Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 17 mei 2011, kenmerk 11.031, heeft de raad het bestemmingsplan "Oerle-Zuid, eerste fase Zilverackers" vastgesteld.

Uitspraak



201109200/1/R3.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Oerle, gemeente Veldhoven,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Veldhoven,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2011, kenmerk 11.031, heeft de raad het bestemmingsplan "Oerle-Zuid, eerste fase Zilverackers" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 23 augustus 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2012, waar [appellant], in de persoon van [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door drs. M.L. Yücesan-van Drunen en ING. J.J.A. de Graaf, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de bouw van 300 woningen, de aanleg van de Verlengde Heerbaan aansluitend op de Westelijke Ontsluitingsroute en de aanleg van een ontsluitingsweg ten behoeve van een zendmast.

2.2. [appellant], die woont aan de [locatie] te Oerle, betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.3. [appellant] voert aan dat onvoldoende behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningbouw en het verlengen van de Heerbaan. De raad heeft ten aanzien van het aantal voorziene woningen er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven niet meer uitgaat van een bevolkingsgroei, dat de omvang van de regionale bouwplannen de berekende woningbehoefte met 50% overstijgt en dat het regionale woningbouwprogramma zal worden aangepast aan de nieuwste bevolkingscijfers, aldus [appellant]. Voorts betoogt [appellant] dat in de aan het plan ten grondslag liggende onderzoeken met betrekking tot verkeer, geluid en luchtkwaliteit ten onrechte niet is betrokken dat het plan voorziet in de mogelijkheid van het plan af te wijken en een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van de aanleg van de Verlengde Heerbaan met meer dan twee rijstroken.

2.3.1. Volgens de plantoelichting is in het Regionaal Woningbouwprogramma 2010-2020, dat op 17 december 2009 door de Regioraad van het Samenwerkingsverband Eindhoven is vastgesteld, voor de gemeente Veldhoven voorzien in 2217 nieuwe woningen. De in het plan voorziene woningbouw maakt deel uit van dat woningbouwprogramma. Voorts heeft [appellant] met de enkele overlegging van een publicatie in de media met kritische kanttekeningen over het regionale woningbouwprogramma niet aannemelijk gemaakt dat de prognoses in dit woningbouwprogramma niet meer voldoende actueel zijn, zodat de raad in redelijkheid uit heeft kunnen gaan van de hierin berekende woningbehoefte. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad ervan heeft mogen uitgaan dat voldoende behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen.

2.3.2. Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), zoals deze luidde ten tijde van de vaststelling van het plan, wordt bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, of bij het voorbereiden van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 76a, van wege burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek ingesteld naar:

a. de geluidsbelasting die door woningen binnen de zone, alsmede door andere geluidsgevoelige gebouwen of door geluidsgevoelige terreinen, vanwege de weg zou worden ondervonden zonder de invloed van maatregelen die de geluidbelasting beperken;

b. de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de weg optredende geluidsbelasting van de onder a bedoelde objecten de waarden die ingevolge artikel 82 of artikel 100 als ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt, te boven zou gaan.

Ingevolge artikel 99, eerste lid, wordt tot reconstructie van een weg, indien binnen de aanwezige of toekomstige zone van die weg woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd zijn, niet overgegaan dan in overeenstemming met een bestemmingsplan of een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat in de reconstructie voorziet dan wel met een besluit van burgemeester en wethouders, met overeenkomstige toepassing van artikel 81 genomen naar aanleiding van een door de wegbeheerder aan burgemeester en wethouders gedane mededeling van zijn voornemen en na een met overeenkomstige toepassing van artikel 80 ingesteld onderzoek.

2.3.3. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;

b. dat, met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels:

1° de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of

2° bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;

c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;

d. dat een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, zijn de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden en wettelijke voorschriften de bevoegdheden en voorschriften, bedoeld in:

(…)

c. de artikelen 3.1, 3.26 en 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening ;

(…)

f. artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die bevoegdheid betrekking heeft op:

1° activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet;

2° gevallen waarin van het bestemmingsplan wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 °, of artikel 2.12, tweede lid, van die wet;

(…).

2.3.4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1 º, voor zover thans van belang, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en deze in strijd is met het bestemmingsplan slechts worden verleend met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

2.3.5. Ingevolge artikel 7, lid 7.4, onder a, van de planregels mogen wegen uit niet meer dan 2 rijstroken bestaan, met dien verstande dat een invoeg-/uitvoegstrook hieronder niet wordt begrepen.

Ingevolge artikel 7, lid 7.5.1, kan het college van burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in artikel 7, lid 7. 4, onder a, teneinde meer rijstroken per weg toe te staan en/of de breedte per rijstrook te vergroten, met inachtneming van de volgende regels:

a. de verkeersveiligheid mag niet in het gedrang komen;

b. er vindt geen onevenredige toename van de aantasting van het woon- en leefklimaat plaats.

2.3.6. De raad heeft zich blijkens de Nota van zienswijzen gebaseerd op onder meer het Verkeerscirculatieplan en het Masterplan Veldhoven West waaruit volgt dat de Verlengde Heerbaan als onderdeel van de Westelijke Ontsluitingsroute noodzakelijk is om de bestaande woongebieden in Oerle en Veldhoven-dorp te kunnen ontlasten en deze gebieden te voorzien van betere ontsluitingsmogelijkheden en om een goede afwikkeling van het verkeer na het realiseren van de woningbouw in Zilverackers te kunnen waarborgen. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat genoemde onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis bevatten dat de raad zich daar ten aanzien van de noodzaak van de Verlengde Heerbaan in redelijkheid niet op heeft kunnen baseren.

Over de in artikel 7, lid 7.5.1, van de planregels opgenomen afwijkingsregeling overweegt de Afdeling als volgt. Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de geluidsbelasting en de luchtkwaliteit. In het kader van deze onderzoeken is uitgegaan van een weg met 2 keer één rijstrook. Nu uit artikel 77 in samenhang met artikel 99 van de Wgh niet volgt dat een akoestisch onderzoek dient te worden ingesteld alvorens toepassing mag worden gegeven aan een afwijkingsregeling als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo die voorziet in de reconstructie van een weg, dient dit onderzoek in het kader van het bestemmingsplan plaats te vinden dat voorziet in de afwijkingsbevoegdheid waarbij het aantal rijstroken mag worden vermeerderd. Nu voorts uit artikel 5.16 van de Wet milieubeheer niet volgt dat een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit dient te worden ingesteld in het kader van bedoelde afwijkingsregeling, dient dit onderzoek eveneens in het kader van het bestemmingsplan plaats te vinden.

Voorts moet met het opnemen van de afwijkingsbevoegdheid een verbreding van de weg in beginsel planologisch aanvaardbaar worden geacht. Dit brengt met zich dat de raad reeds bij de vaststelling van het plan moet hebben afgewogen of de situatie die kan ontstaan door de toepassing van deze bevoegdheid planologisch aanvaardbaar is, mede gelet op de op dit punt geldende sectorale wetgeving.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat dergelijke onderzoeken eerst behoeven plaats te vinden in het kader van de toepassing van de afwijkingsregeling in artikel 7, lid 7.5.1, van de planregels. De raad heeft nagelaten in het kader van het voorliggende plan akoestisch onderzoek te verrichten naar de gevolgen voor de geluidsbelasting die door woningen binnen het plangebied, alsmede door andere geluidsgevoelige gebouwen of door geluidsgevoelige terreinen, vanwege de mogelijke extra rijstroken zouden worden ondervonden. Voorts heeft de raad in het kader van het voorliggende plan nagelaten onderzoek te verrichten naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit vanwege de mogelijke extra rijstroken. Ten slotte is door de raad evenmin een onderbouwing gegeven voor de noodzaak om door middel van een afwijkingsregeling te voorzien in de mogelijkheid meer dan twee rijstroken te realiseren. Het betoog slaagt.

2.4. [appellant] stelt dat de voorziene woningen in strijd met ter zake geldende afspraken binnen de 20 Ke-contour van Eindhoven Airport kunnen worden gebouwd. Voorts voorziet het plan ten onrechte in woningen binnen de 35 Ke-contour.

2.4.1. In deze bezwaren ziet de Afdeling geen aanleiding daarover anders te oordelen dan de voorzitter in zijn uitspraak van 11 november 2011 in zaak nr. 201109200/2/R3 op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. Daarin is overwogen dat het plangebied ten zuiden van de 35 Ke-contour van Eindhoven Airport is gelegen. Dat dit anders is, heeft van [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Voorts staat in het stuk "Regionale uitwerking Aldersadvies over 20 Ke-beleid en grootschalige woningbouwlocaties", waarop [appellant] zich beroept, dat de 20 Ke-contour wordt gehanteerd als grens waarbinnen geen grootschalige woningbouw mag plaatsvinden, maar dat plannen die al in ontwikkeling zijn niet onder deze beperking zullen vallen. Daarbij is onder meer Oerle-Zuid genoemd als plan dat reeds in ontwikkeling is.

2.5. Voorts betoogt [appellant] dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, omdat het plangebied plaats biedt aan beschermde diersoorten, waaronder vleermuizen en kerk- en steenuilen, en dient als foerageergebied. Volgens hem zijn de onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de gevolgen van het plan voor de flora en fauna in het plangebied onvolledig. [appellant] stelt dat de raad ten onrechte geen ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Ffw heeft aangevraagd voor de in het plangebied aanwezige kerk- en steenuilen. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) heeft weliswaar geweigerd om ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Ffw te verlenen met betrekking tot onder andere vleermuizen, omdat deze ontheffing volgens de minister gelet op de in het plan voorziene ontwikkelingen en de door de raad voorgestelde mitigerende maatregelen niet nodig is, maar de raad heeft zich volgens [appellant] niet op dit besluit mogen baseren. Dit besluit is immers nog niet onherroepelijk en zal volgens [appellant] in rechte geen stand houden.

2.5.1. De raad betoogt dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Dit blijkt volgens de raad uit de onderzoeken die hiernaar in het kader van het plan zijn verricht. De mitigerende maatregelen die zullen worden genomen zijn voldoende om de aantasting van het leefgebied van enkele beschermde fauna te compenseren. Een en ander volgt volgens de raad ook uit het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie).

2.5.2. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Naar (beschermde) flora en fauna binnen en in de directe nabijheid van het plangebied zijn in de jaren 2005 tot en met 2009 verschillende onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn vervat in de Natuurtoets Oerle-Zuid van 23 november 2010. Voorts is, voor zover noodzakelijk, aanvullend onderzoek uitgevoerd ten einde een volledig en actueel beeld te krijgen. De inventarisatiegegevens van alle onderzoeken vormen de basis voor de conclusies en aanbevelingen voor het bestemmingsplan in het kader van de Ffw. Blijkens paragraaf 2.1 van de Natuurtoets gaat het om zestien onderzoeken, waaronder het in opdracht van [appellant] door Staro Natuur en Buitengebied uitgevoerde onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Onderzoek natuurwaarden Oerle-Zuid" van juni 2010. Een aantal van de onderzoeken heeft volgens de beschrijving in de Natuurtoets onder meer betrekking op het voorkomen van uilen en vleermuizen in het onderzochte gebied, waaronder het plangebied. Dat wat betreft uilen en vleermuizen desondanks te weinig onderzoek is gedaan of van onjuiste gegevens wordt uitgegaan, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt.

Voor zover [appellant] betoogt dat de raad heeft miskend dat uitvoering van het plan zal leiden tot de aantasting van vaste rust- of verblijfplaatsen van uilen en/of vleermuizen, faalt dat betoog, omdat volgens de Natuurtoets in het plangebied geen vaste rust- of verblijfplaatsen van uilen en/of vleermuizen in de te slopen gebouwen en in de te kappen bomen zijn aangetroffen. In het Starorapport en de brief van Staro van 24 oktober 2011 wordt op dit punt niet tot een andersluidende conclusie gekomen.

Wat betreft de aantasting van het foerageergebied wordt overwogen dat een fourageergebied niet wordt gerekend tot een vaste rust- of verblijfplaats die op grond van artikel 11 van de Ffw bescherming geniet, tenzij het foerageergebied als zodanig samenvalt met een broed- of vaste rust- of verblijfplaats. Daarvan is de Afdeling niet gebleken. Overigens blijkt uit de stukken dat de aantasting van foerageergebieden wordt gemitigeerd door de aanleg van een landschapspark in het plangebied en dat de in het plangebied aanwezige houtwal en de bomenlaan langs de Zittardsestraat, die een vliegroute vormen voor vleermuizen, hun functionaliteit voor vleermuizen zullen behouden. Voorts zal het doorsnijden van de vliegroute ten gevolge van de verlenging van de Heerbaan worden gemitigeerd door de aanleg van een hop-over, aldus de raad. Gelet hierop geeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot de Ffw geen aanleiding voor het oordeel dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Wat betreft de aantasting van de vliegroutes van vleermuizen wordt overwogen dat de Afdeling niet is gebleken dat de vliegroutes als zodanig samenvallen met een vaste rust- of verblijfplaats.

2.6. [appellant] betoogt dat de raad zich bij de vaststelling van het plan ten onrechte heeft gebaseerd op het milieueffectrapport (hierna: MER) uit 2007 en het advies van de commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: commissie m.e.r.) ten aanzien van deze MER, nu deze op verscheidene punten gebreken of onjuistheden vertonen. Zo heeft [appellant] alternatieve locaties aangedragen die volgens hem meer geschikt zijn, omdat deze locaties minder belastend zijn voor de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS). Voorts heeft de raad onvoldoende uitvoering gegeven aan de door de commissie m.e.r. gegeven adviezen.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de milieueffecten van het plan zijn onderzocht en dat daarbij alternatieve locaties zijn onderzocht. De door [appellant] voorgestelde alternatieve locaties zijn volgens de raad minder geschikt, nu deze op een kleinere afstand van de 35 Ke-contour van Eindhoven Airport liggen. De milieueffecten van het plan passen volgens de raad binnen het bereik van de effecten die in het MER zijn beschreven. Voorts is volgens de raad voldoende invulling gegeven aan de aanbevelingen van de commissie m.e.r..

2.6.2. Het MER is in 2007 opgesteld voor de ontwikkeling van de woonwijk Zilverackers met ongeveer 2.700 woningen en de aanleg van de Westelijke Ontsluitingsroute, waar de Verlengde Heerbaan deel van uitmaakt, en betreft een zogenoemd gecombineerd MER, inhoudende een plan-MER en een besluit-MER. Het MER is ten grondslag gelegd aan de verschillende plannen die het project Zilverackers mogelijk maken.

2.6.3. Ingevolge artikel 7.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer , voor zover van belang, bevat het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan ten minste een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven.

2.6.4. Over het betoog van [appellant] dat het advies van de Commissie m.e.r. ondeugdelijk is, overweegt de Afdeling dat dit advies als zodanig niet in deze procedure aan de orde is en in het kader van de vaststelling van het plan slechts van belang is indien hieruit volgt dat het MER zodanige gebreken vertoont dat de raad dit niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het plan. De Commissie m.e.r. is blijkens haar advies van oordeel dat alle essentiële informatie in het MER aanwezig is om het milieubelang een volwaardige plaats te kunnen geven in de besluitvorming en zij geeft aan dat er gedegen onderzoek is verricht en dat het MER een duidelijk inzicht in de effecten van de verschillende alternatieven geeft. Daarbij heeft zij enkele aanbevelingen gedaan die blijkens paragraaf 4.2 van de plantoelichting door de raad zijn meegenomen bij de vaststelling van het plan.

Gelet op voornoemd toetsingsadvies en gelet op de door de raad aangevoerde omstandigheid dat de door [appellant] aangedragen locaties op een kleinere afstand van de 35 Ke-contour van Eindhoven Airport liggen, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het MER geen beschrijving bevat van de alternatieven voor de voorgenomen activiteit die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen.

[appellant] heeft voorts niet, bijvoorbeeld aan de hand van een rapport dat is opgesteld door een op het gebied van milieueffecten gespecialiseerde en onafhankelijke deskundige, aannemelijk gemaakt dat het MER zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad bij het nemen van het bestreden besluit niet in redelijkheid op basis van de resultaten van het verrichte onderzoek en het advies daaromtrent voor de locatie van het plangebied heeft kunnen kiezen en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de milieueffecten van het plan binnen aanvaardbare grenzen blijven. Voor zover [appellant] betoogt dat ten onrechte niet alle aanbevelingen van de Commissie m.e.r. zijn overgenomen overweegt de Afdeling dat daartoe geen verplichting bestaat en dat de raad, in overeenstemming met artikel 7.14, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer , hetgeen over het advies is overwogen heeft vermeld bij onder meer dit plan, zoals blijkt uit de toelichting.

2.7. [appellant] heeft bezwaren tegen de in het plan voorziene toegangsweg ten behoeve van de C2000-zendmast welke weg in het plan uitkomt op de rotonde die op de kruising van de Verlengde Heerbaan met de Sint Janstraat is voorzien. Volgens [appellant] is de toegangsweg niet nodig.

2.7.1. Gelet op de ligging van de inmiddels gerealiseerde zendmast, is de in het plan opgenomen toegangsweg noodzakelijk om deze voorziening te kunnen bereiken voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden. Voor zover het beroep van [appellant] is gericht tegen de C2000-zendmast als zodanig, dan wel het gestelde ontsierende karakter ervan, overweegt de Afdeling dat het plan niet voorziet in de bouw van een zendmast, zodat het bezwaar met betrekking tot de zendmast en het ontsierende karakter ervan reeds hierom niet aan de orde kan komen. Overigens is de zendmast een bouwwerk waarvoor, gelet op, artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht in samenhang met artikel 2, aanhef en onderdeel 16, van bijlage II bij dat besluit, geen omgevingsvergunning is vereist.

2.8. Voor zover [appellant] verzoekt voor het overige zijn zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, wordt overwogen dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.9. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft de zinsnede "meer rijstroken per weg toe te staan en/of" in artikel 7, lid 7.5.1, van de planregels, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet van toepassing is.

2.10. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor zover [appellant] heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten voor de opgestelde deskundigenrapporten, overweegt de Afdeling dat deze rapporten niet zijn opgesteld ten behoeve van de behandeling van het beroep, maar reeds ten behoeve van de door hem ingediende zienswijze.

Ingevolge artikel 8:75 van de Awb komen deze rapporten derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Veldhoven van 17 mei 2011, kenmerk nr. 11.031, voor zover daarbij is vastgesteld de zinsnede "meer rijstroken per weg toe te staan en/of" in artikel 7, lid 7.5.1, van de planregels;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Veldhoven tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 160,32 (zegge: honderdzestig euro en tweeëndertig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Veldhoven aan [appellant] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

177-653.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature