Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bouwvergunning voor vergroten en vernieuwen hotel. Besluitvorming van verweerder niet geheel eenduidig. Duiding daarvan. Deze brengt mee dat de rechtbank het inhoudelijke geschil volledig kan beoordelen, zoals partijen wensen. Voor de beoordeling of verweerder in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan kon verlenen is de door eisers gestelde schending van hun privacy en woongenot van belang. Deze staat niet in de weg aan vrijstellingsverlening. Ten aanzien van de verleende vrijstelling van de Bouwverordening overweegt de rechtbank dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van een ernstig, structureel probleem ten aanzien van het parkeren. Door het aanbieden van valet-parking is het aannemelijk dat het bouwplan voldoet aan de Bouwverordening.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/3584 WW44

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eisers],

wonende te [plaats],

eisers,

gemachtigde mr. T. Potharst,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amstelveen,

verweerder,

gemachtigde mr. A.J. Tielbeke.

Tevens heeft aan het geding deelgenomen:

F.L.C. Onroerend Goed B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

vergunninghoudster,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger].

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder een bouwvergunning eerste fase verleend voor het vernieuwen van hotel De Veenen op het perceel Ouderkerkerlaan 19 te Amstelveen.

Bij besluit van 17 juni 2010 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak enkelvoudig ter zitting behandeld op 17 maart 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. T. Potharst, kantoorgenoot van de voormalige gemachtigde van eisers, mr. M.H. de Bruin. Eveneens namens eisers is aanwezig [A]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak naar de meervoudige kamer verwezen.

De rechtbank heeft de behandeling van de zaak ter zitting voortgezet op 23 augustus 2011. Ter zitting is gebleken dat hervatting van het vooronderzoek noodzakelijk was teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen onder verwijzing naar de van toepassing zijnde bestemmingsplanbepalingen aan te geven of de toename van het bouwvolume en de ramen aan de zijkant van het hotel ook onder de vrijstelling vallen.

Bij brief van 23 augustus 2011 heeft verweerder een nader standpunt ingenomen. Eisers en vergunninghoudster hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid op dit nadere standpunt van verweerder te reageren.

Nadat partijen toestemming hebben verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1 Op 9 oktober 2007 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een reguliere bouwvergunning eerste fase voor het vernieuwen van hotel De Veenen, gevestigd op de Ouderkerkerlaan 19 te Amstelveen.

1.2 Bij besluit van 4 juni 2009 heeft verweerder een bouwvergunning eerste fase verleend aan vergunninghoudster voor het vergroten en vernieuwen van het hotel De Veenen. Verweerder heeft daarbij op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend van het bestemmingsplan Elsrijk Zuid en geanticipeerd op het nieuwe bestemmingsplan Amstelveen Midden-West ten aanzien van de bouwhoogte van het bouwplan.

1.3 Eisers hebben bezwaar ingediend tegen het besluit van 4 juni 2009.

1.4 Bij beslissing van 4 januari 2010 heeft verweerder het door eisers gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover betrekking hebbend op het tekort aan parkeergelegenheid en de bouw van de steigers aan de achterzijde ten behoeve van het gebruik als terras. Verweerder heeft het besluit van 4 juni 2009 herroepen. Aangezien verweerder daarmee heeft beoogd de besluitvorming voort te zetten op basis van de al ingediende aanvraag, leest de rechtbank de term “herroepen” als ingetrokken; dit ondanks de gebruikte termen van gegrond- en ongegrondverklaring van het bezwaar. De rechtbank gaat daartoe over, omdat de besluitvorming van verweerder niet geheel eenduidig is en inhoudelijk ook niet tot een afronding is gekomen in de beslissing van 4 januari 2010.

1.5 Op 2 februari 2010 heeft vergunninghoudster een gewijzigde bouwaanvraag ingediend, waarin de steigers niet meer voorkomen. Bij de aanvraag heeft vergunninghoudster aangegeven dat zij valet-parking zullen gaan aanbieden aan de restaurantgasten om de parkeerdruk op de Ouderkerkerlaan te voorkomen en te vermijden.

1.6 Bij (hernieuwd) primair besluit van 12 maart 2010 heeft verweerder aan vergunninghoudster een bouwvergunning eerste fase verleend voor het vernieuwen van hotel De Veenen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de eerder bij besluit van 4 juni 2009 verleende vrijstelling van het bestemmingsplan met betrekking tot de gegrond verklaarde bezwaren is aangepast en opnieuw onderdeel uitmaakt van het besluit tot het verlenen van de bouwvergunning. Door het bouwplan zijn 4 tot 5 extra parkeerplaatsen nodig op grond van de parkeernota Amstelveen 2005-2010. Om het parkeertekort op het eigen terrein op te heffen heeft verweerder conform artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening Amstelveen 2007 ontheffing verleend van het eerste lid.

1.7 Bij het bestreden besluit heeft verweerder – onder overneming van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften – het bezwaar van eisers tegen het (hernieuwde) primaire besluit van 12 maart 2010 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Verweerder heeft verwezen naar het besluit van 4 januari 2010 waarin uitvoerig is ingegaan op alle aspecten van het bouwplan. Verweerder gaat niet in op de onderdelen van het bezwaar die in het besluit van 4 januari 2010 ongegrond verklaard zijn en heeft in het bestreden besluit uitsluitend het aspect ‘parkeren’ beoordeeld.

2. Beoordeling van het geschil.

2.1 Eisers hebben ter zitting aangegeven dat het beroep zich niet enkel richt tegen de verleende ontheffing van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening Amstelveen 2007. Het beroep richt zich eveneens tegen de verleende ontheffing van het bestemmingsplan en de eerder in de bezwaarfase aangevoerde gronden met betrekking tot het uitzicht, de privacy van eisers en de belemmering van het zonlicht. Alle partijen hebben ter zitting aangegeven dat zij het niet wenselijk achten dat de beoordeling in beroep zich beperkt tot de verleende ontheffing met betrekking tot de parkeerproblematiek. Met instemming van alle partijen zal de rechtbank hierna het geding in volle omvang beoordelen.

2.2. De onder 1.4 weergegeven uitleg van het besluit van 4 januari 2010 brengt enerzijds mee dat de rechtbank eisers kan volgen in dit betoog en het inhoudelijke geschil volledig kan beoordelen met inbegrip van de bezwaren van eisers met betrekking tot hun privacy, zonder dat daarbij een eerdere beslissing op bezwaar aan eisers kan worden tegengeworpen door verweerder.

2.3. Die uitleg betekent anderzijds dat de formele beroepsgrond van eisers, dat verweerder niet bevoegd was om op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een vrijstelling te verlenen, door de rechtbank wordt verworpen. In de hiervóór weergegeven interpretatie van het besluit van 4 januari 2010 is immers sprake van een intrekking van een besluit op de aanvraag. Die intrekking heeft tot gevolg dat de besluitvorming een fase terug wordt gezet waardoor de op 9 oktober 2007 gedane aanvraag weer herleeft. Er is dan op 2 februari 2010 niet een hernieuwde aanvraag ingediend (waarop de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing is), maar de al gedane aanvraag is aangepast. Op die aanvraag blijft ingevolge artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wro het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing, te weten artikel 19, tweede lid, van de WRO .

Voor de volledigheid voegt de rechtbank hier nog aan toe, dat zelfs al zou geoordeeld moeten worden dat niet de WRO, maar de Wro van toepassing zou zijn op de onderhavige aanvraag, ook dan de mogelijkheid bestaat tot verlening van vrijstelling of ontheffing. Niet valt in te zien dat en waarom dat dan tot een ander inhoudelijk besluit had dienen te leiden. De gemachtigde van eisers kon dit desgevraagd ter zitting ook niet aangeven.

Hetgeen eisers hebben aangevoerd omtrent de wettelijke grondslag van de vrijstellingsverlening slaagt dan ook niet.

2.4. Eisers hebben ter zitting desgevraagd aangegeven dat het beroep zich niet (meer) richt tegen de bouw van de steigers aan de achterzijde van het pand, die overigens in de gewijzigde aanvraag van 2 februari 2010 ook niet meer voorkomen. Dit punt behoeft daarom geen bespreking meer.

2.5. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat er strijd bestaat met het bestemmingsplan Amstelveen Midden-West ten aanzien van de bouwhoogte aan de achterzijde van het perceel. Volgens het bestemmingsplan mag deze bouwhoogte 7 meter zijn, terwijl het bouwplan voorziet in een bouwhoogte van 9 meter. Daarnaast heeft verweerder nagelaten te onderzoeken of er uitvoering moest worden gegeven aan artikel 3.23 van de Wro . Eisers hebben zich erop beroepen dat het bouwplan niet in lijn is met het welstandsaspect. Verweerder had naar de welstandstoetsing moeten kijken. Voorts hebben eisers aangevoerd dat de toename van het aantal ramen aan de zijde van het hotel waar zij op uitkijken inbreuk maakt op hun privacy. Door een verhoging van de voorgevel zullen eisers minder zonlicht krijgen. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eisers.

2.6. Verweerder heeft bij het verlenen van de vrijstelling bij besluit van 4 juni 2009 getoetst aan het bestemmingsplan Elsrijk Zuid en geanticipeerd op het nieuwe bestemmingsplan Amstelveen Midden-West ten aanzien van de bouwhoogte van het bouwplan.

Verweerder houdt vast aan het besluit van 4 januari 2010. Daarin is uiteengezet dat in het (nieuwe) bestemmingsplan Amstelveen Midden-West per abuis een bouwhoogte van 7 meter in plaats van 9 meter is opgenomen. Het nieuwe bestemmingsplan is conserverend bedoeld, waarbij een hoogte van 9 meter past.

Nu in het bestemmingsplan ‘Amstelveen Midden-West’ een maximale goot- en bouwhoogte is opgenomen voor de voorzijde van 10 meter en van 7 meter voor de achterzijde, is het volgens het bestemmingsplan mogelijk om rechte gevels te bouwen tot die hoogte. Van rechte gevels is echter geen sprake, maar van een terugwijkende kapvorm. Het bouwvolume is daardoor relatief beperkt.

In het bouwplan wordt bovendien de bouwhoogte niet verhoogd ten opzichte van de huidige situatie. De verwijzing naar de “zeven metergrens” door de gemachtigde van eisers kan eisers dan ook niet baten.

De verleende vrijstelling van het bestemmingsplan ziet niet alleen op de bouwhoogte, maar ook op de toevoeging van drie ramen (dakkapellen) in het achterste deel van de zijkant op de tweede verdieping.

De toename van gevelopeningen op de lager gelegen verdiepingen past in het vigerende bestemmingsplan.

Verweerder heeft aangegeven wel begrip te hebben voor de stelling van eisers dat hun privacy wordt geschonden door de toename van het aantal ramen, maar dat deze privacy overwegingen niet kunnen worden meegewogen bij het verlenen van de vergunning. Als het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan, dan moet verweerder de vergunning verlenen.

2.7. De rechtbank stelt voorop dat er sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Het bouwplan kon dan ook alleen worden gerealiseerd met behulp van een vrijstelling.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of verweerder in redelijkheid de vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen.

In dat kader is allereerst de door eisers gestelde schending van hun privacy en woongenot van belang.

2.10. Verweerder heeft in het besluit van 4 januari 2010 overwogen dat er, gelet op enerzijds de geringe toename van het bouwvolume en anderzijds de ligging van de woning van eisers ten westen van het hotel, nauwelijks sprake zal zijn van vermindering van zonlicht. Ook de rechtbank acht niet aannemelijk dat er in deze omstandigheden sprake zal zijn van een aanzienlijke vermindering van de bezonning gedurende de dag.

2.11. Waar het betreft het zicht op de woning en de tuin van eisers, neemt de rechtbank aan dat dat zicht vanuit het hotel door het bouwplan toeneemt. Daarbij tekent de rechtbank wel aan, dat ook in de bestaande situatie zicht bestond op de woning en tuin van eisers.

Voorts overweegt de rechtbank dat de woning van eisers en het hotel zich dicht in het centrum van de bebouwde kom van Amstelveen bevinden. Enige inbreuk op de privacy is in die situatie onvermijdelijk. Verweerder heeft zo’n inbreuk dan ook niet op voorhand onaanvaardbaar behoeven te achten, ook niet als die enigszins toeneemt.

Daarbij komt dat het volgens artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) zonder toestemming van de eigenaar van een naburig erf niet geoorloofd is binnen 2 meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven. Na realisering van het bouwplan resteert tussen de woning van eisers en het hotel nog 12 meter, beduidend meer dan de 2 meter die wordt genoemd in artikel 5:50, eerste lid van het BW . Dit betekent dat de nieuwe ramen aan de zijkant van het hotel geen schending van dit artikel opleveren. Ook om deze reden kan niet worden gezegd dat verweerder in redelijkheid niet anders had kunnen concluderen dan dat de privacy en het woongenot van eisers niet aan de vrijstellingsverlening in de weg stonden.

2.12. Voor zover eisers zich op het standpunt hebben gesteld dat het bouwplan niet in lijn is met het welstandsaspect, overweegt de rechtbank dat aan het besluit van 4 juni 2009 een positief advies van de Welstandscommissie Amstelveen van 5 november 2008 ten grondslag ligt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder, hoewel niet gebonden aan een welstandsadvies en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij verweerder berust, aan het advies van de Welstandscommissie doorslaggevende betekenis kan toekennen. Eisers hebben geen deskundig tegenadvies overgelegd; zulks terwijl vergunninghoudster het bouwplan niet in eigen beheer heeft ontwikkeld, maar heeft laten ontwerpen door een architect.

Gesteld noch gebleken is dat het advies van de Welstandscommissie naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit advies niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag had mogen leggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder dit advies aan het besluit van 4 juni 2009 ten grondslag heeft mogen leggen en niet gehouden was nader toe te lichten waarom het welstandsadvies is overgenomen.

2.13. Ten aanzien van de parkeerruimte hebben eisers aangevoerd dat verweerder geen gebruik kon maken van de in artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening bedoelde ontheffingsmogelijkheid. Het is onduidelijk of er door parkeergelegenheid elders, die deels in privaat bezit zijn, wordt voorzien in het tekort aan parkeerplaatsen. Het concept valet-parking is geen oplossing voor het probleem. Het is volstrekt onduidelijk onder welke voorwaarden en op welke locatie bedoeld systeem moet worden geëffectueerd.

2.14. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar het besluit op bezwaar van 4 januari 2010 op het standpunt gesteld dat de benodigde ontheffing alsnog kon worden verleend, omdat vergunninghoudster in zijn gewijzigde aanvraag alsnog op andere wijze in de parkeerbehoefte heeft voorzien. Verweerder zoekt aansluiting bij de richtlijnen van het CROW waaruit volgt dat binnen 100 meter van het bouwplan voldoende openbare parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn. Door middel van valet-parking heeft vergunninghoudster voldoende aannemelijk gemaakt dat het bouwplan voldoet aan de Bouwverordening.

2.15. De rechtbank overweegt als volgt.

2.16. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening gemeente Amstelveen 2007 moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Ingevolge het vierde lid kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid;

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of:

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.

2.17. Verweerder heeft aan de verleende vergunning de voorwaarde verbonden dat het gebruik van het restaurant door restaurantgasten alleen is toegestaan indien de gasten door middel van aanbieding van valet-parking hun auto elders kunnen laten parkeren. Verweerder acht het aannemelijk dat artikel 2.5.30 van de Bouwverordening zal worden nageleefd. Eventuele rechtsopvolgers van vergunninghoudster zijn ook gebonden aan deze voorwaarde. Overtreding van deze voorwaarde kan leiden tot gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning en/of het opleggen van een gebruiksverbod.

2.18. De rechtbank overweegt allereerst dat niet in geschil is dat op loopafstand voldoende openbare parkeerruimte aanwezig is.

Uit hetgeen eisers hebben aangevoerd is voorts niet aannemelijk geworden dat er sprake is van een ernstig, structureel probleem ten aanzien van het parkeren. Eisers hebben weliswaar gesteld dat zij als bewoners nu al gedwongen worden verderop te parkeren omdat hun uitrit is geblokkeerd, maar desgevraagd hebben eisers verklaard dat dit niet meer dan enkele malen per jaar voorkomt.

Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de aan de bouwvergunning verleende voorwaarde niet in voldoende mate voorziet in de te verwachten parkeerproblematiek.

3. Conclusie

3.1. Al hetgeen namens eisers is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

3.2 In de weinig doorzichtige wijze van besluitvorming door verweerder ziet de rechtbank wel grond te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht aan hen vergoedt. Verder dient verweerder de proceskosten van eisers te vergoeden. De rechtbank heeft deze kosten begroot op € 1092,50 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting, à € 437,- per punt).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1092,50, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter,

mrs. A.D. Reiling en L.C. Bachrach, leden, in aanwezigheid van

mr. R.M. Wiersma, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2012.

de griffier, de voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature