Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Voorlopige voorziening. Last onder dwangsom. Legkippenbesluit 2003. Verbod op houden legkippen in verrijkte kooien. Beroep op overgangstermijn te verrijken kooien. Verzoek afgewezen.

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 12/630 5 juli 2012

11201 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, te B, verzoeker,

gemachtigden: mr. A.P. Cornelisse en mr. M.I.J. Toonders, advocaten te Middelharnis,

tegen

de Staatsecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Duisterhof, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Bij besluit van 12 juni 2012 heeft verweerder aan verzoeker om te voorkomen dat hij artikel 2, tweede lid, van het Legkippenbesluit 2003 overtreedt de last opgelegd om geen legkippen te huisvesten in kooien die niet aan de eisen van het Legkippenbesluit 2003 voldoen, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000 op het moment dat inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) constateren dat verzoeker de last niet heeft opgevolgd, welke dwangsom verzoeker vervolgens verbeurt elke week dat de overtreding voortduurt tot een maximum van € 25.000.

Tevens heeft verweerder verzoeker gewaarschuwd dat als hij na verbeurte van dit maximumbedrag de overtreding nog steeds niet heeft opgeheven, een nieuwe last met een hogere dwangsom zal worden opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 29 juni 2012 bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij op diezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brieven van 3 en 4 juli 2012 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting op 4 juli 2012. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen. Van de zijde van verweerder zijn tevens verschenen ir. F.T.M. Divanach, werkzaam bij verweerders ministerie, en C. van Arkel, M.T.G.M. Martens en E.J.M. Tempel, allen als inspecteur werkzaam bij NVWA.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op 1 april 2009 is het Besluit van 30 maart 2009, houdende een verbod op het houden van legkippen in verrijkte kooien en vaststelling van nieuwe minimumnormen voor het houden van legkippen (hierna: het Wijzigingsbesluit) in het Staatsblad geplaatst (Stb. 2009, 161).

In die, niet in werking getreden, versie van het Wijzigingsbesluit was, als gevolg van de in de Tweede Kamer aangenomen motie Ouwehand (Kamerstukken II, 2008/2009, 31 700 XIV, nr. 106), voor de zogenoemde verrijkte kooi voorzien in een overgangstermijn tot 1 januari 2017. Nadien heeft de Tweede Kamer er bij motie Atsma c.s. (Kamerstukken II, 2008/2009, 21 501-32, nr. 347) op gewezen dat in het aanvankelijke voorstel van het Wijzigingsbesluit was voorzien in een overgangstermijn tot 1 januari 2021 en is de regering verzocht om, voordat tot besluitvorming met betrekking tot de overgangstermijn wordt overgegaan, een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar mogelijke schade voor ondernemers die al geïnvesteerd hebben in een verrijkte of te verrijken kooi.

Bij brief van 23 november 2009 (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 123 XIV, nr. 65) heeft de toenmalige minister van LNV aan de Tweede Kamer het rapport met betrekking tot het in voornoemde motie Atsma c.s. gevraagde onderzoek toegezonden, waarna de regering bij een nieuwe motie van Atsma d.d. 3 december 2009 is verzocht de overgangstermijn wederom te laten eindigen op 1 januari 2021. De regering heeft aan laatstbedoelde motie Atsma gevolg gegeven bij besluit van 30 juni 2010, houdende wijziging van de overgangstermijn voor het verbod op het houden van legkippen in verrijkte kooien (Stb. 2010, 284).

Bij brieven van onderscheidenlijk 28 en 29 september 2010 hebben de Tweede en de Eerste Kamer in het kader van de procedure als bedoeld in artikel 110 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (de zogeheten nahangprocedure) verzocht de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit bij wet te laten geschieden.

Op 29 en 30 december 2011 zijn - kort gezegd - de wet van 22 december 2011, houdende de inwerkingtreding van het besluit van 30 juni 2010, alsmede het besluit van 22 december 2011, houdende de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 30 maart 2009 in het Staatsblad geplaatst (Stb 2011, nrs. 661 en 662).

Met ingang van 1 januari 2012 luidt het besluit van 27 mei 2003, houdende regels voor de huisvesting en verzorging van legkippen (hierna: Legkippenbesluit 2003), voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

(…)

c. huisvestingssysteem: voorziening waarin legkippen op dezelfde wijze worden gehouden;

d. kooi: afgesloten ruimte bestemd voor het houden van één of meer legkippen waarin de legkippen zich niet vrijelijk over de vloer van de stal of op en naar verschillende niveaus binnen de stal kunnen bewegen;

e. bruikbare oppervlakte: een ten minste 30 cm breed oppervlak met een helling van ten hoogste 8 graden met boven het gehele oppervlak een vrije ruimte van ten minste 45 cm hoogte. De oppervlakte van het nest wordt niet tot de bruikbare oppervlakte gerekend;

f. nest: afgescheiden ruimte voor een individuele legkip of een groep legkippen die geschikt is voor het leggen van eieren en waarin een legkip niet in contact kan komen met bodembestanddelen die bestaan uit draadgaas;

(…)

Artikel 2

(…)

2. Legkippen worden ten minste gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 4, 7, 8, eerste en tweede lid, 9 en 10.

(…)

4. In afwijking van het tweede lid is het tot en met 31 december 2020 toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 5 te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 5 en 7 tot en met 10, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat:

a. het voor 18 april 2008 is gebouwd, of

b. ten behoeve van dit huisvestingssysteem voor 18 april 2008:

1° een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, of

2° een aanvraag voor een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet , is gedaan en:

- een aanvraag voor een milieuvergunning is gedaan, of

- een melding als bedoeld in artikel 7 van het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan,

en dat het huisvestingssysteem voor 18 april 2010 is gebouwd en in gebruik is genomen.

5. In afwijking van het tweede lid is het tot en met 31 december 2011 toegestaan legkippen te houden in een kooi als bedoeld in artikel 6 indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 6, 7, 8, eerste, tweede en vijfde lid, 9 en 10, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat het voor 1 januari 2003 is gebouwd en in gebruik is genomen.

(…)

§ 3. Houden en huisvesten van legkippen in kooihuisvestingssystemen

§ 3.1 Houden en huisvesten van legkippen in aangepaste kooien

(…)

Artikel 5

1. Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in artikel 2, vierde lid hebben ten minste de beschikking over:

a. 750 cm2 oppervlakte waarvan 600 cm2 bruikbare oppervlakte per legkip, met dien verstande dat de kooi boven andere plaatsen dan de bruikbare oppervlakte op elk punt ten minste 20 cm hoog moet zijn en dat de totale oppervlakte van een kooi niet kleiner mag zijn dan 2000 cm2;

b. een nest;

c. een met strooisel bedekte ruimte die ten minste 20 cm hoog is, waar de legkippen kunnen scharrelen en bodempikken;

d. een zitstok met een lengte van 15 cm per legkip en een vrije ruimte boven de zitstok van 20 cm;

e. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 12 cm per legkip bedraagt;

f. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat, en

g. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn.

2. De bodem van de kooi biedt steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip.

§ 3.2. Houden en huisvesten van legkippen in niet-aangepaste kooien

Artikel 6

1. Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, hebben ten minste de beschikking over:

a. een grondoppervlakte van 550 cm2, horizontaal gemeten, die vrij beschikbaar is en waarvan de helling niet meer bedraagt dan 8 graden, met een vrije ruimte van 40 cm boven 65% van de grondoppervlakte en een vrije ruimte van 35 cm boven de overige grondoppervlakte. De ruimte onder de morsranden die de beschikbare grondoppervlakte kunnen beperken, wordt niet tot de grondoppervlakte gerekend;

b. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt;

c. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn, en

d. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat.

2. De bodem van de kooi biedt steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip.”

De Nota van Toelichting bij de oorspronkelijke versie van het Wijzigingsbesluit (Stb. 2009, 161) vermeldt het volgende:

“Algemeen deel

§ 1. Inleiding

(…)

Om te voorkomen dat pluimveehouders al dan niet in anticipatie op het aangekondigde verbod op de verrijkte kooi nog gaan investeren in deze kooien, is voorzien in een overgangstermijn voor bestaande gevallen. Daartoe heb ik op 18 april 2008 per brief aan het parlement gemeld voor welke kooien de overgangstermijn zal gaan gelden (Kamerstukken II 2007-2008, 28 286, nr. 213).

(…)

§ 2. Koloniehuisvesting

Uitgangspunt van het Legkippenbesluit 2003 is dat legkippen niet in kooien, maar in alternatieve huisvestingssystemen worden gehuisvest (artikel 2, tweede lid, van het Legkippenbesluit). Op dit uitgangspunt bestaat een drietal uitzonderingen.

1. (...)

2. De verrijkte kooi (artikel 2, vierde lid): als gevolg van de wijziging van het Legkippenbesluit is huisvesting van legkippen in een verrijkte kooi op grond van artikel 2, vierde lid, tot en met 31 december 2016 [nadien gewijzigd in t/m 31 december 2020, opmerking voorzieningenrechter] slechts toegestaan in kooien die

- voor 18 april 2008 zijn gebouwd, of

- ten aanzien waarvan voor 18 april 2008

a) een milieuvergunning is verleend, of

b) een bouwvergunning is verleend, een milieuvergunning is aangevraagd en een melding als bedoeld in artikel 7 van het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan,

en die voor 18 april 2010 zijn gebouwd en in gebruik zijn genomen.

De verrijkte kooi is eveneens een aangepaste kooi. Dit huisvestingssysteem dient te voldoen aan de eisen die zijn neergelegd in artikel 5 en de algemene eisen aan het huisvesten en verzorgen als vermeld in de artikelen 7 tot en met 10.

3. De legbatterij (artikel 2, vijfde lid ): huisvesting in een legbatterij is tot en met 31 december 2011 toegestaan als het systeem voor 1 januari 2003 is gebouwd en in gebruik is genomen. De legbatterij betreft een niet-aangepaste kooi. Huisvesting in dit systeem dient te voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in artikel 6 en de algemene eisen aan het huisvesten en verzorgen als vermeld in de artikelen 7, 8, eerste, tweede en vijfde lid, 9 en 10.

(…)

§ 3. Verbod op verrijkte kooien en overgangsregime

(…)

De overgangstermijn (…) geldt voor verrijkte kooien die onder artikel 2, vierde lid, van het Legkippenbesluit vallen. Dit betreft verrijkte kooien die voor 18 april 2008 waren gebouwd of ten behoeve waarvan voor 18 april 2008 een milieuvergunning was verleend of een bouwvergunning was aangevraagd en het systeem bovendien voor 18 april 2010 is gebouwd en in gebruik is genomen. Het overgangsregime heeft ook betrekking op de zogenoemde te verrijken kooien die tijdig zijn aangepast aan de eisen voor de verrijkte kooi. Anticiperend op het verbod op de legbatterij heeft een aantal ondernemers voor 1 januari 2003 een kooi gebouwd en in gebruik genomen met zodanige kooiafmetingen dat in een later stadium, zonder aanpassingen aan de kooi zelf, door middel van het aanbrengen van inrichtingselementen (zitstokken, nesten, ruimte met strooisel) wordt voldaan aan de eisen van de verrijkte kooi.

Op basis van richtlijn 1999/74/EG moet een te verrijken kooi, die voor 1 januari 2003 gebouwd en in gebruik genomen moet zijn, uiterlijk op 31 december 2011 aan alle vereisten van de verrijkte kooi voldoen.

Te verrijken kooien, waarin de inrichtingselementen zijn aangebracht, voldoen aan de eisen voor de verrijkte kooi en vallen derhalve onder het bepaalde in artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a.

De inrichtingselementen kunnen geplaatst worden zonder dat er bouwhandelingen hoeven te worden verricht. Te verrijken kooien konden tot 1 januari 2003 worden gebouwd en voldoen daarmee aan het criterium van het overgangsregime dat de kooien voor 18 april 2008 gebouwd moeten zijn.”

Bij brief van 3 april 2008 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) de Tweede Kamer – onder meer – meegedeeld dat het Legkippenbesluit 2003 zal worden gewijzigd en dat bij die wijziging een adequate overgangstermijn zal worden opgenomen voor de circa 30 bedrijven die in de afgelopen jaren al geïnvesteerd hebben in een verrijkte kooi (Kamerstukken II 2007-2008, 28 286, nr. 209). De in paragraaf 1 van de hiervoor gedeeltelijk geciteerde Nota van Toelichting vermelde brief van de minister van LNV [abusievelijk in de aanhef van die brief toegedicht aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voorzieningenrechter] (hierna: Minister) van 18 april 2008 (Kamerstukken II 2007-2008, 28 286, nr. 213) vermeldt het volgende:

“ De nieuwe regelgeving inzake het verbod op verrijkte kooien zal worden opgenomen in het Legkippenbesluit 2003. Zoals in voornoemde brief gemeld, zal worden voorzien in een adequate overgangstermijn voor de circa dertig bedrijven die de afgelopen jaren hebben geïnvesteerd in een verrijkte kooi of in een zogenoemde te verrijken kooi. Dat zijn kooien met een zodanige kooimaat dat zij in een later stadium zonder verdere aanpassing kunnen worden voorzien van de verplichte inrichtingselementen zoals zitstokken, legnesten en een strooiselvoorziening.

Benadrukt wordt dat deze overgangstermijn een voorziening is voor bestaande gevallen. Pluimveehouders die nu nog gaan investeren in deze kooien, al dan niet in anticipatie op het aangekondigde verbod, komen dus niet in aanmerking voor deze overgangstermijn. Anders zou het verbod op verrijkte kooien in belangrijke mate kunnen worden uitgehold, wat niet wenselijk is in het licht van de bescherming van het dierenwelzijn. Daarom zal worden geregeld dat de overgangstermijn alleen geldt voor verrijkte of te verrijken kooien die deel uitmaken van een huisvestingssysteem dat op 17 april 2008 in gebruik was, de dag voor de dag waarop deze brief Uw Kamer heeft bereikt.

Ook met vóór 18 april 2008 aangegane onomkeerbare investerings-verplichtingen met betrekking tot deze kooien zal rekening worden gehouden, voor zover de betrokken houder dit kan aantonen door middel van een verleende milieuvergunning, dan wel een aangevraagde milieuvergunning in combinatie met een aangevraagde bouwvergunning, dan wel een melding als bedoeld in het Besluit landbouw milieubeheer in combinatie met een aangevraagde bouwvergunning. De kooien dienen binnen twee jaar gereed en in gebruik te zijn.”

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoeker exploiteert een pluimveebedrijf te C met circa 37.000 legkippen. De legkippen, waarvan de laatste op 15 mei 2012 zijn afgevoerd, werden in traditionele kooien ofwel legbatterijen gehuisvest.

- Blijkens het ‘Toezichtrapport GWWD’ van 23 februari 2012 hebben op woensdag 15 februari 2012 twee inspecteurs van de Algemene Inspectiedienst een controle uitgevoerd op het pluimveebedrijf van verzoeker naar aanleiding van het vanaf

1 januari 2012 definitief van kracht worden van het verbod op het houden van legkippen in niet-aangepaste kooien oftewel legbatterijen.

Het toezichtrapport vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Wij stelden tijdens de fysieke controle middels de hokka[a]rt vast dat er op het bedrijf 37.600 legkippen werden gehuisvest. Ca 90% van deze leghennen in nog niet volledig aangepaste c.q. verrijkte kooien. Het ging hier om de kippen gehouden op KIP-nummer(s) 40443, stalnummer(s) 1. Volgens de gegevens op de hokkaarten ging het in totaal om 37.600 kippen. Volgens de opzetgegevens zijn er op 01 september 2010 in totaal 44.448 kippen opgezet.

(…)

Bovengenoemde vastgestelde is in strijd met hetgeen is aangegeven in artikel 2 lid 2, gelet op artikel 2 lid 4 van het Legkippenbesluit 2003.

Door het Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie is er een zogenaamde knelgevallenregeling in werking gesteld. Bovengenoemd bedrijf heeft zich niet aangemeld voor deze knelgevallenregeling.

Verder zijn er geen uitzonderingsbepalingen voor dit bedrijf van toepassing.

(…)

1e Opmerkingen overtreder

“Ik ben A en ik ben eigenaar en houder van de leghennen van de pluimveehouderij, gelegen aan de D, te (…) C.

In 2007 zijn wij gestart met het ombouwen van legbatterijen door het verwijderen van de tussenschotten. Dit is gebeurd door een IKB-erkend bedrijf. Een factuur hiervan heb ik reeds u overhandigd. Ik wist dat ik per 01 januari 2012 de legbatterijen aangepast moest hebben naar de normen van de verrijkte kooi. Wij zijn in november 2011 begonnen met het aanbrengen van de zitstokken, legnesten en scharrelmatjes. Het geheel zal worden afgerond gedurende de leegstand. De bedoeling is dat als de legbatterijen aangepast zijn naar verrijkte kooien, dat ik deze nog kan benutten tot 2021. Wij zijn pas op een vrij laat tijdstip kunnen starten met de ombouw, omdat er lang onzekerheid was tot wanneer de verrijkte kool is toegestaan. In eerste instantie heeft de tweede kamer een overgangstermijn tot 2017 voorgesteld en dit is later verruimd tot 2022. Ik achtte de knelgevallenregeling niet van toepassing, omdat de knelgevallenregeling is voor houders die omschakelen naar kolonie of volièrehuisvesting. Ik schakel om naar verrijkte kooi.”

Opmerkingen ambtenaren

(…) Wij zagen 6 legbatterijen die 5 hoog waren. Wij zagen dat de kooien van deze legbatterijen gedeeltelijk waren verrijkt. Wij zagen dat de tussenschotten tussen 2 kooien waren verwijderd en dat de mestbanden omhoog gebracht waren. Verder zagen wij dat er in een gedeelte van de legbatterijen aanpassingen waren gedaan en dat deze voorzien waren van zitstokken, en legnesten. In alle kooien bevonden en zich en [te lezen: geen] passende voorzieningen om het doorgroeien van de nagels tegen te gaan. Wij hebben in bijzijn van A een kooi opgemeten. De door ons vastgestelde maten waren 120 cm breed x 51 cm diep x 45 cm hoog. De andere kooien waren van soortgelijke afmetingen. A bevestigde ons dat hij in het jaar 2007 alle kooien had aangepast naar voornoemde maten. Wij zagen later op factuurnummer 6223 dat Van Middendorp pluimveeservice B.V. hiervoor werkzaamheden op het bedrijf heeft verricht. Op verschillende plaatsen lagen materialen, waarmee A alle legbatterijen verder wil verrijken, zodat deze allemaal aan de norm van verrijkte kooien zullen voldoen. Op dit moment is A dagelijks bezig met aanpassingen. De huidige koppel leghennen zullen volgens planning worden afgevoerd. in de eerste week van April 2012. De nieuwe koppel leghennen is gepland voor Juni 2012. Het betreft een aantal 32000 leghennen. In tussenliggende periode zullen de nog niet verrijkte kooien volledig ingericht worden naar verrijkte kooien. Tot 31 december 2011 was op basis van het Legkippenbesluit 2003 de minimale toegestane hokruimte per leghen 550 cm2. Op basis van het Legkippenbesluit 2003 voldeed voornoemde norm per 01-01-2012 niet meer maar moet deze minimaal 750 cm2 per leghen zijn. Na berekening stelden wij vast dat op 15-02-2012 de bezettingsgraad per leghen te hoog was waardoor gemiddeld per leghen 680 cm beschikbaar was. Hiervoor hebben wij Proces-verbaal aangezegd. A erkende dat hij per 01-01-2012 daarmee in overtreding was. Hij heeft geen goede mogelijkheid gezien om dit op te lossen vóór 01-01-2012.”

- Naar aanleiding hiervan hebben de inspecteurs geconcludeerd dat verzoeker artikel 2, tweede lid, Legkippenbesluit 2003 heeft overtreden door het houden van 37.600 legkippen, die voor circa 90% nog in niet volledig aangepaste c.q. verrijkte kooien worden gehuisvest.

- Vervolgens heeft verweerder bij brief van 7 maart 2012 verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt hem een last onder dwangsom op te leggen als de kippen, die volgens verweerder worden gehouden in kooien die niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen, niet uit deze kooien worden verwijderd.

- Op het pluimveebedrijf van verzoeker is op 15 maart 2012 opnieuw een controle uitgevoerd. De bevindingen daarvan zijn neergelegd het Toezichtsrapport GWWD van 27 maart 2012. Dit rapport vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende, waarbij voor “overtreder 1” verzoeker moet worden gelezen:

“Hierna bevonden wij, toezichthouders (…), vergezeld door overtreder 1 en pluimveedeskundige (…), ons in pluimveestal 1 van voornoemd bedrijf.

Desgevraagd deelde overtreder 1 mede dat er 150 kooien waren gemaakt in een etage/rij.

Vervolgens stelde ik, toezichthouder (…), vast dat er in de pluimveestal 4 legbatterijen waren van 6 etages hoog en 2 legbatterijen van 5 etages hoog. Ik telde per etage 57 grote kooien en 2 kleine kooien. Ik stelde na meting van één grote kooi vast dat de totale vrij beschikbare grondoppervlakte per grote kooi 120 cm x 51 cm= 6120 cm2 was en er derhalve 8 legkippen (6120 cm2 : 750 cm2 = 8,16 legkippen) per grote kooi gehouden en gehuisvest mogen worden, volgens artikel 5 lid 1 aanhef en onder a van het Legkippenbesluit 2003.

Ik stelde vast dat er 68 etages x 57 grote kooien=3876 grote kooien in totaal waren. Ik zag dat op de kopse kanten van de 6 legbatterijen zich kleine kooien bevonden. In totaal 68 etages x 2 kooien =136 kleine kooien. Ik stelde na meting van één kleine kooi vast dat de totale vrij beschikbare grondoppervlakte per kleine kooi 60 cm x 51 cm= 3060 cm2 was en er derhalve 4 legkippen (3060 cm2 : 750 cm2 = 4,08 legkippen) per kleine kooi gehouden en gehuisvest mogen worden, volgens artikel 5 lid 1 aanhef en onder a van het Legkippenbesluit 2003.

Wij, toezichthouders (…), zagen dat voornoemde kooien nagenoeg identiek van afmeting en inrichting waren.

Hierbij merk ik, toezichthouder (…), op dat ten onrechte in het toezichtsrapport van 15-02-2012 is vermeld dat de legbatterijen 5 etages hoog waren.

Ik, toezichthouder (…), stelde vast dat er 31.552 legkippen gehouden en gehuisvest mogen worden op voornoemd pluimveebedrijf. Op de legkalender zag ik dat er 37.201 legkippen werden gehouden en gehuisvest. Ik, toezichthouder (…), stelde vast op basis van voornoemde gegevens dat er te veel legkippen werden gehouden en gehuisvest op de totale beschikbare grondoppervlakte. De legkippen hadden niet de beschikking over de 750 cm2 beschikbare grondoppervlakte per legkip, als bedoeld In artikel 5 lid 1 onder a van het Legkippenbesluit 2003.

Aan de eis van voornoemd artikel wordt kennelijk niet voldaan.

Uit bovenstaande berekening blijkt dat de overbezetting van pluimveestal 1 5.649 legkippen is.

Wij, toezichthouders (…), zagen in de eerste legbatterij van 5 etages hoog, die het dichts[t] bij de verzamelruimte voor eieren staat, dat de 2e etage van deze legbatterij was aangepast. Wij zagen dat in voornoemde etage de zitstokken, de legnesten, de scharrelmatjes en per kooi 4 drinknippels waren aangebracht. Wij stelden vast dat in de 2e etage geen passende voorziening was aangebracht, die het doorgroeien van de nagels tegengaat, als bedoeld in artikel 5, lid 1 onder f, hierna te noemen nagelgarnituur.

Aan de eis in voornoemd artikel is kennelijk niet voldaan.

Na overleg hieromtrent, achteraf met collega's, is geconcludeerd dat het nagelgarnituur in voornoemde tweede rij niet aan de gestelde voorwaarden voldoet. Hierover is overtreder 1 na de controle telefonisch geïnformeerd. Verder stelden wij vast dat de tussenschotten waren verwijderd door middel van uitsnijden. Een kleine rand van deze verwijderde tussenschotten was nog zichtbaar.

Naar onze mening kon deze wijze van verwijdering van de tussenschotten worden aangemerkt als een correcte wijze van verwijdering van tussenschotten uit de oude legbatterijen, gebouwd vóór 2003. Zo is ook gerapporteerd in het toezichtrapport van d.d. 15 februari 2012. Na nader overleg met collega’s werd ons echter duidelijk gemaakt dat deze manier van verwijdering van de tussenschotten, het uitsnijden, mogelijk niet aan de gestelde voorwaarden voldoet van te verrijken kooien. Voornoemde problematiek rondom de oude legbatterijen, gebouwd vóór 2003, zal worden voorgelegd aan de afdeling Juridische Zaken van ELI. Ook hierover is overtreder 1 ingelicht. Hij maakte ons kenbaar dat hij de zaak zelf aan zijn advocaat zal voorleggen, omdat hij er absoluut van overtuigd is dat de oude kooien, gebouwd vóór 2003, wel degelijk zijn te verrijken. Volgens hem is er bouwkundig ook niets aan de constructie veranderd. Van de 2 legbatterijen van 5 etages hoog is de hoogte van de kooi aangepast door de retour mestband omhoog te brengen. Wij stelden door meting vast dat de hoogte na aanpassing van de retour mestband minimaal 45 cm bedroeg, gemeten aan de voorzijde van de kooi. Van de 4 legbatterijen van 6 etages hoog moeten de twee bovenste retour mestbanden nog omhoog gebracht worden. Dit zou volgens overtreder 1 in week 11 nog worden gerealiseerd. Alle grote kooien voornoemd hebben 4 drinknippels. Op de scharrelmatjes worden dagelijks houtkrullen gestrooid. Wij stelden door meting vast dat de legnesten 30 cm x 30 cm waren. Wij zagen dat een aantal kooien leeg waren. Wij telden in een aantal kooien meer dan 10 kippen per kooi.

Wij, toezichthouders (…), stelden vast dat er alleen aanpassingen waren gedaan in de 1e legbatterij 2e etage. Wij stelden door telling vast dat er in de overige 67 etages geen aanpassingen waren gedaan. Wij zagen dat er in voornoemde 67 etages geen zitstokken, geen legnesten, geen scharrelmatjes en geen voorziening was aangebracht die het doorgroeien van de nagels tegengaat, als bedoeld in artikel 5, lid 1 onder a, onder b, onder c, onder d en onder f.

Aan de gestelde eisen is kennelijk niet voldaan.”

- Naar aanleiding hiervan hebben de inspecteurs geconcludeerd dat verzoeker artikel 2, tweede lid, Legkippenbesluit 2003 heeft overtreden door het houden en huisvesten van 37.201 legkippen in niet (volledig) aangepaste kooien, waarbij de legkippen niet de beschikking hebben over een vrij beschikbaar grondoppervlakte van ten minste 750 cm2 per legkip, alsmede door het huisvesten van legkippen in 67 etages (3953 kooien) waarin geen zitstokken, geen legnesten, geen scharrelmatjes en geen passende voorziening die het doorgroeien van de nagels tegengaat, zijn aangebracht.

- Na controles op 23 en 30 maart 2012 kwamen de inspecteurs tot dezelfde bevindingen en conclusies, met dien verstande dat toen sprake was van respectievelijk 37.040 en 37.000 legkippen.

- Bij besluit van 2 april 2012 heeft verweerder verzoeker de last opgelegd om op 16 april 2012 de overtreding van artikel 2, vierde lid, Legkippenbesluit 2003 te hebben opgeheven, onder verbeurte van een dwangsom van € 8.820 indien op

16 april 2012 blijkt dat hieraan niet is voldaan.

- Blijkens het ‘Toezichtrapport hercontrole GWWD’ van 1 juni 2012 heeft op woensdag 30 mei 2012 een inspecteur van NVWA een controle uitgevoerd op het pluimveebedrijf van verzoeker. Het toezichtrapport vermeldt, voor zover hier van

belang, het volgende, waarbij voor “overtreder 1” verzoeker moet worden gelezen:

“Eerste opmerkingen Overtreder 1:

“De legkippen zijn op 15 mei 2012 afgevoerd, via slachterij Van der Meer te Dronrijp, naar een slachterij in België. Op dit moment staat de pluimveestal leeg. De materialen voor het verrijken van de kooien had ik al aangeschaft.

Ik ga deze nu aanbrengen in de kooien. Als alle voorzieningen zijn aangebracht, ga ik een nieuwe koppel leghennen opzetten. De nieuwe koppel leghennen, circa 31.500, staat gepland voor 03 en 04 juli 2012. Ik heb de legkippen al besteld. Ik ga deze nieuwe koppel leghennen niet afzeggen. Dit is niet mogelijk. Bovendien zijn er nog meer pluimveehouders die thans hun niet aangepaste kooien aan het ombouwen zijn. E is hier ook mee bezig. Die krijgt in juli ook een nieuwe koppel leghennen. Die man zit in het bestuur en weet er nog meer van dan ik. In Brabant gebeurd het nu ook dat de kooien worden aangepast.”

Opmerkingen ambtenaar:

Ik, toezichthouder (…), heb overtreder 1 meerdere malen duidelijk uitgelegd dat het niet toegestaan is een nieuwe koppel leghennen in deze niet aangepaste kooien te houden en te huisvesten. Ik heb overtreder 1 gewezen op de eventuele consequenties die dit voor hem en zijn bedrijf kan hebben.

(…)

Ik, toezichthouder (…), zag op de kopie orderbevestiging dat er 32.000 legkippen waren besteld op 26-01-2012. Ik zag dat de orderbevestiging op 26-01-2012 was ondertekend. Ik zag dat op voornoemde orderbevestiging dat de gewenste levertijd van de legkippen week 26-27 in 2012 was.

Ik, toezichthouder (…), zag dat de datum 26-01-2012, de datum van bestelling van de legkippen, lag vóór onze eerste controle op 15-02-2012.”

- Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur van NVWA geconcludeerd dat verzoeker door na 18 april 2010 niet aangepaste kooien om te bouwen, aan te passen en daarin inrichtingselementen (zitstokken, nesten, ruimte met strooisel) aan te brengen het Legkippenbesluit 2003 overtreedt en dat verzoeker, indien hij in de niet aangepaste kooien legkippen houdt en huisvest, het in artikel 2, vijfde lid, Legkippenbesluit 2003 neergelegde verbod zal overtreden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit van 12 juni 2012 genomen.

3. Het standpunt van partijen

3.1 Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter het bestreden besluit te schorsen. Hij stelt bij de gevraagde voorlopige voorziening een spoedeisend belang te hebben, aangezien hij de inrichting van de kooien inmiddels heeft aangepast en voornemens is zo spoedig mogelijk legkippen te huisvesten. Verzoeker heeft de nodige investeringen gedaan om aan de vereisten van het Legkippenbesluit 2003 te kunnen voldoen. Vanwege de financiële verplichtingen die hij met de bank is aangegaan, kan hij het zich niet permitteren dat de kooien thans leeg staan. Aan de last voldoen, zal volgens verzoekers het einde van zijn bedrijf betekenen.

Verzoeker betwist de bevoegdheid van verweerder de last onder dwangsom aan hem op te leggen. Van de gestelde overtreding van artikel 2, vierde lid, Legkippenbesluit 2003 is volgens verzoeker geen sprake. Verweerder heeft geen rekening gehouden met de aan die bepaling gekoppelde overgangsregeling voor verrijkte kooien, eindigend op 31 december 2020. Volgens verzoeker blijkt uit de Nota van Toelichting op de wijziging van het Legkippenbesluit 2003 dat bedoelde overgangstermijn ook geldt voor te verrijken kooien. Verzoeker is van mening dat zijn geval sprake is van te verrijken kooien, omdat hij de kooien voor 1 januari 2003 heeft gebouwd en in gebruik genomen en later inrichtingselementen heeft aangebracht voor een verrijkte kooi. Uit het feit dat in het bestreden besluit over een uiterste termijn van 18 april 2010 wordt gesproken, blijkt dat verweerder met de overgangsregeling geen rekening heeft gehouden. Naar de mening van verzoeker kan het bestreden besluit reeds om die reden niet in stand blijven.

Verder stelt verzoeker dat volgens bedoelde overgangsregeling de kooien weliswaar uiterlijk op 31 december 2011 aangepast hadden moeten zijn, maar dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan hij niet aan dit vereiste behoort te worden gehouden. Verzoeker meent alles in het werk te hebben gesteld om de inrichtingselementen in de kooien aan te brengen. Hij heeft echter lange tijd in onzekerheid verkeerd omtrent de overgangstermijn voor het verbod van het houden van legkippen in verrijkte kooien. De in eerste instantie bepaalde overgangstermijn tot 1 januari 2017 maakte het voor verzoeker niet rendabel om de aanpassingen aan de kooien nog te verrichten. Pas door de publicatie van de inwerkingtreding van het Besluit van 30 juni 2010 werd duidelijk dat de overgangstermijn werd de termijn verlengd tot 1 januari 2021. Volgens verzoeker was de tijd toen echter te kort om uiterlijk 31 december 2011 alle aanpassingen te hebben verricht. Omdat in de kooien nog productieve kippen werden gehouden, zijn de inrichtingselementen tijdens de productie, maar met een snelheid die rekening houdt met het welzijn van de dieren, in de kooien aangebracht. Een gedeelte van de kooien voldeed per 1 januari 2012 aan de in artikel 5 Legkippenbesluit 2003 gestelde eisen.

Inmiddels voldoen alle kooien aan die eisen.

3.2 Verweerder wijst er op dat vanaf 1 januari 2012 op grond van Richtlijn 1999/74/EG, zoals deze is geïmplementeerd in artikel 2, vijfde lid, van het Legkippenbesluit 2003, een Europees verbod op het houden van legkippen in legbatterijen geldt. Bovendien geldt vanaf die zelfde datum in beginsel een Nederlands verbod legkippen te houden in verrijkte kooien, met dien verstande dat het houden van legkippen in bestaande verrijkte kooien onder bepaalde voorwaarden is toegestaan tot en met 31 december 2020. Dit overgangsregime voor verrijkte kooien is bedoeld voor bedrijven die voor een bepaalde datum hebben geïnvesteerd in verrijkte kooien als houderijmethode, teneinde deze bedrijven een redelijke termijn te bieden de daarmee verband houdende investeringen terug te verdienen.

Op grond van artikel 2, vierde lid, Legkippenbesluit geldt voor bestaande verrijkte kooien een overgangstermijn tot 1 januari 2021, indien althans is voldaan aan de voorwaarde dat (-) sprake is van kooien die voor 18 april 2008 zijn gebouwd of (-) sprake is van kooien waarvoor vóór 18 april 2008 een milieuvergunning is verleend of een aanvraag voor een bouwvergunning is gedaan en tevens een aanvraag voor een milieuvergunning of een melding als bedoeld in artikel 7 van het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan en de kooien v óór 18 april 2010 zijn gebouwd en in gebruik genomen. Verweerder wijst er op dat pas na 1 januari 2003 verrijkte kooien werden gebouwd.

Met betrekking tot “te verrijken kooien” stelt verweerder zich onder verwijzing naar de toepasselijke regelgeving in verbinding met de Nota van Toelichting bij het besluit van 30 maart 2009 op het standpunt dat het moet gaan om kooien die voor 1 januari 2003 zijn gebouwd zonder verrijkingselementen, maar met zodanige afmetingen dat zij zonder aanpassingen voldoen aan de afmetingen van een verrijkte kooi (een oppervlakte van ten minste 45 cm hoog boven de vrije ruimte, ten minste 30 cm breed en een helling van ten hoogste 8 graden boven het gehele oppervlak). Slechts indien sprake is van zodanige kooien en indien de verrijkingselementen uiterlijk op 31 december 2011 waren aangebracht, komen deze kooien in aanmerking voor de overgangstermijn van artikel 2, vierde lid, Legkippenbesluit 2003, en kunnen deze derhalve worden gebruikt tot en met 31 december 2020.

Voorts stelt verweerder dat traditionele legbatterijen tot 1 januari 2003 werden gebouwd en dat hierin tot uiterlijk 1 januari 2012 leghennen konden worden gehuisvest en dat volgens de overgangsbepaling van artikel 2, vierde lid, Legkippenbesluit 2003 de kooien in dit huisvestingsysteem tot uiterlijk 18 april 2008 konden worden omgebouwd zodat aan de afmetingen van de verrijkte kooi werd voldaan. Verzoeker heeft echter (aanmerkelijk) later aanpassingen aan de kooien op zijn bedrijf aangebracht. Dat is, mede gelet op het feit dat behoudens de overgangsbepaling van artikel 2, vierde lid, Legkippenbesluit 2003, sinds 1 januari 2012 een verbod op verrijkte kooien geldt, te laat.

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat verzoeker niet aan de datum van 1 januari 2012 kan worden gehouden, geen sprake is. Verzoeker heeft feitelijk afgewacht of er een ruimere overgangstermijn met betrekking tot verrijkte kooien zou komen, dat wil zeggen of er een voor hem financieel gunstiger beslissing op politiek niveau zou komen. Dat is echter iets heel anders dan dat zij onmogelijk tijdig aan de regelgeving zouden kunnen voldoen. Verweerder wijst er tevens op dat de voorwaarden voor de overgangsmaatregel al in de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 18 april 2008 (Kamerstukken II, 2007-2008,

28 286, 213) bekend zijn gemaakt en dat verzoeker van die voorwaarden op de hoogte kon zijn. Hij heeft er niettemin voor gekozen pas in een zeer laat stadium en aanvankelijk bovendien slechts gedeeltelijk, tot aanpassingen van hun huisvestingssysteem over te gaan.

Tenslotte betwist verweerder dat het in vergelijkbare gevallen wel na 1 januari 2012 aan pluimveehouders zou zijn toegestaan traditionele kooien om te bouwen, te verrijken en exploiteren. Verweerder concludeert dat verzoeker de kooien niet alsnog (had) mogen verrijken en hij mag daarin geen legkippen huisvesten. Aangezien verzoeker desondanks duidelijk heeft aangekondigd dat hij een nieuw koppel legkippen gaat opzetten in de huidige kooien op zijn bedrijf, is de last onder dwangsom, die ertoe strekt dit te voorkomen, terecht opgelegd.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

4.2 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het risico van verbeurte van dwangsommen vooral een financieel belang vertegenwoordigt. Een zodanig belang zal in de regel op zichzelf onvoldoende reden vormen een voorlopige voorziening te treffen. Het staat een verzoeker immers vrij financiële compensatie van het bestuursorgaan te vorderen indien de dwangsombesluiten achteraf onrechtmatig zouden blijken te zijn. Het treffen van een voorlopige voorziening zal echter niettemin in beeld kunnen komen in het geval de financiële gevolgen, gelet op bijvoorbeeld de activiteiten en/of de vermogenspositie van de verzoeker, ernstiger zijn, en bovendien eerder naarmate die ernst toeneemt.

De voorzieningenrechter acht in het voorliggende geval aannemelijk dat het in stand blijven van de last onder dwangsom zeer ernstige financiële gevolgen voor het pluimveebedrijf van verzoeker zal hebben en acht de spoedeisendheid van zijn verzoek daarmee gegeven.

4.3 Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.4 Niet bestreden is dat het hier aan de orde zijnde huisvestingssysteem voor het houden en huisvesten van legkippen vóór 1 januari 2003 als traditionele kooi oftewel legbatterij is gebouwd en door verzoeker in gebruik is genomen. Uit het in artikel 2, vijfde lid, in verbinding met artikel 6, Legkippenbesluit 2003 bepaalde volgt dat na 31 december 2011 niet langer is toegestaan legkippen in dit type kooihuisvestingssysteem te houden. Verzoeker stelt echter dat de in artikel 2, vierde lid, Legkippenbesluit 2003 voorziene overgangstermijn tot 1 januari 2021 voor zogenoemde te verrijken kooien ook voor zijn huisvestingssysteem geldt.

4.5 Bij de invoering van het verbod op het houden van legkippen in zogenoemde verrijkte kooien is, om te voorkomen dat pluimveehouders al dan niet in anticipatie op dit verbod nog in verrijkte kooien gaan investeren, voorzien in een overgangstermijn voor bestaande gevallen. Uit de Nota van Toelichting bij het Wijzigingsbesluit en de brief van de Minister van 18 april 2008 blijkt dat de overgangstermijn in de eerste plaats geldt voor verrijkte kooien die vóór 18 april 2008 waren gebouwd of ten behoeve waarvan vóór 18 april 2008 een milieuvergunning was verleend of een bouwvergunning was aangevraagd en het systeem bovendien voor 18 april 2010 is gebouwd en in gebruik is genomen.

In de tweede plaats geldt de overgangstermijn voor ondernemers die anticiperend op het verbod op de legbatterij vóór 1 januari 2003 kooien hebben gebouwd en in gebruik hebben genomen met zodanige afmetingen dat in een later stadium, zonder aanpassingen aan de kooi zelf, door middel van het aanbrengen van inrichtingselementen (zitstokken, nesten, ruimte met strooisel), wordt voldaan aan de eisen van de verrijkte kooi. Deze zogenoemde te verrijken kooien moeten uiterlijk op 31 december 2011 aan alle vereisten voor een verrijkte kooi voldoen.

4.6 De voorzieningenrechter constateert dat het huisvestingssysteemvan verzoeker weliswaar vóór 1 januari 2003 is gebouwd en door hem in gebruik is genomen, maar dat de kooien toen niet voldeden aan de eisen om als verrijkte kooi te kunnen gelden. Zo blijkt uit het toezichtsrapport van 15 maart 2012 dat verzoeker de mestbanden heeft moeten verhogen om te kunnen voldoen aan het vereiste dat de vrije ruimte boven de gehele bruikbare oppervlakte van de kooi een hoogte van ten minste 45 cm hoog moet hebben. Voorts strekt die aanpassing, die verzoeker blijkbaar deels in het jaar 2007 en deels na 15 maart 2012 heeft gerealiseerd om alsnog aan dit vereiste te voldoen, verder dan het aanbrengen van inrichtingselementen. Naar voorlopig oordeel zijn dit aanpassingen aan de kooi zelf die ertoe leiden dat niet kan worden gesproken van een te verrijken kooi, die vóór 1 januari 2003 gebouwd en in gebruik moeten zijn genomen, als bedoeld in de Nota van Toelichting bij het Besluit. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het overgangsregime van artikel 2, vierde lid, Legkippenbesluit 2003, waarop verzoeker meent zich te kunnen beroepen, in het voorliggende geval reeds op grond van het bovenstaande toepassing mist.

Voorts constateert de voorzieningenrechter dat de kooien van verzoeker per 1 januari 2012 niet aan de in artikel 5 Legkippenbesluit bedoelde eisen voldeden. Uit de toezichtsrapporten, waarvan de laatste de inspectie op 30 mei 2012 betreft, blijkt dat 67 van de in totaal 68 etages niet waren voorzien van zitstokken, legnesten, scharrelmatjes en voorzieningen tegen het doorgroeien van de nagels.

Afgezien van het feit dat verzoekers beroep op bijzondere omstandigheden op grond waarvan hem niet zou kunnen worden tegengeworpen dat de kooien niet uiterlijk op 31 december 2011 aan alle vereisten voor een verrijkte kooi voldeden, niet kan slagen omdat zijn kooien niet als te verrijken kooien zijn aan te merken, kan het in hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd naar het oordeel van de voorzieningenrechter bovendien geen grond zijn gelegen hem een langere termijn te gunnen. De beslissing van verzoeker om zijn pluimveebedrijf ook na het in werking treden van het verbod op legbatterijen op basis van het bestaande huisvestingssysteem te exploiteren en met - het merendeel van - de wijzigingen van de bedrijfsvoering te wachten tot na de bekendmaking van de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit, is een bedrijfsbeslissing, waarvan de gevolgen voor zijn rekening en risico komen.

4.7 Nu in het huisvestingssysteem van verzoeker legkippen niet kunnen worden gehouden zonder artikel 2, tweede lid, Legkippenbesluit 2003 te overtreden en het gevaar voor overtreding klaarblijkelijk dreigt - ter zitting heeft verzoeker bevestigd dat het nieuwe koppel leghennen binnenkort zal worden geleverd - was verweerder bevoegd, teneinde die overtreding te voorkomen, verzoeker de last onder dwangsom op te leggen.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder niet van zijn bevoegdheid gebruik zou mogen maken, is de voorzieningenrechter niet gebleken. De op geen enkele wijze onderbouwde stelling van verzoeker dat verweerder in vergelijkbare gevallen wel zou toestaan dat het huisvestingssysteem - nog na 1 januari 2012 - wordt aangepast, is namens verweerder ter zitting weersproken.

4.8 Het vorenoverwogene leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat het bestreden besluit van 12 juni 2012, waarbij verzoeker een preventieve last onder dwangsom is opgelegd, naar voorlopig oordeel in rechte stand zal houden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2012.

w.g. M.A. van der Ham w.g. C.G.M. van Ede


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature