< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 27 april 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend ten behoeve van de verbouwing van een voormalige koeienstal tot woning en voor het dienovereenkomstige gebruik van gronden en opstallen op het perceel [locatie] te Wijnandsrade (hierna: het perceel).

Uitspraak



201112016/1/A1.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wijnandsrade, gemeente Nuth,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 oktober 2011 in zaak nr. 10/1903 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nuth.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend ten behoeve van de verbouwing van een voormalige koeienstal tot woning en voor het dienovereenkomstige gebruik van gronden en opstallen op het perceel [locatie] te Wijnandsrade (hierna: het perceel).

Bij besluit van eveneens 27 april 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een koeienstal tot woonhuis op het perceel.

Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 december 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.J.G. Palmen, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.M.M. Peeters, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. R.L.A.M. Bormans, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de inpandige verbouwing van een voormalige koeienstal tot woning. Het is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "1e herziening van bestemmingsplan Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan), ingevolge waarvan op het perceel de bestemming "Agrarisch bouwblok (Ab)" rust, alsook de dubbelbestemming "Recreatief netwerk". Om realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.2. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO , zoals dat luidde ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.3. Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg de "Lijst van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, WRO" (hierna: de provinciale lijst) vastgesteld.

Als categorie van gevallen is in de provinciale lijst onderdeel A, eerste lid, aanhef en onder i, opgenomen: vrijkomende agrarische bebouwing voor een woon- en/of recreatieve functie voor zover het betreft het bestaande hoofdgebouw.

Ingevolge onderdeel A, tweede lid, aanhef en onder h, is alsnog een verklaring van geen bezwaar benodigd indien bij toepassing van het eerste lid, onder i, van het advies van de BOM+-commissie wordt afgeweken.

Volgens de toelichting op onderdeel A, eerste lid, aanhef en onder i van de provinciale lijst wordt onder 'vrijkomend' verstaan dat het gebruik conform de daarop rustende bestemming niet meer daadwerkelijk wordt geëffectueerd/is beëindigd. Onder hoofdgebouw wordt verstaan het gebouw waarvan de bedrijfswoning architectonisch/(steden)bouwkundig bezien deel uitmaakt (veelal carré- of langgevelboerderijen); in deze gevallen wordt de gehele constructie waarmee de bedrijfswoning één geheel vormt, als hoofdgebouw beschouwd. Dit geldt niet bij moderne situeringen, waarbij de bedrijfsgebouwen naast dan wel achter de bedrijfswoning zijn geplaatst. In dat geval blijft de woning aangemerkt als 'hoofdgebouw'.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO , althans niet daartoe bevoegd was zonder een alsnog door het college van gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar. Hij voert daartoe aan dat niet vast staat, dan wel niet is onderzocht of de koeienstal kan worden aangemerkt als vrijkomende agrarische bebouwing als bedoeld in onderdeel A, onder 1, aanhef en onder i van de provinciale lijst. Hetgeen daarover is opgenomen in de ten behoeve van de vrijstelling door APEL-Advies opgestelde ruimtelijke onderbouwing van 17 oktober 2009, is niet voldoende voor die conclusie, aldus [appellant]. Verder is volgens hem aan de verleende vrijstelling ten onrechte geen advies van de BOM+-commissie ten grondslag gelegd als bedoeld in onderdeel A, tweede lid, aanhef en onder h, van de provinciale lijst. Tevens voert hij daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat de koeienstal niet kan worden aangemerkt als een bestaand hoofdgebouw als bedoeld in onderdeel A, eerste lid, aanhef en onder i, omdat de stal architectonisch/ (steden)bouwkundig bezien geen geheel vormt met de bedrijfswoning.

2.4.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het agrarische bedrijf dat ter plaatse was gevestigd, sinds enige jaren niet meer wordt geëxploiteerd, en dat het college de bij besluit van 11 november 1986 ten behoeve van het voormalige agrarische bedrijf verleende milieuvergunning bij besluit van 5 juni 2009 heeft ingetrokken. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de koeienstal niet kan worden aangemerkt als een vrijkomende agrarische bebouwing.

Het college heeft voorts aannemelijk gemaakt dat een advies van de zogeheten BOM+-commissie niet vereist is, omdat de BOM+-regeling, waarbij BOM de afkorting is van Bouwkavel Op Maat, uitsluitend van toepassing is op agrarische bedrijven. Nu ter plaatse geen agrarisch bedrijf is gevestigd, is onderdeel A, tweede lid, aanhef en onder h, van de provinciale lijst, op het bouwplan niet van toepassing.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de koeienstal onderdeel uitmaakt van het hoofdgebouw op het perceel, nu de bedrijfswoning en de stal, gelet op de afmeting, kleur en bouwstijl, architectonisch en bouwkundig één geheel vormen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de architectonische verschijningsvorm van dit geheel niet wezenlijk afwijkt van die van de in de toelichting op de provinciale lijst als voorbeelden genoemde carré- en langgevelboerderijen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat het college bevoegd was op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO, vrijstelling van bestemmingsplan te verlenen, zonder dat alsnog een verklaring van geen bezwaar was vereist.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het verlenen van de vrijstelling onvoldoende met zijn belangen rekening heeft gehouden. Hij voert hiertoe aan dat het college onvoldoende heeft onderzocht wat het beoogde gebruik is van de bestaande loods van 400 m2 op het perceel. Volgens hem zal deze loods worden gebruikt voor het houden paarden, waarvan hij veel hinder zal ondervinden. Wanneer het college er niet voor had gekozen vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO, maar op grond van artikel 11, lid G, van de planvoorschriften de bestemming van het perceel had gewijzigd, had de bedoelde loods niet mogen blijven staan, omdat in dat geval de oppervlakte van de bijgebouwen had moeten worden teruggebracht tot 70 m2 per woning. Tevens voert hij aan dat zich op de gronden die direct grenzen aan zijn perceel een paardenbak bevindt, waarvan hij overlast ondervindt.

2.5.1. De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat het het college vrijstond geen gebruik te maken van de bedoelde wijzigingsbevoegdheid, maar vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO . Tevens heeft zij terecht overwogen dat de beslissing om met toepassing van artikel 19 van de WRO al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit op het verzoek om vrijstelling heeft kunnen komen.

2.5.2. Uit de bewoordingen van het dictum van het vrijstellingsbesluit van 27 april 2010 zou kunnen worden afgeleid dat de vrijstelling niet slechts ziet op het gebruik van de voormalige koeienstal en de gronden waarop deze staat, maar tevens op het gebruik van de overige gronden en opstallen die deel uitmaken van het perceel. Gelet op de ter zitting door het college ter zake gegeven toelichting, bezien in samenhang met de bij de bouwvergunning behorende aanvraag en tekeningen en de overwegingen van het vrijstellingsbesluit, dient dit besluit aldus te worden verstaan dat de verleende vrijstelling uitsluitend betrekking heeft op de voormalige koeienstal en de gronden waarop deze staat. De vrijstelling ziet derhalve niet op het gebruik van de loods en de huidige paardenbak en de gronden waarop deze zich bevinden. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het woon- en leefklimaat van [appellant] als gevolg van realisering van het bouwplan niet zodanig zal verslechteren dat het college de vrijstelling en bouwvergunning om die reden had behoren te weigeren.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

270-619.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature