< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Kinderalimentatie . Wijziging van omstandigheden. Nadere vaststelling van kinderalimentatie in overeenstemming met wettelijke maatstaven en zo als het hof die redelijk en billijk acht.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 11 juli 2012

Zaaknummer : 200.099.481/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-3679

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. I.W. van Osch te Alphen aan den Rijn,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.A. Meijer te Alphen aan den Rijn.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de dochter 1],

geboren [in 1994] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [de dochter 1].

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 23 december 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 15 december 2010, 29 juni 2011 en 5 oktober 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder heeft op 20 februari 2012 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 22 maart 2012 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 17 januari 2012 een brief van 13 januari 2012 met bijlage;

- op 16 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de moeder:

- op 16 mei 2012 brief van 15 mei 2012 met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 10 januari 2012 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Op 29 mei 2012 is bij het hof een brief van 28 mei 2012 van [de dochter 1] ingekomen waarin zij haar vader en zijn advocaat machtigt om namens haar te procederen tijdens de zitting van 31 mei 2012 om 10.00 uur.

De zaak is op 31 mei 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

[de dochter 1] en de hierna te noemen minderjarige [de dochter 2] hebben schriftelijk hun mening kenbaar gemaakt.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen.

Bij beschikking van 15 december 2010 zijn partijen verwezen naar een voor hen bekende mediator om te trachten hun geschil ten aanzien van de uitoefening van het gezamenlijk gezag door middel van mediation tot een oplossing te brengen. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de kinderalimentatie , de kinderbijslag, de uitvoering van het convenant en de proceskosten is aangehouden.

Bij beschikking van 29 juni 2011 zijn, voor zover van belang:

- de hoofdverblijfplaats van [de dochter 1] en [de dochter 2] bij de vader bepaald;

- het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [de zoon] afgewezen;

- de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling afgewezen;

- bepaald dat de moeder medewerking verleent aan de verrekening van kosten als bedoeld in artikel 2.4 van het echtscheidingsconvenant over de periode vanaf 4 mei 2005; en

- de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (verder ook: kinderalimentatie) van [de dochter 1] en [de dochter 2] op nihil bepaald.

Iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie en de proceskosten is aangehouden.

Bij beschikking van 5 oktober 2011 is de door de vader te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de zoon] met ingang van 6 juli 2010 bepaald op € 600,- per maand. Voorts is de door de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de dochter 2] met ingang van 1 april 2009 bepaald op nihil en de door de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de dochter 1] met ingang van 1 juli 2009 op nihil bepaald. Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

Partijen zijn tot 4 februari 2003 gehuwd geweest en zijn de ouders van:

- [de dochter 1],

- [de dochter 2], geboren [in 1995] te [geboorteplaats] (verder ook: [de dochter 2]), en

- [de zoon], geboren [in 1998] te [geboorteplaats] (verder ook: [de zoon]),

hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [de dochter 2] en [de zoon] uit. [de dochter 2] en [de dochter 1] verblijven feitelijk sinds 1 april 2009 respectievelijk 1 juli 2009 bij de vader. Partijen hebben een echtscheidingsconvenant opgesteld welk convenant onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 15 januari 2003.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

- de nakoming van artikel 2.4 van het echtscheidingsconvenant;

- de verblijfplaats van [de zoon];

- de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon];

- de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de dochter 1] tot 8 februari 2012 respectievelijk de met ingang van die datum door de moeder aan [de dochter 1] te betalen te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie; en

- de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de dochter 2];

2. De vader verzoekt de beschikkingen van 15 december 2010 en 29 juni 2011 alsmede de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover nodig onder aanvulling en verbetering van gronden:

- te bepalen dat de moeder met ingang van 1 april 2009 en 1 juni 2009, althans een datum door het hof in goede justitie te bepalen, een bedrag van € 368,70 per maand aan de vader dient te voldoen inzake de alimentatie van [de dochter 2] respectievelijk [de dochter 1], althans een bijdrage door het hof in goede justitie te bepalen;

- de kinderalimentatie ten behoeve van [de zoon] op nihil te stellen, althans te wijzigen, met ingang van 6 juli 2010, althans met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum;

- de moeder te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 14.417,70 aan de vader uit hoofde van artikel 2.4 van het echtscheidingsconvenant over de periode 2005-2010 althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag; en

- de hoofdverblijfplaats van [de zoon] bij de vader te bepalen;

- kosten rechtens.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans de grieven van de vader ongegrond te verklaren. In incidenteel hoger beroep verzoekt de moeder beschikking van 29 juni 2011 te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de vader te bepalen dat de moeder dient mee te werken aan een kostenverdeling af te wijzen.

4. De vader verzet zich daartegen en verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in incidenteel hoger beroep, althans dit af te wijzen, en de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

Nakoming echtscheidingsconvenant en verblijfplaats [de zoon]

5. De vader heeft ter zitting grief IV - betrekking hebbende op de nakoming van artikel 2.4. van het echtscheidingsconvenant - en grief VII - inhoudende dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de zoon] heeft afgewezen - ingetrokken. De moeder heeft haar grief in incidenteel hoger beroep ingetrokken. Voormelde grieven behoeven derhalve geen bespreking.

Klachten procedure rechtbank

6. De vader klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij na de beschikking van 29 juni 2011 geen nadere stukken van de vader heeft ontvangen, aangezien de vader op 29 juli 2011 een brief aan de rechtbank heeft overgelegd waarin hij ingaat op de stellingen en verweren van partijen over de kinderalimentatie.

7. De moeder bestrijdt het standpunt van de vader. Zij begrijpt de beschikking van de rechtbank aldus dat de gevraagde financiële informatie niet door de rechtbank is ontvangen.

8. Het hof overweegt als volgt. Nu de vader in hoger beroep ten volle in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt nader toe te lichten kan de feitelijke gang van zaken in eerste aanleg in het midden blijven en gaat het hof daaraan voorbij.

Alimentatie

9. Partijen verschillen van mening over de vraag of en in hoeverre zij over en weer alimentatie verschuldigd zijn voor de niet bij een van hen verblijvende kinderen.

10. Het hof is enerzijds van oordeel dat het echtscheidingsconvenant ten aanzien van de alimentatie voor de kinderen in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, en anderzijds is het tevens van oordeel dat deze regeling voor partijen in de praktijk leidt tot een onwerkbare situatie die ten tijde van het opstellen van het echtscheidingsconvenant niet voorzienbaar was. Immers, partijen hebben jarenlang geen uitvoering gegeven aan het onder artikel 2.4. van het in het echtscheidingsconvenant vermelde verrekeningsbeding. Voor zover partijen al dan niet door tussenkomst van de rechter uitvoering geven of hebben gegeven aan het verrekeningsbeding, heeft dit geleid tot discussiepunten met betrekking tot de hoogte van de kosten van de kinderen. Daar komt bij dat de omstandigheden sinds het opstellen van het echtscheidingsconvenant in grote mate zijn gewijzigd. Zo is de vader gehuwd en zijn [de dochter 1] en [de dochter 2] bij de vader gaan wonen. Voorts is het inkomen van de vader aanzienlijk gestegen. De vader draagt bovendien voor 45% de zorg voor [de zoon] en de moeder voor 55%. [de dochter 1] en [de dochter 2] hebben weinig tot geen contact met de moeder, terwijl ten tijde van de echtscheiding sprake was van een zogenoemd “co-ouderschap”.

Bovendien heeft de vader ter zitting nog - onweersproken - verklaard, dat [de zoon] meer dan 45% van de tijd bij hem verblijft en [de zoon] in financieel opzicht niets te kort komt.

11. Het hof begrijpt de bestreden beschikking aldus dat de rechtbank ervoor heeft geopteerd van het echtscheidingsconvenant af te wijken en wel in die zin dat de rechtbank zelfstandig, met inachtneming van de wettelijke maatstaven, de kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen heeft vastgesteld. Daarmee is hetgeen partijen zijn overeengekomen met betrekking tot de verrekening voor de toekomst vervallen. Het hof verstaat de bestreden beschikking en het echtscheidingsconvenant voorts aldus dat over de periode tot de bestreden beschikking de kinderalimentatie bepaald wordt op de kosten die door ieder van partijen ten behoeve van de kinderen daadwerkelijk zijn gemaakt.

12. Onder die omstandigheden acht het hof het in belang van partijen en de kinderen dat voor partijen duidelijkheid wordt verschaft. Het hof zal op grond van alle van belang zijnde omstandigheden naar redelijk- en billijkheid beoordelen of en zo ja in welke mate de huidige situatie met zich brengt dat partijen aan elkaar een bijdrage dienen te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Het hof neemt daarbij aan de zijde van de vader in aanmerking, dat hij met diens echtgenote een veel hoger inkomen heeft dan de moeder, de volledige zorg heeft voor de beide dochters van partijen en daarenboven voor [de zoon] financieel zorgt in die zin dat hij in voorkomende gevallen ook dagelijkse kosten voor zijn rekening neemt.

Aan de zijde van de moeder neemt het hof in aanmerking, dat [de zoon] bij haar staat ingeschreven, zij de dagelijkse zorg voor [de zoon] heeft en voor hem kosten maakt.

13. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden acht het hof het redelijk en billijk dat de vader een bedrag van € 100,- per maand aan de moeder betaalt voor de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] en dat de moeder niet bijdraagt in kosten van levensonderhoud voor [de dochter 1] en [de dochter 2], nu haar draagkracht aanmerkelijk lager is dan dat van de vader (en zijn huidige echtgenote) en zij de feitelijke zorg voor [de zoon] heeft. Het hof acht deze beslissing in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

14. Het hof gaat bij het bovenstaande ervan uit, dat partijen hun best zullen doen hun onderlinge communicatie in het belang van hun kinderen te verbeteren en dat zij bij een wijziging van omstandigheden met elkaar in overleg zullen treden over de daaraan eventueel te verbinden consequenties voor hun onderhoudsverplichtingen jegens de kinderen.

Het bovenstaande brengt mee, dat in afwijking van het convenant zal worden bepaald, dat de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor [de zoon] € 100,- per maand bedragen en dat het door de vader gedane verzoek om een onderhoudsbijdrage voor de dochters wordt afgewezen.

Het hof oordeelt het bovendien redelijk en billijk, dat geen vorderingsrecht over en weer bestaat ten aanzien van de onderhoudskosten in het verleden vanaf 5 mei 2010. Deze zullen worden vastgesteld op hetgeen daadwerkelijk is betaald of verrekend. Van de moeder behoeft niet te worden verwacht dat zij tot terugbetaling gehouden is.

15. Hetgeen hiervoor is overwogen en beslist geldt niet voor de verplichting van de moeder dat zij gehouden is tot verrekening over de periode 4 mei 2005 tot 4 mei 2010 als bedoeld in de beslissing van de rechtbank van 29 juni 2011 nu tegen die beschikking niet tijdig is geappelleerd en het daarop betrekking hebben hoger beroep in deze procedure is ingetrokken.

16. Hetgeen partijen over en weer overigens hebben aangevoerd behoeft geen bespreking nu dat niet tot een ander oordeel leidt.

Proceskosten

17. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

18. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 5 mei 2010 op € 100,- per maand;

wijst het verzoek van de vader om een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de dochter 1] en [de dochter 2] af;

bepaalt dat hetgeen na 5 mei 2010 door de moeder teveel is ontvangen ter zake van kinderalimentatie niet behoeft te worden terugbetaald;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, van Nievelt en Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature