< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

WOZ. Geen proceskostenvergoeding ondanks het niet verstrekken van een kopie van de kladmatrix door de heffingsambtenaar. Hoewel de door de Hoge Raad geformuleerde redelijke termijn van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase is overschreden en de bezwaarfase langer dan een half jaar heeft geduurd, kent de rechtbank geen immateriële schadevergoeding toe, aangezien de rechtbank van oordeel is dat het bezwaar en beroep voldoende voortvarend behandeld is.

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/820

Uitspraakdatum: 25 mei 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats X], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de heffingsambtenaar van 29 december 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [de woning] te [plaats X] (hierna: de woning), is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelastingen 2010.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te [plaats X], en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigden].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de woning, per waardepeildatum 1 januari 2009 (hierna: de waardepeildatum), vastgesteld voor het kalenderjaar 2010 op € 461.000. Gelijktijdig is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2010 bekend gemaakt. In de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde en de aanslag gehandhaafd.

2.2. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 438.000. In belanghebbendes visie dient namelijk de grondstaffel voor de twee onder één kap woning te worden toegepast in plaats van de door de heffingsambtenaar toegepaste grondstaffel voor een vrijstaande woning.

2.3. De bewijslast inzake de juistheid van de aan de woning toegekende waarde ligt bij de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft daartoe een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 16 maart 2011 door [taxateur], taxateur te Tilburg. In dat taxatierapport wordt verwezen naar de opbrengst behaald bij verkoop van een viertal ter vergelijking met de woningen opgevoerde objecten te [plaats X], zijnde [referentieobject 1], [referentieobject 2], [referentieobject 3] en, ter indicatie nu belanghebbende zich beroept op de vraagprijs ervan, [referentieobject 4] (hierna: referentieobjecten). De rechtbank stelt voorop dat het in het taxatierapport opgenomen object [referentieobject 4] niet kan dienen als vergelijkingsobject, omdat dit object niet verkocht is op of voldoende dicht voor of na de waardepeildatum. Het taxatierapport is voorzien van beeldmateriaal van zowel de woningen als van de referentieobjecten. Verder heeft de heffingsambtenaar een matrix betreffende de woning en de referentieobjecten in geding gebracht. In het taxatierapport is de waarde van de woning getaxeerd op € 461.000.

2.4. Naar het oordeel van de rechtbank is het object [referentieobject 1] het best vergelijkbaar met de woning. Beide woningen betreffen namelijk geschakelde vrijstaande woningen, het bouwjaar verschilt slechts één jaar en beide woningen beschikken eveneens over een vrije zijde. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank bij beide objecten wel sprake van een vrijstaande uitstraling en heeft de heffingsambtenaar terecht de grondstaffel voor vrijstaande en geschakelde woningen toegepast. Het hoofdgebouw van de woning beslaat in totaliteit (inclusief aanbouw) 146 m3 meer dan [referentieobject 1]. Daarnaast beschikt de woning over een overkapping en een berging en is de kaveloppervlakte 103 m2 groter dan die van [referentieobject 1]. Daartegenover staat dat de woning niet beschikt over een garage zoals [referentieobject 1]. Daarnaast is de ligging van [referentieobject 1] beter dan die van de woning, aangezien de laatste gelegen is nabij sociale woningbouw. De heffingsambtenaar heeft met de gunstige ligging van [referentieobject 1] echter rekening gehouden door een lagere prijs per vierkante meter toe te rekenen aan de woning. Het feit dat de bovenverdieping van de woning aan het buurpand grenst en daardoor minder ruimte zit tussen de hoofdbouw van de woning en die van het buurpand ten opzichte van [referentieobject 1] maakt niet dat [referentieobject 1] niet geschikt is als vergelijkingsobject of reden is voor vermindering van de vastgestelde waarde. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de vastgestelde waarde van de woning in een onjuiste verhouding staat tot de gerealiseerde verkoopprijs van [referentieobject 1]. De heffingsambtenaar heeft derhalve aan zijn bewijslast voldaan.

2.5. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

Met betrekking tot de proceskostenvergoeding

2.6.1. Belanghebbende heeft in het kader van de proceskostenvergoeding aangevoerd dat artikel 7:4, vierde lid van de Awb is geschonden aangezien desgevraagd geen afschrift van de kladmatrix is verstrekt die ter inzage is verstrekt tijdens de hoorzitting. De rechtbank gaat ervan uit dat de desbetreffende matrix een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de uitspraken op bezwaar en daarmee een op de zaak betrekking hebbend stuk vormt in de zin van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Van dit stuk had de heffingsambtenaar ingevolge artikel 7:4, lid 4, van de Awb aan belanghebbende een afschrift (tegen vergoeding) behoren te verstrekken en dit stuk had hij ingevolge artikel 8:42, lid 1, van de Awb aan de rechtbank behoren te zenden. Van schending van een vormvoorschrift is derhalve sprake.

2.6.2. Belanghebbende heeft niet verzocht tot overlegging van de kladmatrix. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat door het ontbreken van die matrix informatie die ontlastend voor belanghebbende kan zijn, is achtergehouden. De rechtbank ziet daarom ook uit eigen beweging geen reden om de heffingsambtenaar te gelasten de kladmatrix te overleggen.

2.6.3. Belanghebbende stelt door de schending van het vormvoorschrift te zijn geschaad in zijn processuele belangen en ziet hierin reden hem, ook bij ongegrondheid van het beroep, een proceskostenvergoeding toe te kennen. Daarnaast stelt belanghebbende dat het voorgaande temeer geldt nu de heffingsambtenaar in de bezwaarfase nieuwe vergelijkingsobjecten heeft aangedragen, zonder dat in de uitspraken op bezwaar de objectkenmerken daarvan zijn vermeld en derhalve een goede vergelijking niet mogelijk was. De rechtbank stelt voorop dat bij ongegrondverklaring een proceskostenveroordeling in de regel achterwege blijft. De rechtbank acht voorts niet aannemelijk dat het niet verstrekken van een kopie van de ter inzage verkregen matrix voor belanghebbende (mede) aanleiding is geweest voor het instellen van het beroep. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende inzage heeft gehad in de matrix en, naar de rechtbank aannemelijk acht, de mogelijkheid had de gegevens van de matrix over te nemen, maar dit niet heeft gedaan. De omstandigheid dat belanghebbende niet hierom heeft verzocht en de heffingsambtenaar een zodanig voorstel niet heeft gedaan, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

2.6.4. Gelet op hetgeen in 2.6.3 is overwogen ziet de rechtbank geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Met betrekking tot de immateriële schadevergoeding

2.7.1. In het arrest 10 juni 2011, nr. 09/05112, LJN BO5080 heeft de Hoge Raad beslist dat in belastingzaken, waar artikel 6 EVRM niet van toepassing is, een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend, ook indien het beroep tegen de aanslag of beschikking ongegrond is verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat artikel 8:73 van de Awb in die gevallen van overeenkomstige toepassing is. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.

2.7.2. In het in 2.7.1 vermelde arrest van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad beslist dat een redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase in beginsel twee jaar is. De redelijkheid van de duur van berechting van een zaak is voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek en de omvang van het verrichte onderzoek;

b. de invloed van de belanghebbende op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.

c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen;

d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak.

2.7.3. Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 9 april 2010, zijn ten tijde van de onderhavige uitspraak ruim twee jaar en een maand verstreken. De procedure van belanghebbende heeft tot op heden de volgende fasen met de volgende tijdsduren doorlopen:

Bezwaarfase: 8 maanden en 20 dagen

Dagtekening beschikking 28 februari 2010

Binnenkomst pro forma bezwaar 9 april 2010

Binnenkomst gronden bezwaarschrift 23 april 2010

Bezoek taxateur 12 oktober 2010

Concept uitspraak op bezwaar 30 november 2010

Hoorzitting 28 december 2010

Uitspraak op het bezwaar 29 december 2010

Beroepsfase: 15 maanden en 18 dagen

Binnenkomst beroepschrift 7 februari 2011

Uitnodiging heffingsambtenaar voor verweer 24 februari 2011 (termijn: 4 weken)

Dagtekening taxatierapport 16 maart 2011

Uitstelverzoek heffingsambtenaar 16 maart 2011

Uitstelverzoek geweigerd 17 maart 2011

Ontvangst verweerschrift 22 april 2011

Doorzending verweerschrift 2 mei 2011

Ontvangst verzoek belanghebbende te repliceren 6 mei 2011

Inwilliging verzoek tot repliceren 23 mei 2011 (termijn: 4 weken)

Ontvangst conclusie van repliek 21 juni 2011

Uitnodiging heffingsambtenaar te dupliceren 4 juli 2011 (termijn: 4 weken)

Ontvangst conclusie van dupliek geen

Uitnodiging mondelinge behandeling 14 maart 2012

Ontvangst nader stuk belanghebbende 19 april 2012

Mondelinge behandeling 11 mei 2012

Uitspraak 25 mei 2012

2.7.4. In art. 24, eerste lid, van de Wet WOZ is bepaald dat de beschikking binnen acht weken na het begin van het jaar bekend wordt gemaakt. Gelet op artikel 236, tweede lid, Gemeentewet en artikel 30, achtste lid, van de Wet WOZ , doet de heffingsambtenaar, in afwijking van artikel 7: 10 van de Awb , uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen, mits het bezwaarschrift niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar. De wetgever heeft bewust rekening willen houden met de ‘piekbelasting’ van de lagere overheden. Dit leidt de rechtbank af uit de parlementaire behandeling waaraan de volgende passage is ontleend (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 206, nr. 7, pag. 15):

“Het wetsvoorstel Versterking fiscale rechtshandhaving voorzag aanvankelijk in een verkorting van de fiscale beslistermijnen tot dertien weken. Door het amendement-De Nerée tot Babberich c.s. (Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 20) bevat die wet tevens de wetswijzigingen die nodig zijn om op termijn ook voor beslissingen inzake belastingen de Awb-beslistermijnen te laten gelden. Omdat de Belastingdienst heeft aangegeven al per 1 januari 2008 in staat te zijn beschikkingen op aanvraag en bezwaarschriften binnen de Awb-termijn af te handelen, zullen de desbetreffende artikelen op die datum in werking treden. Bij de totstandkoming van het amendement-De Nerée tot Babberich c.s. zijn de consequenties voor de decentrale overheden niet onder ogen gezien. Dit betekent dat zonder nadere regeling ook voor hen de Awb-termijnen gaan gelden. Voor gemeenten is met het oog op de piekbelasting als gevolg van de koppeling van de verzending van de gemeentelijke belastingaanslagen aan de beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken al in het oorspronkelijke wetsvoorstel een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt de afdoening van bezwaarschriften over het kalenderjaar uit te smeren.”

2.7.5. Tussen de binnenkomst van het bezwaarschrift en het bezoek van de taxateur zit een tijdsbestek van ruim een half jaar. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar onweersproken en geloofwaardig gesteld dat de behandeling van bezwaarschriften direct start zodra de eerste bezwaarschriften worden ontvangen en dat gelet op de hoeveelheid ingekomen bezwaarschriften en de te verrichten taxaties, het bij sommige belastingplichtigen langer kan duren voordat wordt toegekomen aan het in behandeling nemen van het bezwaarschrift van die betrokken belastingplichtigen. Gezien het feit dat in elke gemeente in beginsel aan iedere belastingplichtige voor de WOZ, de beschikking binnen acht weken na aanvang van het kalenderjaar bekend moet worden gemaakt en ervan uitgaande dat belanghebbende niet de enige is die in bezwaar is gegaan tegen de genomen beschikking, mag van de heffingsambtenaar niet worden verwacht dat hij in staat is om binnen zes maanden op ieder bezwaar een goed onderbouwde beslissing te nemen. De rechtbank acht aannemelijk dat de heffingsambtenaar niet eerder dan eerst kort voor 12 oktober 2011, de datum waarop de taxateur de woning inpandig heeft opgenomen, is toegekomen aan het in behandeling nemen van het bezwaar van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het bezwaar vervolgens voldoende voortvarend behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarfase in de gegeven omstandigheden niet onredelijk lang geduurd.

2.7.6. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2009 (LJN BH1009) waarin is bepaald dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar mag duren doet hieraan niet af. De rechtbank acht namelijk de wettelijke duur van de bezwaarfase in die procedure niet vergelijkbaar met de wettelijke duur van de bezwaarfase en de beweegredenen van de wetgever daarvoor, in de onderhavige procedure. Ook belanghebbendes beroep op de uitspraak van rechtbank Roermond van 15 november 2011, nr. 09/1387, LJN BU5822 waarin is geoordeeld dat de redelijke termijn voor de heffingsambtenaar om te beslissen op het bezwaar een half jaar is, ook al werd hem – volgens de rechtbank Roermond – op grond van de AWR een wettelijke termijn van een jaar gegund, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

2.7.7. De beroepsfase heeft, zoals vastgesteld in 2.7.3 een periode van 15 maanden en 18 dagen in beslag genomen. De mate van voortvarendheid in de beroepsfase en de daarmee gemoeide tijd zijn naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk, zodat ook uit dien hoofde geen aanleiding voor toekenning van een immateriële schadevergoeding bestaat.

2.7.8. De omstandigheid dat gelet op hetgeen in 2.7.5 tot en met 2.7.7 is overwogen sinds de ontvangst van het bezwaarschrift en de onderhavige uitspraak ruim twee jaar en een maand zijn verstreken, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht een dergelijke termijn in dit geval redelijk. Hierbij neemt de rechtbank mede in ogenschouw dat de lange duur deels is te verklaren uit de door belanghebbende zelf tot uiting gebrachte noodzaak tot gedegen bespreking en onderzoek van de door hem, in zijn geschriften of mondeling, aangevoerde argumenten en grieven.

2.7.9. Belanghebbende beroept zich voorts op de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 december 2011, nr. 11/2697. Deze uitspraak is niet voor publicatie vrijgegeven. In voormelde procedure had de bezwaarfase ruim 23 maanden geduurd en de beroepsfase ruim 7 maanden. De rechtbank acht die uitspraak op het onderhavige geval waarin de bezwaarfase ruim 8 maanden en de beroepsfase ruim 15 maanden heeft geduurd, niet van toepassing.

2.7.10 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 25 mei 2012 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.A. Mandemakers, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 31 mei 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature