< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Winkeltijdenwet, avondwinkel

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 11/1012 25 juli 2012

12500 Winkeltijdenwet

Uitspraak in de zaak van:

A, als rechtsopvolger van B, h.o.d.n. C, te D, appellant,

gemachtigde: mr. D. Zeewuster, advocaat te Arnhem,

tegen

burgemeester en wethouders van Arnhem, verweerders,

gemachtigde: mr. M.C.J. Kasteel, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

1. Het procesverloop

Appellant heeft bij brief van 7 november 2011 bij de rechtbank Arnhem beroep ingesteld tegen een besluit van verweerders van 27 september 2010.

Bij dit besluit hebben verweerders beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering hem ontheffing te verlenen op grond van de Winkeltijdenwet ten behoeve van de openstelling van zijn winkel aan de E te D op zondagen van 0.00 uur tot 06.00 uur.

Bij brief van 15 november 2011 heeft de rechtbank Arnhem het beroepschrift ter behandeling doorgezonden aan het College.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Bij brief van 19 december 2011 zijn de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 20 januari 2012 hebben verweerders een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Op 13 juli 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij A in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 In de Winkeltijdenwet is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

" Artikel 2

Het is verboden om een winkel voor het publiek geopend te hebben:

a. op zondag;

b. op Nieuwjaarsdag, op Goede Vrijdag na 19 uur, op tweede Paasdag, op Hemelvaartsdag, op tweede Pinksterdag, op 24 december na 19 uur, op eerste en tweede Kerstdag en op 4 mei na 19 uur;

c. op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur.

Artikel 3

(…)

4. Voorts kan de gemeenteraad bij verordening aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen op een daartoe strekkende aanvraag en met inachtneming van de in die verordening gestelde regels ontheffing te verlenen van de in artikel 2, eerste lid, onder a en b, vervatte verboden, voor zover het winkels betreft die gesloten zijn op de in die verboden bedoelde dagen tussen 0 uur en 16 uur, en waar uitsluitend of hoofdzakelijk eet- en drinkwaren plegen te worden verkocht met uitzondering van sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet . De verordening bepaalt in ieder geval het aantal winkels waarvoor in de gemeente ontheffing kan worden verleend. Dit aantal kan ten hoogste één winkel per 15 000 inwoners van de gemeente zijn of, indien het inwonertal lager is dan 15 000, één winkel. "

In de Verordening Winkeltijden Arnhem (hierna: Verordening) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

" Artikel 5

Openstelling van avondwinkels op zon- en feestdagen, 4 mei en 24 december.

1. Het college van burgemeester en wethouders kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in artikel 2, eerste lid, onder a en b van de wet vervatte verboden ten behoeve van winkels, die gesloten zijn op de in die verboden bedoelde zon- en feestdagen tussen 0 en 16:00 uur.

2. Het College van burgemeester en wethouders kan voor ten hoogste 9 winkels ontheffing verlenen.

3. Aan de ontheffing worden de volgende voorschriften verbonden:

a. de winkel dient gesloten te zijn tussen 0 en 16:00 uur;

b. er dienen uitsluiten of hoofdzakelijk eet- en drinkwaren te worden verkocht, met uitzondering van sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid met [lees: van, College ] de Drank- en Horecawet.

(…) "

2.2 B (hierna: B) was sinds januari 2010 eigenaar van de C. Bij besluit van 26 maart 2010 is B ontheffing verleend voor openstelling van de nachtwinkel gedurende de gehele week. Aan de ontheffing is onder meer het voorschrift verbonden dat de winkel op zon- en feestdagen tussen 0.00 uur en 16.00 uur gesloten moet zijn.

B heeft op 2 maart 2011 verweerders verzocht om de winkel zaterdagnacht van 00.00 uur tot 06.00 uur voor het publiek geopend te mogen hebben. Aan dit verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat hij financieel nadeel lijdt van het feit dat steeds meer supermarkten op zondag zijn geopend; indien de winkel geopend mag zijn op zaterdagnacht kunnen door middel van de dan gegenereerde extra omzet de kosten beter worden gedekt, aldus B.

Bij besluit van 10 juni 2011 hebben verweerders dit verzoek afgewezen omdat de door B gewenste openstelling gelet op artikel 3, vierde lid, van de Wet en artikel 5 van de Verordening niet is toegestaan. Nadat B hiertegen bezwaar heeft gemaakt en een hoorzitting heeft plaatsgevonden, hebben verweerders het bestreden besluit genomen.

2.3 Bij besluit van 27 december 2010 hebben verweerders conform het advies van de bezwaarschriftencommissie het bezwaar van B ongegrond verklaard. Verweerders stellen zich op het standpunt dat uit artikel 3, vierde lid, van de Wet in samenhang met artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening blijkt dat indien een winkel ontheffing heeft verkregen om op zon- en feestdagen geopend te zijn, deze niet tussen 00.00 uur en 16.00 uur geopend mag zijn. Dit standpunt is door het College bevestigd in zijn uitspraak van 28 oktober 2009, www.rechtspraak.nl, LJN BK1526. Met betrekking tot de financiële problemen die B ondervindt als gevolg van de zondagopenstelling van acht andere supermarkten overwegen verweerders dat deze supermarkten net als C op zon- en feestdagen tussen 00.00 uur en 16.00 uur gesloten moeten zijn en derhalve niet worden bevoordeeld ten opzichte van B.

2.4 Appellant heeft met ingang van 1 januari 2012 de avondwinkel overgenomen. De ontheffing is op 21 maart 2012 overgeschreven op naam van A.

2.5 In beroep voert appellant – samengevat weergegeven – aan dat uitbreiding van de openingstijden om economische redenen noodzakelijk is teneinde de concurrentie van de grote supermarkten te kunnen weerstaan en zelf te kunnen voortbestaan. Naar de mening van appellant staat de tekst van artikel 3 van de Wet en artikel 5 van de Verordening niet in de weg aan een belangenafweging, waarbij het belang waarvoor appellant aandacht heeft gevraagd wordt meegenomen. Het stond de Minister van Economische zaken bij zijn beantwoording van Kamervragen over de Wet (TK 2007 – 2008, Aanhangsel van de Handelingen 836) voor ogen dat er ruimte is om rekening te houden met de maatschappelijke werkelijkheid dat bedrijvigheden in het weekend-uitgaansleven niet eindigen op zaterdag 24.00 uur / zondag 0.00 uur en dat het daarbij betrokken publiek in het verlengde daarvan nog door de nachtwinkel wil worden bediend. Appellant staat een nuancering van het vereiste van sluiting vóór 16.00 uur voor in die zin dat van het tijdsbestek van 0.00 uur tot 16.00 kan worden uitgezonderd de tijd op zondag tussen 0.00 uur en 06.00 uur indien die tijd aansluit op de openingstijd van de nachtwinkel op zaterdagavond / -nacht. Deze wat minder rigide interpretatie van artikel 3, vierde lid, van de Wet biedt ruimte voor een belangenafweging in het concrete geval en is niet onverenigbaar met de bedoeling van de wetgever, aangezien de zondagrust daarmee niet op substantiële wijze (additioneel) geweld wordt aangedaan.

2.6 Hieromtrent overweegt het College als volgt. Zoals het College eerder heeft uitgesproken, bijvoorbeeld CBb 29 oktober 2009, (LJN: BK1526), bieden de Wet en de Verordening geen mogelijkheid voor het aan avondwinkels verlenen van een ontheffing voor zon- en feestdagen van 0.00 uur tot 16.00 uur. Het in artikel 3, vierde lid, van de Wet en in artikel 5 van de Verordening vervatte regime houdt immers in dat de betrokken winkels op die dagen van 0.00 uur tot 16.00 uur gesloten zijn. Naar het oordeel van het College biedt dit regime geen ruimte voor de door appellant voorgestane belangenafweging.

Om die reden hebben verweerders terecht geoordeeld dat het verzoek van appellant om op zondagen van 0.00 uur tot 06.00 uur geopend te mogen zijn, niet voor inwilliging vatbaar is.

2.7 Het College komt daarom tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

2.8 Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012.

w.g. C.M. Wolters w.g. E. van Kerkhoven


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature