< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Geschil inzake voorlopige omgangsregeling, terwijl zaak voor het overige was aangehouden door rechtbank. Hof doet geschil af inzake voorlopige omgang en verwijst de zaak voor het overige naar de rechtbank terug.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 23 mei 2012

Zaaknummer : 200.099.703/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 11-1679

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. G.A.S. Maduro te Rotterdam,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep

hierna te noemen: de vader,

advocaat voorheen mr. S.M. Krans-den Hollander, thans mr. J. Heinrici te Rotterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Rijnmond,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 30 december 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 december 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De vader heeft geen verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 12 januari 2012 het beroepschrift (per gewone post) met bijlagen;

- op 6 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 26 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 28 maart 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- namens de raad: de heer M.C. Dors.

De respectieve advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de vader voorlopig in de gelegenheid zal worden gesteld om de hierna te noemen minderjarige te ontmoeten in de locatie [naam], waarbij tijdstippen, duur, aantal, frequentie en inhoud van de contacten worden bepaald door de medewerkers van het Rotterdams Omgangshuis, na overleg met de ouders.

De behandeling van de zaak is voor het overige aangehouden, waarbij de raad is verzocht een onderzoek in te stellen of andere bemoeienis met betrekking tot de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht tussen de vader en de minderjarige en aan de rechtbank daarover te rapporteren en advies uit te brengen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Tussen de partijen staat vast dat de vader de verwekker is van de minderjarige. Hij heeft de minderjarige niet erkend. De moeder is alleen belast met het gezag.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige:

[naam], geboren [in] 2009 te [geboorteplaats], hierna: de minderjarige.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader, in ieder geval totdat er voldoende duidelijkheid is betreffende de problematiek met betrekking tot mishandelingen, drugs en alcohol zijdens de vader, geen contact mag hebben met de minderjarige.

3. De moeder stelt dat er contra-indicaties bestaan voor omgang tussen de vader en de minderjarige. Zij voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. De vader gebruikt drugs en alcohol, heeft losse handjes en zelfmoordneigingen. De vader lijdt bovendien aan een posttraumatisch stressstoornis. Hij ziet zijn problemen niet onder ogen. De moeder stelt dat, zolang de vader zijn problematiek niet onderkent en zich daarvoor niet laat behandelen, omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige.

4. De vader betwist dat er contra-indicaties zijn voor omgang met de minderjarige. Hij betwist dat hij problemen heeft. Volgens de vader is zijn (thuis)situatie thans stabiel. De vader is van mening dat het nog langer uitblijven van contact tussen hem en de minderjarige niet in het belang van de minderjarige is.

5. De raad is, kort gezegd, van mening dat er geen gronden aanwezig zijn om de vader het recht op omgang met de minderjarige te ontzeggen.

6. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:377a lid 1 van het BW het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar, tenzij er sprake is van een of meer van de gronden, zoals genoemd in het derde lid van dat artikel, op basis waarvan de rechter het recht op omgang op daartoe strekkend verzoek ontzegt.

7. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 23 december 2011 geoordeeld dat er vooralsnog geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van contra-indicaties, op grond waarvan de vader het recht op omgang met de minderjarige ontzegd moet worden. De rechtbank heeft een voorlopige omgangsregeling vastgesteld en, in afwachting van een definitieve beslissing, de raad verzocht onderzoek te verrichten naar de vraag welke omgangsregeling in het belang van de minderjarige kan worden geacht.

8. Op 26 maart 2012 heeft de raad een conceptrapportage uitgebracht. De raad adviseert in zijn rapport om de behandeling van de zaak voor een periode van een jaar aan te houden om de vader in de gelegenheid te stellen zijn hulpverleningstraject af te ronden. Daarnaast dienen er proefcontacten plaats te vinden middels begeleide omgang via het omgangshuis, zo als de rechtbank heeft gelast. De resultaten kunnen in de verdere afweging worden betrokken.

9. Uit de voormelde conceptrapportage van de raad blijkt voorts het volgende.

Uit onderzoek is naar voren gekomen dat de vader in april 2011 te kampen had met psychische klachten. Hij was depressief, had suïcideneigingen en dronk veel alcohol. De vader is door Parnassia Bavo gediagnosticeerd met een alcohol- en cannabisafhankelijkheid en een posttraumatische stressstoornis. De vader is voor behandeling doorverwezen naar Brijder Stichting en PsyQ. Hij heeft zich tot die instanties gewend, maar heeft zijn gesprekken daar niet voortgezet.

10. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader toegelicht waarom hij zijn gesprekken bij deze hulpverlenende instanties niet heeft doorgezet. De vader is één keer op gesprek is geweest bij de Brijder Stichting. Volgens de vader heeft de Brijder Stichting daarop aangegeven dat hij geen behandeling nodig heeft, omdat zijn thuissituatie inmiddels stabiel is gebleken. De behandeling bij PsyQ is, zo begrijpt het hof, evenmin gestart.

11. Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de vader de zorgen die er ten aanzien van hem zijn niet op overtuigende wijze heeft weggenomen. De omstandigheden rond de vader komen het hof niet vertrouwenwekkend over. Het lijkt er op dat de vader niet inziet dat hij problemen heeft, waarvoor hij behandeling behoeft. Het hof stelt vast dat het wantrouwen van de moeder in de vader, als gevolg van het uitblijven van zijn behandeling en een beschrijving van de resultaten daarvan, onverminderd groot is gebleven. Gelet op het grote wantrouwen van de moeder jegens de vader is het hof van oordeel dat een voorlopige omgangsregeling zoals door de rechtbank vastgelegd op dit moment, gelet op de summiere en niet onderbouwde verklaring van de vader omtrent zijn huidige welbevinden, in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Om contactherstel, met als mogelijk perspectief het opbouwen van een duurzame relatie tussen de vader en de minderjarige, te laten slagen, is het hof van oordeel dat het van belang is dat de vader zich de komende tijd allereerst zal inzetten om het voorgestelde behandeltraject weer op te pakken en voort te zetten (ter zitting heeft hij zich daartoe bereid verklaard) teneinde het vertrouwen in hem te doen toenemen en te rechtvaardigen. Aansluitend zal, bij een positief beschreven verloop van de behandeling van de vader, omgang, wellicht in aanvang begeleid, van de grond kunnen komen.

12. Op grond van deze overwegingen stelt het hof vast dat een voorlopige omgangsregeling, zoals door de rechtbank opgelegd, thans nog in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Het hof zal daarom de beschikking van de rechtbank, voor zover deze ziet op de voorlopige omgangsregeling bij het Rotterdams Omgangshuis, vernietigen. Nu de rechtbank de verdere behandeling van de zaak heeft aangehouden in afwachting van het rapport van de raad zal het hof de zaak ter verdere afdoening terugwijzen naar de rechtbank.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking te aanzien van de voorlopige omgangsregeling bij het Rotterdams Omgangshuis;

wijst de zaak ter verdere afdoening terug naar de rechtbank Rotterdam.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Van Leuven en Van Wijk, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature