeft. De Remigratiewet strekt dan ook niet zover dat een situatie van dubbel hoofdverblijf, dat wil zeggen een hoofdverblijf in en buiten Nederland, voor mogelijk moet worden gehouden. Nu de SVB voorts enige beoordelingsvrijheid heeft bij de invulling van het begrip hoofdverblijf, gaat het hiervoor onder 2.2 weergegeven beleid, dat inderdaad inhoudt dat betrokkene niet tegelijk in en buiten Nederland hoofdverblijf kan hebben, de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten. Nu dat begrip niet op één lijn kan worden gesteld met het begrip ingezetenschap als bedoeld in het arrest faalt het betoog dat de SVB een onjuiste uitleg aan het arrest heeft gegeven.

2.4. Gezien de in 2.1 geschetste feiten en omstandigheden van het geval heeft de SVB zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant] ten tijde van de aanvraag geen hoofdverblijf in Nederland had. In dit verband is van belang dat uit de verklaring van [appellant] ter zitting bij de rechtbank, te weten dat hij naar Nederland is gekomen met de intentie om een aanvraag in de zin van de Remigratiewet in te dienen, blijkt dat hij bij zijn terugkeer uit Suriname en ten tijde van de aanvraag niet de intentie had om duurzaam in Nederland te verblijven.

De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat de SVB [appellant] terecht niet als remigrant in de zin van artikel 1, aanhef en onder f, van de Remigratiewet heeft aangemerkt en [appellant] daarom niet voor een remigratievoorziening in aanmerking komt.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Beerse

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012

32.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature