Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De brief van 4 april 2011 is niet gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg. Voor zover daarin sprake is van ontslag per 1 mei 2011 is dat een herhaling van het besluit van 12 januari 2011. Voor zover wordt gewezen op een uitkering na ontslag en de daarvoor te ondernemen stappen richting het UWV betreft dit uitsluitend informatie, die evenmin gericht is op rechtsgevolg. Met name valt in die brief geen besluitvorming over het al dan niet toepassing geven aan het Sociaal Beleidskader te lezen. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat onder de brief van 4 april 2011 - ten onrechte - een bezwaarclausule is opgenomen, kan daarin geen verandering brengen.

Uitspraak



12/1909 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 februari 2012, 11/7337 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 26 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2012. Appellant is verschenen en de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Ju.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was tot 1 januari 2008 gedetacheerd bij de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de NAVO te Brussel. Van 1 januari 2008 tot 1 oktober 2010 is aan appellant buitengewoon verlof verleend zonder behoud van bezoldiging ten behoeve van zijn werkzaamheden als Theatre Deputy Financial Controller bij NATO Headquarters te Serajevo. Bij brief van 28 oktober 2010 (met als aanhef: aflopende periode buitengewoon verlof) is appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 oktober 2010 (weer) salaris ontvangt van het ministerie van Defensie en dat gedurende zes maanden gezocht zal worden naar een passende functie. Wordt die functie niet gevonden dat zal appellant per 1 mei 2011 ontslag worden verleend op grond van artikel 117, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement Defensie met toepassing van het Besluit bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid voor de sector Defensie.

1.1. Bij besluit van 12 januari 2011 heeft de minister appellant ontslag verleend met ingang van 1 mei 2011. Het besluit is voorzien van een bezwaarclausule. In een begeleidende brief van diezelfde datum is informatie verstrekt over een eventuele werkloosheidsuitkering. Bij brief van 4 april 2011 is appellant nogmaals meegedeeld dat aan hem met ingang van 1 mei 2011 ontslag wordt verleend en dat hij zich voor een WW-uitkering tot het UWV moet wenden. De brief is automatisch aangemaakt door het DC HR, niet ondertekend maar wel voorzien van een bezwaarclausule.

1.2. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 januari 2011, maar wel tegen de brief van 4 april 2011. Bij besluit van 5 augustus 2011 (bestreden besluit) is dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 4 april 2011 niet kan worden gekwalificeerd als een besluit gericht op rechtsgevolg, maar slechts een herhaling is van het besluit van 12 januari 2011.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van de minister dat in de brief van 4 april 2011 geen besluit gericht op rechtsgevolg is vervat onderschreven.

3. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat eerst uit de brief van 4 april 2011 duidelijk werd dat de minister niet van zins was hem onder de werking van het Sociaal Beleidskader Defensie te brengen, en dat hij in plaats van voor wachtgeld in aanmerking te worden gebracht, een beroep moest doen op de Werkloosheidswet. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit van 12 januari 2011, omdat hij dat accepteerde. Het gaat hem om de uitkering. Overigens heeft appellant ook nog een procedure lopen over zijn WW-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Hij onderschrijft het standpunt van de minister en de rechtbank dat de brief van 4 april 2011 niet gericht is op enig zelfstandig rechtsgevolg. Voor zover daarin sprake is van ontslag per 1 mei 2011 is dat een herhaling van het besluit van 12 januari 2011. Voor zover wordt gewezen op een uitkering na ontslag en de daarvoor te ondernemen stappen richting het UWV betreft dit uitsluitend informatie, die evenmin gericht is op rechtsgevolg. Met name valt in die brief geen besluitvorming over het al dan niet toepassing geven aan het Sociaal Beleidskader te lezen. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat onder de brief van 4 april 2011 - ten onrechte - een bezwaarclausule is opgenomen, kan daarin geen verandering brengen.

4.2. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) A.C. Oomkens

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature