< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Herziening WAO-uitkering. De hersteldverklaring door de bedrijfsarts Ziektewet per 18 november 2008 kan in deze situatie geen rol van betekenis spelen. Een dergelijke hersteldverklaring kan, uitzonderingen daargelaten, niet in de plaats komen van een medische en arbeidskundige beoordeling naar de mate van arbeidsongeschiktheid. Er is dan ook geen sprake van een afgesloten periode in het verleden en van een situatie dat betrokkene per 18 november 2008 in de situatie verkeert dat zij recht heeft op een WAO-uitkering gebaseerd op de arbeidsongeschiktheid die aanwezig was tot het moment van ziekmelding en toegenomen arbeidsongeschiktheid op 13 juli 2007, te weten 15 tot 25%. Op 18 november 2008 had betrokkene recht op een WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit 2 is sprake van verlaging van de WAO-uitkering per 18 november 2008 naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak terecht en op juiste gronden geoordeeld dat appellant een uitlooptermijn had moeten hanteren vanaf 14 april 2011, omdat betrokkene toen pas op de hoogte was gesteld van de functies die ten grondslag liggen aan de arbeidsongeschiktheid zoals vastgesteld in besluit 2.

Uitspraak



11/6846 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 oktober 2011, 10/3118 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 26 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.M.A. Mertens, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. Betrokkene is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan betrokkene is met ingang van 14 maart 1995 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Een aanvankelijke intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 28 augustus 2006 heeft na bezwaar geleid tot een verlaging van de WAO-uitkering met ingang van laatstgenoemde datum naar een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en toekenning van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2. Een ziekmelding vanuit de uitkeringssituatie op grond van de WW met ingang van 13 juli 2007 heeft geleid tot toekenning van een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 12 oktober 2007. Een bedrijfsarts Ziektewet heeft betrokkene met ingang van 18 november 2008 weer geschikt geacht om haar werk te doen.

1.3. Appellant heeft bij besluit van 7 maart 2008 geweigerd de WAO-uitkering van betrokkene te verhogen onder de overweging dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 13 juli 2007 een andere oorzaak heeft dan de ziekte-oorzaak die op 13 juli 2007 al bestond. Het bezwaar van betrokkene tegen die weigering heeft appellant bij besluit van 9 juli 2008 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft betrokkene beroep ingesteld. De rechtbank Utrecht heeft in haar uitspraak van 2 juni 2010, 08/2385, kort samengevat, geoordeeld dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid per 13 juli 2007 wel voortkwam uit dezelfde oorzaak terzake waarvan betrokkene voor 13 juli 2007 WAO-uitkering ontving, en heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 9 juli 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene te nemen.

1.4. Bij besluit van 16 augustus 2010 (besluit 1) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 maart 2008 gegrond verklaard en besloten om de WAO-uitkering over de periode van 10 augustus 2007 tot 18 november 2008 te baseren op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tijdens de beroepsprocedure tegen besluit 1 heeft appellant een nader onderzoek ingesteld. Dit nadere onderzoek heeft geleid tot een besluit van 14 april 2011 (besluit 2), waarbij besluit 1 is gewijzigd (aangevuld) in die zin dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 18 november 2008 niet wordt gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, maar op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, met bepalingen omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten, en het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank besluit 2 vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene te nemen, met een bepaling omtrent vergoeding van proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een situatie waarin een uitkering is herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid en heeft appellant ten onrechte geen uitlooptermijn (van twee maanden) gehanteerd.

3. Appellant is in hoger beroep gekomen tegen de aangevallen uitspraak en wel - naar de Raad uit de gronden van het hoger beroep afleidt - enkel voor zover die ziet op besluit 2. Appellant heeft zijn standpunt herhaald dat zijn besluitvorming in overeenstemming is met de overwegingen van de rechtbank in uitspraak 1, dat door toekenning van een ZW-uitkering de indruk is gewekt dat wel sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Dat gewekte vertrouwen is voor appellant aanleiding geweest de WAO-uitkering te verhogen en tevens te verlagen met ingang van het moment waarop de ZW-uitkering door een hersteldmelding is geëindigd. Appellant heeft verder aangevoerd dat hier geen sprake is van een verlaging ten opzichte van een eerdere situatie.

4.1. Het standpunt van appellant berust op een verkeerde lezing van de in 1.3 vermelde uitspraak van 2 juni 2010. Zoals blijkt uit deze uitspraak heeft de rechtbank op grond van de omstandigheden dat betrokkene na haar ziekmelding per 13 juli 2007 gedurende 13 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in het kader van de toepassing van de WW en aansluitend een ZW-uitkering heeft ontvangen, het voldoende aannemelijk geacht dat betrokkene vanaf 13 juli 2007 toegenomen arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is geweest en dat die toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de toeneming van die arbeidsongeschiktheid niet voortkwam uit een andere oorzaak als ter zake waarvan betrokkene voor 13 juli 2007 een WAO-uitkering ontving. Dusdoende heeft de rechtbank geoordeeld dat aan alle voorwaarden voor toepassing van artikel 39a, eerste lid, van de WAO was voldaan. Betrokkene ontleende haar recht op verhoging van de WAO-uitkering dan ook niet aan een gehonoreerd beroep op het vertrouwensbeginsel, maar aan toepassing van artikel 39a, eerste lid, van de WAO .

4.2. De hersteldverklaring door de bedrijfsarts Ziektewet per 18 november 2008 kan in deze situatie geen rol van betekenis spelen. Een dergelijke hersteldverklaring kan, uitzonderingen daargelaten, niet in de plaats komen van een medische en arbeidskundige beoordeling naar de mate van arbeidsongeschiktheid. Er is dan ook geen sprake van een afgesloten periode in het verleden en van een situatie dat betrokkene per 18 november 2008 in de situatie verkeert dat zij recht heeft op een WAO-uitkering gebaseerd op de arbeidsongeschiktheid die aanwezig was tot het moment van ziekmelding en toegenomen arbeidsongeschiktheid op 13 juli 2007, te weten 15 tot 25%. Op 18 november 2008 had betrokkene recht op een WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit 2 is sprake van verlaging van de WAO-uitkering per 18 november 2008 naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak terecht en op juiste gronden geoordeeld dat appellant een uitlooptermijn had moeten hanteren vanaf 14 april 2011, omdat betrokkene toen pas op de hoogte was gesteld van de functies die ten grondslag liggen aan de arbeidsongeschiktheid zoals vastgesteld in besluit 2. Eveneens terecht heeft de rechtbank gewezen op de omstandigheid dat de WAO-uitkering per 31 maart 2010 opnieuw is verhoogd en sindsdien is gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en dat aan betrokkene ook over de periode van 18 november 2008 tot 31 maart 2010 een WAO-uitkering toekomt gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet. Doende wat de rechtbank, gelet op de overwegingen van de Raad in 4.1 en 4.2 en in het licht van de door de rechtbank uitgesproken vernietiging van besluit 2 had horen te doen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de WAO-uitkering over de periode van 18 november 2008 tot 31 maart 2010 moet worden gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De Raad zal de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dan ook vernietigen voor zover daarbij de opdracht is vervat tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar, en voor het overige bevestigen.

4.4. De Raad wijst, indien en voor zover na verrekening met hetgeen betrokkene krachtens een andere sociale zekerheidswet over hetzelfde tijdvak eventueel heeft ontvangen, een bedrag aan nabetaling van WAO-uitkering resteert, het verzoek van betrokkene toe om appellant te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over die eventueel na te betalen uitkering. Voor de wijze waarop appellant de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, LJN BV1958.

5. De Raad ziet aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,- (1 punt voor verweerschrift) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en voor zover daarbij opdracht is verstrekt tot het geven van een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene;

-bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

-bepaalt dat de WAO-uitkering over de periode van 18 november 2008 tot 31 maart 2010 wordt gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 14 april 2011;

-veroordeelt appellant tot vergoeding aan betrokkene van de schade zoals onder 4.4 is vermeld;

-bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven;

-veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 437,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C. Bruning en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt

EV


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature